Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0964

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
AWB 07/16063
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Turkse werknemer / artikel 6, eerste lid, van het Associatiebesluit 1/80 / dezelfde werkgever / uitzendbureau / motiveringsgebrek / zorgvuldigheidsgebrek

De uitzendovereenkomst van eiser met het uitzendbureau dient als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW te worden beschouwd. Niet in geding is dat eiser een jaar lang persoonlijk arbeid heeft verricht. Blijkens de arbeidsovereenkomst heeft het uitzendbureau zich verplicht tot loonbetaling. Ook indien er minder dan 40 uren wordt gewerkt is het uitzendbureau verplicht het salaris van eiser tot 40 uur aan te vullen. Gelet hierop is ook aan de verplichting tot loonbetaling voldaan. Aan het vereiste van het bestaan van een gezagsverhouding is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldaan. In het geval van eiser is sprake van een gezagsverhouding tussen het uitzendbureau en eiser. Het is namelijk uiteindelijk aan het uitzendbureau te bepalen waar en wanneer eiser zijn werkzaamheden verricht. De rechtbank verwijst hierbij naar de arbeidsovereenkomst waarin is bepaald dat het uitzendbureau zich het recht voorbehoudt om de werknemer andere dan de overeengekomen werkzaamheden op te dragen. Dat op de werkvloer ook aanwijzingen kunnen worden gegeven door de inlener doet daar niet aan af. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom in het onderhavige geval het uitzendbureau niet als ‘dezelfde werkgever’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 kan worden aangemerkt. Verweerder heeft voorts verzuimd te onderzoeken of deze werkgever nog werkgelegenheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 heeft voor eiser. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met het motiveringsvereiste en de in acht te nemen zorgvuldigheid genomen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 07/16063

V-nummer: 270.305.3067

Inzake:

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, voorheen de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde mr. Ch.R. Vink.

I Procesverloop

1 Eiser, geboren op [geboortedatum] 1971, bezit de Turkse nationaliteit. Hij verblijft sedert 5 maart 2004 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Op 19 november 2004 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner [partner]’, geldig van 6 april 2004 tot 6 april 2005. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning is verlengd tot 18 januari 2008.

2 Op 19 april 2006 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder de beperking ‘arbeid in loondienst op grond van het Turks Associatie Verdrag’. Bij besluit van 18 september 2006 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tevens is de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken met ingang van 30 maart 2006. Eiser heeft tegen de afwijzing van de aanvraag op 27 september 2006 bezwaar gemaakt. Eiser is op

26 maart 2007 gehoord door een ambtelijke commissie. Bij besluit van 3 april 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

3 Op 12 april 2007 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft op 31 juli 2007 een verweerschrift ingediend.

4 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2007. De zaak is toen verwezen naar de meervoudige kamer. Vervolgens heeft de openbare behandeling van het beroep plaatsgevonden op 29 januari 2008. Ter zitting is verschenen eiser in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II Overwegingen

1.1 Bij de Overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap (hierna: de Gemeenschap) en Turkije

(hierna: de Associatieovereenkomst), is een Associatieraad ingesteld. Deze overeenkomst is op 12 september 1963 door de lidstaten van de Gemeenschap en de Gemeenschap enerzijds en Turkije anderzijds ondertekend en namens de Gemeenschap bij besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (PB 1964, 217) gesloten, goedgekeurd en bekrachtigd. De Associatieraad heeft op 19 september 1980 Associatiebesluit 1/80

(hierna: Besluit 1/80) genomen.

1.2 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80, voor zover thans van belang, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort, na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever, indien deze werkgelegenheid heeft.

1.3 In paragraaf B11/3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is aangegeven dat bij de beoordeling of de Turkse werknemer recht heeft op voortzetting van verblijf op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80 wordt gecontroleerd of:

- de Turkse werknemer reeds één jaar onafgebroken bij dezelfde werkgever heeft gewerkt;

- dezelfde werkgever nog voor ten minste één jaar werkgelegenheid heeft voor de Turkse werknemer; en

- gedurende deze jaren hetzelfde beroep wordt uitgeoefend.

2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt. Hij voert daartoe aan dat eiser een uitzendovereenkomst heeft en dat de achtergrond van uitzendwerk is dat er steeds sprake kan zijn van verschillende inleners. Een uitzendbureau wordt in het kader van artikel 6 van het Besluit 1/80 niet aangemerkt als ‘dezelfde werkgever’, ook niet indien sprake is van een vast contract met het uitzendbureau. Volgens verweerder ziet artikel 6 van het Besluit 1/80 op de bescherming van de arbeidsmarkt en niet op de vrije toegang tot de arbeidsmarkt voor Turkse werknemers. Volgens het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) is het hoofdkenmerk van de arbeidsverhouding dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een (geldelijke) vergoeding ontvangt. Bij uitzendwerk werkt de werknemer niet bij het uitzendbureau en niet onder het gezag van het uitzendbureau, maar werkt hij bij de inlener en onder gezag van de inlener. Met betrekking tot eisers verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juli 2006 (AWB 05/37684) overweegt verweerder dat er in deze zaak geen sprake is van gelijke feiten en omstandigheden. Het door eiser gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel kan daarom niet slagen. Overigens is de in die zaak eerder verleende vergunning later weer ingetrokken, op grond van de interpretatie die verweerder thans geeft aan artikel 6 van het Besluit 1/80. Ook het beroep van eiser op het Europees Vestigingsverdrag (hierna: EVV) met betrekking tot het horen van eiser, kan volgens verweerder niet slagen. Volgens verweerder heeft eiser minder dan twee jaar rechtmatig verblijf gehad op grond van artikel 8, onder a, van de Vw 2000, waardoor het EVV niet van toepassing is. Bovendien is eiser reeds gehoord door een ambtelijke hoorcommissie.

3 Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op grond van het EVV gehoord had moeten worden door een onafhankelijke autoriteit, in plaats van een ambtelijke commissie. Verwezen wordt naar het bepaalde in paragraaf B11/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 17 februari 2005 (AWB 04/22280). Voorts is eiser van mening dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip ‘dezelfde werkgever’, zoals die in artikel 6 van het Besluit 1/80 wordt gebezigd. Hij voert daartoe aan dat het Hof heeft gekozen voor de lijn dat de begrippen in Besluit 1/80 analoog dienen te worden uitgelegd en dat sprake moet zijn van een nuttig effect. Voorts heeft het Hof meermalen uitgemaakt dat het doel van Besluit 1/80 is de geleidelijke integratie van werknemers en hun gezinsleden op de arbeidsmarkt van de lidstaat van ontvangst. Eiser heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij een uitzendbureau en het uitzendbureau is verantwoordelijk voor de daadwerkelijke uitbetaling van het loon. Het uitzendbureau is ook verplicht het loon door te betalen als er geen arbeid is. Verweerder komt geen ruimte toe om de begrippen in Besluit 1/80 naar eigen inzicht uit te leggen en te beperken in hun werking. Eiser is voorts van mening dat een keuze voor de de iure danwel de de facto werkgever niet valt te maken. Beide werkgevers, zowel het uitzendbureau als de vaste inlener, moeten worden aangemerkt als dezelfde werkgever als bedoeld in artikel 6 van het Besluit 1/80. Voorts stelt eiser dat hem op grond van het gelijkheidsbeginsel eveneens een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80, omdat verweerder in het recente verleden in gelijke gevallen wel een verblijfsrecht heeft toegekend. Eiser verwijst hiertoe naar de door hem overgelegde dossierstukken uit een zaak met het nummer AWB 05/37684.

4.1 De rechtbank overweegt het volgende.

4.2 Uit de bewoordingen van artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 volgt dat deze bepaling veronderstelt dat de belanghebbende een Turkse werknemer is die op het grondgebied van een lidstaat verblijft, tot de legale arbeidsmarkt van de gastlidstaat behoort en aldaar gedurende een bepaalde periode legaal werkzaam is geweest. Deze legale arbeid dient gedurende één jaar bij dezelfde werkgever te zijn verricht en deze dient nog werkgelegenheid te hebben. Niet in geschil is dat eiser een jaar lang in loondienst heeft gewerkt. Evenmin is in geschil dat deze arbeid als legale arbeid, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80, kan worden aangemerkt.

4.3 De vraag die in het onderhavige beroep beantwoord dient te worden is of in het geval van eiser sprake is van ‘dezelfde werkgever’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80. De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende vaststaande dan wel onvoldoende weersproken feiten en omstandigheden. Eiser is sinds 3 januari 2005 in dienst bij Roj uitzendbureau. Vanaf 3 januari 2006 is eiser in het bezit van een uitzendovereenkomst voor onbepaalde tijd met dit uitzendbureau. Hij is aangesteld in de functie van productiemedewerker. Eiser wordt vast tewerkgesteld bij een in het contract opgenomen inlener, namelijk Berg champignons Kwekerij. Vaststaat voorts dat eiser vanaf januari 2005 tot – blijkens een brief in het dossier van de eigenaar van de kwekerij – in ieder geval 9 juni 2006 werkzaam was bij deze inlener.

4.4 Voor het aanwezig achten van een privaatrechtelijke dienstbetrekking dient aan drie vereisten te zijn voldaan, namelijk de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de verplichting tot loonbetaling en het bestaan van een gezagsverhouding. Ingevolge artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is de uitzendovereenkomst de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat de uitzendovereenkomst van eiser met het uitzendbureau als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW dient te worden beschouwd. Niet in geding is dat eiser een jaar lang persoonlijk arbeid heeft verricht. Blijkens de arbeidsovereenkomst heeft het uitzendbureau zich verplicht tot loonbetaling. Ook indien er minder dan 40 uren wordt gewerkt is het uitzendbureau verplicht het salaris van eiser tot 40 uur aan te vullen. Gelet hierop is ook aan de verplichting tot loonbetaling voldaan. Aan het vereiste van het bestaan van een gezagsverhouding is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank eveneens voldaan. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser sprake is van een gezagsverhouding tussen het uitzendbureau en eiser. Het is namelijk uiteindelijk aan het uitzendbureau te bepalen waar en wanneer eiser zijn werkzaamheden verricht. De rechtbank verwijst hierbij naar de arbeidsovereenkomst waarin is bepaald dat het uitzendbureau zich het recht voorbehoudt om de werknemer andere dan de overeengekomen werkzaamheden op te dragen. Dat op de werkvloer ook aanwijzingen kunnen worden gegeven door de inlener doet daar niet aan af. Voor haar oordeel vindt de rechtbank steun in artikel 7:690 van het BW waarin ook de wetgever het uitzendbureau als werkgever aanmerkt.

4.6 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft waarom in het onderhavige geval het uitzendbureau niet als ‘dezelfde werkgever’ als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 kan worden aangemerkt. Verweerder heeft voorts verzuimd te onderzoeken of deze werkgever nog werkgelegenheid als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 heeft voor eiser. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met het motiveringsvereiste en de in acht te nemen zorgvuldigheid genomen.

5 Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op

€ 805,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1,5 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322,00 en wegingsfactor 1).

III Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

rechtdoende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 805,00 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

5 gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans als voorzitter en mr. C. Laukens en mr. D.H. Hamburger als leden en door de voorzitter en mr. M.C. Snel-van den Hout, griffier, ondertekend.

De griffier,

De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 22 april 2008.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: