Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0974

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
AWB 08/9551
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / Irak

Daargelaten wat er zij van de gedwongen uitzettingen naar Irak met een EU-staat, is de rechtbank van oordeel dat er - gelet op de medewerkingsverplichting die op eiser rust - vooralsnog voldoende zicht op uitzetting van eiser bestaat, aangezien er aan vreemdelingen met de Iraakse nationaliteit die aangeven wél terug te willen naar Irak, onverkort reisdocumenten door de Iraakse autoriteiten worden verstrekt. Juist in geval de vreemdeling geen medewerking verleent wordt de mogelijkheid van uitzetting veiliggesteld doordat permanent kan worden toegezien op de van hem te verlangen inspanningen tot terugkeer. Aldus is zicht op uitzetting niet komen te ontbreken, maar wordt het integendeel verscherpt en bevorderd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2008/102

Uitspraak

RECHTBANK ’s-Gravenhage,

zittinghoudende te MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 08 / 9551 VRONTN

UITSPRAAK

, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, juncto artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen

[eiser], thans verblijvende op de Detentieboot te Zaandam, eiser,

en

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

Kenmerk: 0307.07.0501.

V-nummer: 200.753.1818.

Behandeling ter zitting: 31 maart 2008 en 15 april 2008.

I. PROCESVERLOOP

Eiser, die stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1987 dan wel [geboortedatum 2] 1983 en de Iraakse nationaliteit te bezitten, is op 28 augustus 2007 in bewaring gesteld met toepassing van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000).

Bij uitspraken van 17 september 2007 en 5 november 2007 heeft deze rechtbank en zittingsplaats de eerdere beroepen inzake opheffing van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard.

Op 17 maart 2008 is namens eiser opnieuw tegen de vrijheidsbenemende maatregel beroep ingesteld; daarbij is tevens verzocht om schadevergoeding.

Naar aanleiding van dit beroepschrift heeft verweerder op 19 maart 2008 een voortgangsrapportage ingezonden. Eiser heeft hierop bij brief van 27 maart 2008 gereageerd. Verweerder heeft eveneens op 27 maart 2008 aanvullende stukken ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 31 maart 2008. Eiser en zijn gemachtigde, mr. C.E. Koopmans, advocaat te Dordrecht, zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P.M.W. Jans, ambtenaar ten departemente.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de nadere informatie te verstrekken door verweerder.

Bij fax van 1 april 2008 heeft verweerder de rechtbank nader in de zaak bericht en daarvan een afschrift gezonden aan de gemachtigde van eiser. Op 1 april 2008 heeft eiser daarop gereageerd.

De rechtbank heeft de behandeling van de zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb doorverwezen naar de meervoudige kamer en op 9 april 2008 nadere vragen aan verweerder gesteld.

Verweerder heeft op 14 april 2008 hierop geantwoord, waarop eiser op 14 april 2008 heeft gereageerd.

Op 15 april 2008 is het onderzoek ter zitting hervat. Eiser alsmede zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. J.M.C. Vissers, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Vooropgesteld moet worden dat de rechtbank de maatregel van bewaring reeds eerder heeft getoetst en dat bij uitspraak van 5 november 2007 is komen vast te staan dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek, dat aan deze uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of sedert het moment van het sluiten van genoemd onderzoek de maatregel van bewaring nog steeds rechtmatig is.

Namens eiser is - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat er geen reëel zicht op uitzetting naar Irak bestaat, hetgeen onder meer blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 10 januari 2008, geregistreerd onder nr. AWB 07/48085, waarin is opgenomen: “verweerders beschouwingen blijven steken in goede voornemens en hoopvolle verwachtingen”. Verweerder geeft aan dat gedwongen uitzetting niet tot de mogelijkheden behoort als eiser niet meewerkt. Nu eiser niet meewerkt is aldus uitzetting onmogelijk en is er geen zicht op uitzetting bij eiser. De vreemdelingenbewaring wordt zodoende een gevangenhouding om eiser te dwingen mee te werken, hetgeen niet het doel van de vreemdelingenbewaring is. De bewaring dient te worden opgeheven onder toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de navolgende informatie zicht op uitzetting naar Irak aanwezig is.

Op 3 februari 2008 heeft er een geslaagde uitzetting naar Basra, Zuid-Irak, plaatsgevonden. De betreffende vreemdeling had voldaan aan zijn medewerkingsplicht door aan te geven terug te willen keren waarop voor hem een laissez-passer (hierna: lp) is afgegeven.

Voorts heeft er op 17 maart 2008 een geslaagde gedwongen uitzetting naar Arbil, Noord-Irak, plaatsgevonden op grond van een verlopen lp. De betrokken vreemdeling had begin 2007 aangegeven mee te willen werken aan zijn verwijdering. Op 3 april 2007 was een lp afgegeven door de Iraakse autoriteiten hier te lande, welke lp geldig was tot 3 september 2007. Ten tijde van het voorbereiden van het daadwerkelijk vertrek is de betrokken vreemdeling van gedachten veranderd en wenste hij niet meer mee te werken aan zijn vrijwillige terugkeer. Vervolgens is een onderhandelingstraject gestart met betrekking tot gedwongen terugkeer naar Noord-Irak, hetgeen heeft geleid tot daadwerkelijk vertrek van de betreffende vreemdeling op 17 maart 2008 met zowel een verlopen lp als een EU-staat.

Door verweerder wordt aangegeven dat medewerking noodzakelijk is om de uitzetting van eiser naar Irak te kunnen effectueren. De Iraakse vertegenwoordiging heeft aangegeven dat zij zich niet bevoegd acht reisdocumenten te verstrekken ten behoeve van een vreemdeling indien deze aangeeft niet terug te willen keren naar Irak. Eiser weigert iedere medewerking. Ten aanzien van deze vreemdelingen die weigeren hun medewerking te verlenen maar van wie wel is vastgesteld dat zij de Iraakse nationaliteit bezitten is de DT&V in gesprek met de Iraakse autoriteiten om de uitzetting te doen plaatsvinden met een EU-staat. Verweerder geeft aan dat de omstandigheid dat hij mogelijkheden bespreekt om vreemdelingen, die iedere medewerking frustreren, op een EU-staat uit te zetten, niet de conclusie rechtvaardigt dat zicht op uitzetting ontbreekt. Immers, indien eiser aangeeft dat hij geen bezwaar heeft tegen zijn verwijdering naar Irak, dan verstrekt de Iraakse vertegenwoordiging reisdocumenten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op basis van de gedingstukken - met name de door verweerder ingezonden voortgangsrapportage en de nader verstrekte informatie - en het verhandelde ter zitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Op 20 november 2007 heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en heeft eiser te kennen gegeven niet mee te werken aan zijn uitzetting naar Irak. Op 7 november 2007 en 5 december 2007 is door de lp-kamer gerappelleerd bij de Iraakse autoriteiten. Op 2 januari 2008 werd getracht met eiser een gesprek te voeren hetgeen geen doorgang heeft kunnen vinden omdat eiser weigerde zich naar de sprekersruimte te begeven en te kennen gaf niet meer te willen spreken met de DT&V. Op 16 januari 2008 heeft de lp-kamer gerappelleerd bij de Iraakse autoriteiten. Op 5 februari 2008 is de Afdeling Bijzonder Vertrek opnieuw gaan bekijken of eiser uitgezet kan worden naar Irak. Op 12 februari 2008 is opnieuw met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Op 21 februari 2008 is eiser overgeplaatst naar Zaandam. Op 27 februari 2008 is bericht ontvangen van de Afdeling Bijzonder Vertrek dat er onderhandelingen plaatsvinden met de Noord-Iraakse autoriteiten over het gedwongen uitzetten van Noord-Iraakse vreemdelingen. Op 27 februari 2008 heeft verweerder een belangenafweging gemaakt voor voortzetting van de maatregel van bewaring bij zes maanden. Verweerder heeft daarbij overwogen dat eiser waarschijnlijk op korte termijn uitgezet kan worden naar Noord-Irak gelet op de onderhandelingen met de Noord-Iraakse autoriteiten omtrent het gedwongen uitzetten van Noord-Iraakse onderdanen. Eiser heeft een eerdere poging tot uitzetten gefrustreerd en aangegeven niet vrijwillig te vertrekken. Gelet op het voorgaande is het belang van verweerder bij de verwijdering van eiser aanmerkelijk groter dan in het algemeen het geval is.

Op 17 maart 2008 heeft een zesde vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden waarbij eiser te kennen heeft gegeven dat hij niet wil meewerken aan een vrijwillige terugkeer naar Irak.

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarendheid heeft betracht.

Ten aanzien van het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank als volgt.

Op de vreemdeling rust de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze verplichting brengt onder meer met zich dat hij actieve en volledige medewerking aan het verkrijgen van de voor zijn vertrek noodzakelijke documenten dient te verlenen. De rechtbank refereert aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 november 2005, gepubliceerd in JV 2006/13.

Van een actieve en volledige medewerking, zoals bedoeld in de hierboven genoemde Afdelingsuitspraak, is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser geen sprake.

Uit de met eiser gehouden vertrekgesprekken komt heel duidelijk naar voren dat eiser herhaaldelijk heeft aangegeven op geen enkele wijze te zullen meewerken aan zijn uitzetting. Eiser heeft zelfs bij het geplande vertrekgesprek, gehouden op 2 januari 2008, te kennen gegeven dat hij niet naar de sprekersruimte wenste te komen en in het geheel niet meer met de DT&V wenste te spreken. In het meest recente vertrekgesprek van 17 maart 2008 heeft eiser nogmaals benadrukt niet van plan te zijn vrijwillig terug te keren naar Irak en alles eraan te zullen doen om niet terug te hoeven keren.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat, nu eiser iedere medewerking weigert, de gevolgen van de bewaring voor zijn rekening dienen te komen. Immers, om de uitzetting van eiser naar Irak te kunnen effectueren is zijn medewerking noodzakelijk. Indien het belang van de openbare orde vordert dat een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd, brengt het wettelijke systeem niet mee dat die maatregel slechts kan worden toegepast ten aanzien van de vreemdeling die medewerking verleent, maar ook en in het bijzonder ten aanzien van de vreemdeling die deze medewerking niet of in onvoldoende mate verleent. Juist in laatstbedoeld geval wordt de mogelijkheid van uitzetting veiliggesteld, doordat permanent kan worden toegezien op de van hem te verlangen inspanningen tot terugkeer. Aldus is zicht op uitzetting niet komen te ontbreken, maar wordt het integendeel verscherpt en bevorderd. Verweerder ziet hierop toe door het voeren van vertrekgesprekken en wijst de betreffende vreemdelingen eveneens op het belang om medewerking te verlenen, zo ook in geval van eiser. De grief van eiser dat de vreemdelingenbewaring een soort van gevangenhouding wordt om medewerking af te dwingen kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet slagen.

Daargelaten wat er zij van de gedwongen uitzettingen naar Irak met een EU-staat, is de rechtbank van oordeel dat er - gelet op de medewerkingsverplichting die op eiser rust - vooralsnog voldoende zicht op uitzetting van eiser bestaat, aangezien er aan vreemdelingen met de Iraakse nationaliteit die aangeven wél terug te willen naar Irak, onverkort reisdocumenten door de Iraakse autoriteiten worden verstrekt.

De rechtbank stelt voorts vast dat de Vw 2000 geen maximum stelt aan de duur van de bewaring van vreemdelingen wier uitzetting is gelast. Dit betekent evenwel niet dat de bewaring onbeperkt zou mogen voortduren. Vaststaat dat de vrijheidsontnemende maatregel, die op 28 augustus 2007 is aangevangen, ruim zeven maanden duurt. In de jurisprudentie van de rechtbanken wordt er van uitgegaan dat na zes maanden bewaring het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld in beginsel zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden, zodat de bewaring alsdan niet langer gerechtvaardigd is te achten. Deze omslag kan zich onder omstandigheden evenwel later dan zes maanden voordoen.

Gelet op de door eiser eerder gefrustreerde poging tot uitzetting en zijn non-coöperatieve houding dienen de belangen van verweerder bij voortduring van de bewaring naar het oordeel van de rechtbank zwaarder te wegen dan die van eiser bij opheffing daarvan. Daarom bestaat thans geen aanleiding de opheffing van de bewaring te bevelen.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

Er bestaat geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe dient te worden afgewezen.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:70 van de Awb, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden, voorzitter, mrs. M. Hillen en M.A.H. Span-Henkens als leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.M. Horsten-Kuijpers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22-04-2008

w.g. T. Horsten-Kuijpers

w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op:22-04-2008

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.