Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0986

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/34207
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennismigrant / zoekperiode / ACVZ-advies / wijziging beleid

De rechtbank overweegt dat -gegeven het ACVZ-advies van februari 2007- het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid, zoals neergelegd in de Vc 2000, niet als redelijk aangemerkt kan worden. De ACVZ heeft immers na onderzoek vastgesteld dat de regeling met betrekking tot kennismigranten, waaronder de zoekperiode van drie maanden, ernstig tekortschiet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door het als ernstig tekortschietend te gekwalificeren beleid, zoals destijds neergelegd in de Vc 2000, ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit. Ten tijde van het bestreden besluit van 7 augustus 2007 was immers het, op verzoek van de rechtsvoorganger van verweerder uitgebrachte ACVZ-advies van februari 2007 beschikbaar. Verweerder had zijn beslissing in de onderhavige zaak derhalve dienen aan te houden in afwachting van de op handen zijnde beleidswijziging, welke kort nadien in werking is getreden (WBV 2007/38). Verweerder kan niet volstaan met de overweging dat de beleidswijziging ten tijde van het bestreden besluit nog niet was geïmplementeerd. Eiser heeft voorts terecht aangevoerd dat verweerder hem had moeten horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Breda

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

Reg.nr(s): AWB 07/34207

V-nr(s): 270.172.7297

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht d.d. 4 maart 2008

in de zaak van

[eiser],

eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde mr. P.H. Hillen te Tilburg,

en

de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. A.M.H.W. van Heerebeek.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 augustus 2007 (hierna: bestreden besluit) inzake het recht op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

1.3 Het beroep is behandeld ter zitting van 22 januari 2008. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van J. Hynd als tolk in de Engelse taal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [eiser] 1976, de Kameroense nationaliteit te bezitten en sedert onbekende datum als vreemdeling in Nederland te verblijven. Eiser heeft bij aanvraag van 7 november 2006 verzocht om wijziging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdende met “studie”, in de beperking “verblijf als kennismigrant”.

2.2 Verweerder heeft, na een gevolgde bezwaarprocedure, het bestreden besluit genomen. Dit besluit strekt tot weigering eiser de onderhavige verblijfsvergunning te verlenen.

2.3 In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.4 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte zijn aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning heeft afgewezen. Hij heeft hiertoe het volgende opgemerkt. Naar de mening van eiser heeft verweerder het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond afgedaan en is eiser ten onrechte niet op zijn bezwaar gehoord. Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat de datum op het diploma van eiser waarmee de zoekperiode kan worden vastgesteld ontbreekt. Verweerder gaat er volgens eiser ten onrechte vanuit dat op een bul te allen tijde een datum vermeld staat. In het geval van eiser ontbreekt er een datum, omdat de afronding van de door hem gevolgde masteropleiding niet voorzag in een exacte afstudeerdatum. Voorts heeft eiser opgemerkt dat hij na de afronding van zijn opleiding, emplooi heeft gevonden in het verlengde van zijn opleiding. Hij vormt voor de Nederlandse arbeidsmarkt een unieke werknemer. Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte niet willen toetsen aan het wezenlijke Nederlands belang, althans eiser niet in de gelegenheid willen stellen dit belang toe te lichten. Eiser verwijst ook naar het rapport van de Advies Commissie voor Vreemdelingenzaken (hierna: ACVZ) van februari 2007 “profijt van studie migratiebeleid” en is van mening dat dit advies aanleiding had moeten zijn voor verweerder om eiser te doen horen, nu de ACVZ aangaande het beleid met betrekking tot kennismigranten kritische kanttekeningen heeft geplaatst.

Bij de nadere gronden van het beroep d.d. 4 januari 2008 heeft eiser verwezen naar het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2007/36 (hierna: WBV) aangaande een beleidswijziging met betrekking tot kennismigranten. Eiser ziet hierin bevestigd dat het beleid met betrekking tot kennismigranten/buitenlanders die in Nederland zijn afgestudeerd aan verandering onderhevig was. De wijziging was onder andere ingegeven door het advies van de ACVZ van februari 2007, waarnaar eiser reeds in bezwaar verwezen heeft. Van een kennelijk ongegrond bezwaar was derhalve geen sprake.

2.5 De rechtbank neemt, in het licht van de aangevoerde beroepsgronden, het navolgende wettelijke kader tot uitgangspunt.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 is Onze Minister bevoegd een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen, hetzij op aanvraag van de houder van de vergunning hetzij ambtshalve wegens veranderde omstandigheden.

Volgens artikel 14, tweede lid, Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, onder y, Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) kan een vreemdeling verblijf worden toegestaan als kennismigrant, als bedoeld in artikel 1d van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.

2.6 Ten tijde van het bestreden besluit waren ten aanzien van kennismigranten de navolgende beleidsregels van kracht.

Op grond van B15/10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) krijgen vreemdelingen die met goed gevolg een hogere beroepsopleiding of wetenschappelijke studie in Nederland hebben afgerond, de mogelijkheid om binnen maximaal drie maanden (zoekperiode) na de datum van voltooiing van de studie of opleiding een functie als kennismigrant te vinden. Het gaat hier om vreemdelingen die op basis van een verblijfsvergunning onder de beperking “studie” in Nederland hun studie hebben afgerond.

2.7 De rechtbank stelt allereerst het volgende vast.

Verweerders rechtsvoorganger, de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft, mede namens de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de ACVZ gevraagd advies uit te brengen over de (arbeidsmarkt)positie van migranten die zijn afgestudeerd aan een Nederlandse instelling voor hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs. Uit de adviesaanvraag blijkt dat deze aanvraag is ingegeven door de wens van de regering om voor een goede ontwikkeling van de kenniseconomie zoveel mogelijk hoog opgeleide studiemigranten na hun studie voor de Nederlandse arbeidsmarkt te behouden.

De ACVZ heeft hierop in februari 2007 een advies uitgebracht. De ACVZ concludeert daarin dat de dan geldende regels zoals hiervoor vermeld in B15/10 Vc 2000, waarin o.a. gesproken wordt over een zoektermijn van drie maanden na datum voltooiing studie, ernstig tekort schieten. De te strenge eisen bieden te weinig mogelijkheden om deze studiemigranten voor de Nederlandse arbeidsmarkt te behouden. De ACVZ heeft onder andere geadviseerd om de (maximale) zoekperiode van afgestudeerde studiemigranten van buiten de EU en EER voor het vinden van werk op hun niveau te verlengen van drie maanden naar één jaar.

Bovengenoemd advies heeft geleid tot het WBV 2007/36 van 26 november 2007, in werking getreden op 20 december 2007, waarbij het beleid met betrekking tot kennismigranten is gewijzigd en ondermeer de zoekperiode van drie maanden is verlengd naar één jaar. Deze beleidswijziging was derhalve ten tijde van het onderhavige bestreden besluit nog niet geïmplementeerd.

2.8 Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat verweerder eiser ten onrechte niet heeft gehoord. Eiser heeft namelijk reeds in zijn bezwaarschrift verwezen naar bovengenoemd ACVZ-advies op grond waarvan inmiddels een beleidswijzing heeft plaatsgevonden. Eiser is van mening dat verweerder, gelet op dit advies, de besluitvorming in zijn procedure had moeten aanhouden.

De rechtbank overweegt dat -gegeven het ACVZ-advies van februari 2007- het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid zoals neergelegd in de Vc 2000, niet als redelijk aangemerkt kan worden. Het ACVZ heeft immers na onderzoek vastgesteld dat de regeling met betrekking tot kennismigranten ernstig tekort schiet. Ook heeft de ACVZ specifiek aangegeven dat voor de afgestudeerde studiemigrant die wil promoveren en die voor zijn promotieonderzoek afhankelijk is van projectsubsidies, zoals in eisers situatie het geval is, de zoekperiode van drie maanden te kort is.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet zorgvuldig heeft gehandeld door het als ernstig tekortschietend te kwalificeren beleid, zoals destijds neergelegd in de Vc 2000, ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit. Ten tijde van het bestreden besluit van 7 augustus 2007 was immers het, op verzoek van de rechtsvoorganger van verweerder uitgebrachte ACVZ-advies van februari 2007 beschikbaar. Verweerder had zijn beslissing in de onderhavige zaak derhalve dienen aan te houden in afwachting van de op handen zijnde beleidswijziging, welke kort nadien in werking is getreden. Gegeven het voorgaande kan verweerder in deze niet volstaan met de overweging dat de beleidswijziging naar aanleiding van het ACVZ-advies ten tijde van het bestreden besluit nog niet was geïmplementeerd.

In het licht van het voorgaande heeft eiser ook terecht aangevoerd dat het uitgebrachte advies aanleiding had moeten zijn voor verweerder om eiser te doen horen. Hierbij is in aanmerking genomen dat verweerder bij brief van eiser van 25 januari 2007 en bij brief van de gemachtigde van eiser van 12 april 2007 bekend was dat een onderzoeksopdracht in het kader van een aanstelling van eiser als Phd-researcher bij de Universiteit van Tilburg is voorgelegd aan de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek en gemachtigde uitstel voor het indienen van stukken heeft verzocht. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is derhalve geen sprake. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

Weliswaar heeft eiser een ongedateerd diploma overgelegd, terwijl -ook volgens het thans geldende beleid- een diploma moet worden overgelegd waaruit blijkt per wanneer de opleiding is afgerond, en heeft eiser ook (nog) geen ander stuk overgelegd waaruit deze datum blijkt, maar dat maakt vorenstaande niet anders. Uit de overgelegde brief van de Universiteit van Tilburg van 11 augustus 2006 en het bij een (aanvankelijk onjuist geadresseerde) aanvraag van 8 september 2006 overgelegde diploma blijkt dat eiser in deze periode is afgestudeerd, terwijl eiser dienaangaande bij het hiervoor als gerechtvaardigd aangemerkte horen van eiser, meer duidelijkheid had kunnen verschaffen.

2.9 Op grond van het voorgaande zal het beroep gegrond worden verklaard, zal het bestreden besluit worden vernietigd en dient het betaalde griffierecht te worden vergoed. De rechtbank acht termen voor een proceskostenveroordeling aanwezig. De proceskosten zijn op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan eiser dient te betalen;

veroordeelt de Staat de Nederlanden als rechtspersoon tot vergoeding aan eiser van het betaalde griffierecht ad € 143,-.

Aldus gedaan door mr. S.A.M.L. van den Bosch-van de Sande, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2008, in tegenwoordigheid van F.M.C. Ronde, griffier.

Rechtsmiddelenclausule

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken en vangt aan op de dag na verzending van deze uitspraak.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. (Nadere informatie: www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: