Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0943

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
07-05-2008
Zaaknummer
AWB 06/51945, 06/51947
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trage besluitvorming / procesbelang

Eisers hebben op 18 januari 1999 toelating als vluchteling gevraagd. Bij besluiten van 25 september 2006 wordt hun met ingang van 18 januari 1999 een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en onder a, van de Vw 2000 verleend.

Eisers voeren in beroep aan dat zij als gevolg van de trage besluitvorming van verweerder schade hebben geleden en dat verweerder, door hiernaar geen navraag te doen en daarover een besluit te nemen, onzorgvuldig heeft gehandeld. Het beroep is niet gericht tegen de ingangsdatum van de besluiten en strekt evenmin tot vernietiging van de besluiten. Aangezien eisers door het beroep tegen de begunstigende besluiten niet in een gunstiger positie kunnen geraken, ontbreekt aan het beroep enig procesbelang. Het beroep is niet ontvankelijk. Het aanvullend beroepschrift van 12 december 2006 wordt als aanvraag om een zelfstandig schadebesluit doorgezonden aan verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 06/51945 en 06/51947

Datum uitspraak: 18 maart 2008

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser 1],

geboren op [geboortedatum] 1968,

v-nummer 040.202.0530,

[eiser 2],

geboren op [geboortedatum] 1971,

v-nummer 9901-17-8006,

van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

eisers,

gemachtigde mr. A. Portier,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 18 januari 1999 hebben eisers toelating als vluchteling gevraagd. Bij besluiten van 22 oktober 1999 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd en ambtshalve beslist aan eisers geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

Daartegen hebben eisers op 25 november 1999 bezwaar gemaakt.

Bij besluiten van 25 september 2006 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en eisers met ingang van 18 januari 1999 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Tevens is eisers met ingang van 18 januari 2002 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend.

Op 24 oktober 2006 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 maart 2008. Eisers zijn verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. L. Verheijen.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten en hebben in de gronden van beroep, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Eisers kunnen zich niet verenigen met de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunningen. Eisers hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat zij als gevolg van de lange beslisperiode van verweerder schade hebben geleden. Indien verweerder de verblijfsvergunningen eerder had verleend, hadden eisers eerder een verzoek tot naturalisatie in kunnen dienen, waren eisers eerder in aanmerking gekomen voor normale huisvesting en scholing en waren zij al ingeburgerd. Daarbij waren eisers eerder in aanmerking gekomen voor een uitkering en sociale voorzieningen, waaronder een tegemoetkoming in de studiekosten en kinderbijslag.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ter zitting is namens eisers desgevraagd medegedeeld dat het beroep, voor zover dat is gericht tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunningen, niet wordt gehandhaafd. De gemachtigde van eisers heeft ter zitting verder verklaard dat, hoewel het standpunt is verdedigd dat verweerder, door niet uit eigen beweging bij eisers navraag te doen of sprake is van schade, onzorgvuldig heeft gehandeld, eisers met het beroep niet willen bewerkstelligen dat de besluiten door de rechtbank worden vernietigd. Eisers beogen met het beroep enkel de door de lange procedure veroorzaakte schade van verweerder vergoed te krijgen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat, nu eisers met het beroep tegen de begunstigende besluiten van 25 september 2006 niet in een gunstigere positie kunnen geraken, het beroep wegens het ontbreken van enig procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. De rechtbank zal het beroepschrift van 12 december 2007 aanmerken als een aanvraag om een zelfstandig schadebesluit en dat beroepschrift met toepassing van het bepaalde in artikel 6:15 van de Awb doorzenden naar verweerder.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;

zendt de beroepen, voor zover deze betrekking hebben op het verzoek om schadevergoeding, door aan verweerder.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Linschoten, voorzitter, en mr. A.W.M. van Hoof en mr. A.M. Overbeeke, rechters, en is door de voorzitter en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2008 in tegenwoordigheid van mr. W.E.M. van Erp als griffier.

de griffier

de voorzitter?