Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0604

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
06-05-2008
Zaaknummer
AWB 08/7930, 08/7927
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn / binnenlands gewapend conflict / Turkije

Uit de door verzoeker overgelegde nieuwsberichten met betrekking tot de invallen van Turkije in Noord-Irak blijkt onder meer het volgende. Op 28 november 2007 is de Turkse krijgsmacht door premier Erdogan geautoriseerd grensoverschrijdende operaties in Noord-Irak te initiëren. Op 1 december 2007 heeft de Turkse krijgsmacht aangegeven een eerste operatie in dat verband te hebben uitgevoerd. Op 16 en 22 december 2007 zouden luchtaanvallen hebben plaatsgevonden. Op 26 december 2007 en op 4 februari 2008 zijn wederom lucht aanvallen uitgevoerd. Op 22 februari 2008 wordt bericht dat Turkse grondtroepen Noord-Irak zijn binnengevallen. Op 27 februari 2008 wordt bericht dat de Iraakse regering de onmiddellijke terugtrekking eist van Turkije uit het noorden van Irak. Op 28 februari 2008 hebben de Verenigde Staten ten slotte Turkije voor het eerst gevraagd zo spoedig mogelijk een einde te maken aan de militaire operatie in Noord-Irak. In de uitspraak van 20 juli 2007 (JV 2007, 442) heeft de AbRS overwogen dat op grond van bepalingen van internationaal humanitair recht geconcludeerd moet worden dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Deze operaties dienen dan aanhoudend en samenhangend van aard te zijn, wil sprake zijn van een gewapend conflict. Ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een zodanig conflict. Hieruit volgt dat thans in Turkije geen sprake is van een gewapend conflict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

vreemdelingenkamer

voorzieningenrechter

Uitspraak

artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.:

AWB 08/7930 (voorlopige voorziening)

AWB 08/7927 (beroep)

V.nr.: 270.743.8969

inzake:

[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1986, van Turkse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. S. Demirtas, advocaat te Arnhem,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 4 maart 2008 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 maart 2008 waarbij de (herhaalde) aanvraag van verzoeker van 28 februari 2008 om verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 is afgewezen. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist.

2. De voorzieningenrechter heeft de behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 maart 2008 aangehouden omdat door de rechtbank geen tolk in de Koerdische taal was opgeroepen.

3. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 21 maart 2008. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S.Y. Cihangir als tolk in de Koerdische taal.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

II. FEITEN

In dit geding wordt uitgegaan van de volgende feiten.

1. Verzoeker heeft op 1 juli 2005 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 19 januari 2006 afgewezen. Bij uitspraak van 29 november 2007 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Gravenhage, het op 20 februari 2007 tegen dit besluit ingediende beroepschrift ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen op 31 december 2007 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS).

2. Verzoeker heeft op 1 februari 2008 een tweede aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 6 februari 2008 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen op 6 februari 2008 een beroepschrift ingediend. Op diezelfde datum is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij is verzocht uitzetting van verzoeker achterwege te laten totdat op het beroep zal zijn beslist. Bij uitspraak van 22 februari 2008 (AWB 06/9228 en AWB 06/9231) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van 6 februari 2008 ongegrond verklaard.

III. RELAAS NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

Verzoeker heeft de volgende nieuwe feiten en omstandigheden (nova) aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Verzoeker loopt nog immer gevaar te worden gearresteerd wegens zijn politieke activiteiten. Verzoeker was lid van de jeugdafdeling van de Democratische Volkspartij Dehap (Demokratik HalkPartisi). Inmiddels is deze partij vervangen door een andere partij, de DTP (Democratic Society Party). Verzoeker heeft telefonisch van zijn moeder vernomen dat de DTP een brief heeft gestuurd waarin verzoeker wordt opgeroepen zich bij de DTP aan te sluiten en deel te nemen aan de activiteiten ter gelegenheid van de viering van Newroz, het Koerdisch Nieuwjaar. Verzoeker heeft zijn vader verzocht deze brief op te sturen. Deze is vervolgens in een demonstratie terecht gekomen en opgepakt wegens het deelnemen aan de demonstratie. Tijdens de aanhouding is de brief met een Nederlands adres aangetroffen hetgeen aanleiding was voor een huiszoeking.

Voorts heeft verzoeker aan zijn herhaalde aanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Turkije gevangenisstraf riskeert wegens dienstweigering. Ter onderbouwing heeft verzoeker het origineel van zijn dienstoproep overgelegd.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker binnen 48 procesuren in het aanmeldcentrum, onder verwijzing naar de eerdere afwijzende beschikking van 19 januari 2006, op grond artikel 4:6 van de Awb afgewezen, nu geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

Dat verzoeker nog immer niet in militaire dienst wil wordt niet aangemerkt als novum. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Gravenhage van 29 november 2007 is immers geconcludeerd dat verzoekers dienstweigering niet leidt tot de aanname van vluchtelingschap. In die procedure was reeds geoordeeld dat geen sprake is van ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren op grond van godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging die leiden tot dienstweigering of desertie. Dat verzoeker thans een kopie van de oproep voor militaire dienst heeft overgelegd kan hieraan dan ook niet afdoen.

Verzoekers vrees te worden gearresteerd vanwege zijn lidmaatschap van de Dehap leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Over hetgeen in dit verband is aangevoerd is in de eerste asielprocedure reeds geoordeeld dat dit niet geloofwaardig is. Het gestelde omtrent de bezorging van een brief van de DTP en de daarmee samenhangende arrestatie van verzoekers vader is enkel gebaseerd op een niet objectief verifieerbare bron.

De inhoud van de overgelegde krantenartikelen en persberichten hebben geen betrekking op verzoekers situatie en leiden evenmin tot het oordeel dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

Anders dan verzoeker stelt heeft verweerder het bepaalde in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn) bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. Verweerder heeft geen aanleiding gezien te concluderen dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict.

2. Verzoeker heeft het volgende aangevoerd.

Verzoeker is Koerd en afkomstig uit Sirnak in een zeer onveilige deel van Turkije waar de Koerdische strijd op zijn hevigst is. Dagelijks vinden militaire operaties plaats aan de grens tussen Turkije en Noord-Irak waarbij de plaatselijke bevolking wordt geterroriseerd door het Turkse leger. Koerden worden gediscrimineerd wegens hun afkomst. Verzoeker kan en wil zijn militaire dienstplicht niet vervullen. Hij heeft gewetensbezwaren om ingezet te worden tegen zijn eigen volk.

Verzoeker heeft te vrezen voor vervolging door de Turkse autoriteiten in verband met zijn Koerdische afkomst, de activiteiten die hij in het verleden voor de Dehap heeft verricht, zijn dienstweigering. Volgens het Handbook van de Verenigde Naties en volgens het beleid van verweerder kan in aan aantal gevallen dienstweigering of desertie leiden tot vluchtelingschap. Nu verzoeker bovendien een originele aan hem gerichte oproep voor militaire dienst en een uittreksel uit de burgerlijke stand heeft overgelegd is sprake van nova. Van belang is voorts dat verzoeker thans meerderjarig is en heeft geweigerd zich te melden voor de militaire dienst.

Terugkeer naar Turkije levert schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op.

Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict.

In beroep heeft verzoeker de volgende stukken overgelegd.

- een vertaalde oproep voor militaire dienst van 1 december 2007;

- een vertaald uittreksel uit de Turkse burgerlijke stand;

- een aantal nieuwsberichten van verschillende persagentschappen en dagbladen.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of er gegeven de spoedeisendheid van het verzoek aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van verweerder om de uitzetting niet achterwege te laten wordt geschorst.

2. De voorzieningenrechter stelt, onder verwijzing naar hetgeen hierboven onder II is weergegeven, vast dat de onderhavige aanvraag dient te worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag.

3. Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

4. Volgens vaste jurisprudentie van de AbRS kan buiten de aanwending van ingevolge de wet openstaande rechtsmiddelen eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd. Artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000, verzet zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het besluit op een herhaalde aanvraag wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Daarbij geldt dat de wet voor de rechtspraak, anders dan voor het bestuur niet voorziet in discretie, noch anderszins in uitzonderingen op de regel dat de weg naar de rechter slechts eenmaal gedurende een beperkte periode open staat. Uit het vooroverwogene vloeit voort dat de rechter ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct moet treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

5. Verzoeker heeft een beroep gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn en heeft aangevoerd dat in het zuidoosten van Turkije sprake is van een binnenlands gewapend conflict. De voorzieningenrechter begrijpt deze beroepsgrond aldus dat sinds de uitspraak van de rechtbank in de tweede asielprocedure van verzoeker van 22 februari 2008 is de situatie in Turkije dusdanig verslechterd dat thans sprake is van een binnenlands gewapend conflict en dat anders dan daarvoor artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn als relevant recht dient te worden aangemerkt.

6. Uit de door verzoeker overgelegde nieuwsberichten met betrekking tot de invallen van Turkije in Noord-Irak blijkt onder meer het volgende.

Op 28 november 2007 is de Turkse krijgsmacht door premier Erdogan geautoriseerd grensoverschrijdende operaties in Noord-Irak te initiëren. Op 1 december 2007 heeft de Turkse krijgsmacht aangegeven een eerste operatie in dat verband te hebben uitgevoerd. Op 16 en 22 december 2007 zouden luchtaanvallen hebben plaatsgevonden. Op 26 december 2007 en op 4 februari 2008 zijn wederom lucht aanvallen uitgevoerd. Op 22 februari 2008 wordt bericht dat Turkse grondtroepen Noord-Irak zijn binnengevallen. Op 27 februari 2008 wordt bericht dat de Iraakse regering de onmiddellijke terugtrekking eist van Turkije uit het noorden van Irak. Op 28 februari 2008 hebben de Verenigde Staten ten slotte Turkije voor het eerst gevraagd zo spoedig mogelijk een einde te maken aan de militaire operatie in Noord-Irak.

7. In de uitspraak van 20 juli 2007 (JV 2007, 442) heeft de AbRS overwogen dat op grond van bepalingen van internationaal humanitair recht geconcludeerd moet worden dat sprake is van een binnenlands gewapend conflict indien een georganiseerde gewapende groep met een verantwoordelijk bevel in staat is op het grondgebied van een land of een gedeelte daarvan militaire operaties uit te voeren jegens de strijdkrachten van de autoriteiten van dat land. Deze operaties dienen dan aanhoudend en samenhangend van aard te zijn, wil sprake zijn van een gewapend conflict. Ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, leiden niet tot de conclusie dat sprake is van een zodanig conflict. Hieruit volgt niet dat in Turkije sprake is van een gewapend conflict.

8. Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet de conclusie worden getrokken dat het (wederom) binnenvallen door het Turkse leger in Noord-Irak de situatie in het zuidoosten van Turkije zodanig heeft verslechterd dat thans aan de door de AbRS geformuleerde definitie voor het bestaan van een binnenlands gewapend conflict wordt voldaan, daar waar dat voordien niet het geval was. Dat de aanval in Noord-Irak door de autoriteiten van Irak wordt veroordeeld en de Verenigde Staten hebben verzocht om terugtrekking van de Turkse troepen uit Noord-Irak leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van een binnenlands gewapend confict.

9. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep op de verslechterde situatie in het land van herkomst en daarmee samenhangend op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn niet kan afdoen aan de eerdere besluiten en derhalve niet kan worden aangemerkt als novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

10. De stelling van verzoeker dat de omstandigheid dat hij inmiddels meerderjarig is geworden en daarmee de leeftijd heeft bereikt dat hij zijn militaire dienstplicht moet vervullen dient te worden aangemerkt als novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb volgt de voorzieningenrechter niet reeds omdat verzoeker ten tijde van het besluit op zijn tweede asielaanvraag meerderjarig was.

11. Ter onderbouwing van de stelling dat hij te vrezen heeft voor vervolging wegens zijn politieke activiteiten heeft verzoeker aangevoerd dat de Dehap hem een brief heeft gestuurd op het adres van zijn ouders en dat hij zijn vader heeft verzocht deze naar hem op te sturen. Zijn moeder heeft verzoeker echter telefonisch meegedeeld dat verzoekers vader met die brief is opgepakt wegens deelname aan een demonstratie. Hetgeen verzoeker in de onderhavige procedure heeft aangevoerd kan niet afdoen aan het besluit op verzoekers eerste asielaanvraag waarin de gestelde politieke activiteiten niet geloofwaardig zijn geacht. Het gestelde omtrent de brief van de DTP is immers gebaseerd op een niet objectief verifieerbare bron. In de uitspraak van 29 november 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen twijfelen aan de door verzoeker gestelde activiteiten voor de Dehap. Derhalve is van belang dat gestelde nieuwe feiten en omstandigheden op meer moeten zijn gebaseerd dan op een telefonische mededeling van een niet-objectief te verifiëren bron. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat in zoverre evenmin sprake is van nova in de zin van 4:6 van de Awb.

12. Ook het door verzoeker in beroep overgelegde origineel van zijn oproep voor militaire dienst kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet afdoen aan de eerdere besluiten. Allereerst dateert de oproep van 1 december 2007 en heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat het document niet eerder heeft kunnen overleggen. Voorts heeft de rechtbank in voornoemde uitspraak van 29 november 2007 overwogen dat voor zover er van moet worden uitgegaan dat verzoeker de dienstplicht nog moet vervullen, verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in paragraaf C2/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en daarom geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het is dan ook geen nieuw feit. Dat de oproep niet op authenticiteit is onderzocht, wat daar ook van zij, doet aan het voorgaande niet af.

13. Voor zover verzoeker heeft bedoeld met de overgelegde uittreksels uit de Turkse burgerlijke stand zijn asielrelaas nader te onderbouwen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat, nu niet is gebleken dat verzoeker deze stukken niet eerder heeft kunnen en derhalve moeten overleggen, deze stukken evenmin kunnen afdoen aan de eerdere besluiten en daarom niet kunnen worden aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden.

14. Ten slotte heeft verzoeker ter onderbouwing van zijn relaas zich beroepen op de berichtgeving over een Turkse zangeres die vanwege haar uitspraak dat zij haar zonen nooit zou toestaan in militaire dienst te gaan en haar oproep aan de Turkse regering om een einde te maken aan de oorlog, voor de rechter moet verschijnen. Het voorgaande kan niet afdoen aan de eerdere besluiten, nu voornoemde berichten niet zien op de situatie op eiser. Ditzelfde geldt voor de berichten over hoge zelfmoordcijfers binnen het Turkse leger. Deze berichtgeving is bovendien algemeen gesteld en maakt verzoekers asielrelaas niet geloofwaardig.

15. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die leiden tot een ander oordeel dan verwoord in de eerdere besluiten.

16. Nu niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden kan eisers beroep op artikel 3 van het EVRM evenmin slagen. In dit verband volstaat een verwijzing naar het besluit van 19 januari 2005 op verzoekers eerste asielaanvraag waarin is geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

17. Verweerder heeft de aanvraag binnen het AC dan ook kunnen afwijzen op grond van artikel 4:6 van de Awb.

18. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in ongegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep te beslissen. Het beroep tegen de afwijzende beschikking op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook ongegrond worden verklaard. Dat brengt mee dat het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang dient te worden afgewezen.

19. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is niet gebleken.

VI. BESLISSING

De voorzieningenrechter

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 08/7927:

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 08/7927:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Fockens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. Sjouke, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2008.

De griffier

De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: MSj

Coll:

D: B

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen een week na de verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.