Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0032

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
09/758393-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld en verboden wapenbezit. Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een motorzaak, waarbij zij een motorfiets en twee motorfietssleutels hebben buitgemaakt. Gedurende de overval hebben zij de drie aanwezige personeelsleden van die motorzaak grote vrees aangejaagd door hen te bedreigen met geweld. Tevens heeft verdachte fysiek geweld gebruikt, onder andere bestaande uit het meerdere malen slaan met een (geladen) vuurwapen tegen het hoofd van één van die personeelsleden en vervolgens het schieten met dat vuurwapen in de zeer dichte nabijheid van die drie personeelsleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/758393-07

's-Gravenhage, 22 april 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Vught", Nieuw Vosseveld 2 EBI te Vught.

De terechtzitting.

Het onderzoek is - na een pro forma behandeling op 17 januari 2008 - gehouden ter terechtzitting van 8 april 2008. Beide zittingen hebben om veiligheidsredenen in Rotterdam plaatsgevonden.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden mr. C.L.A. de Sitter en mr. D.M. Kortekaas, beiden advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. De Groot heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Bewijsoverwegingen.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte van het onder feit 1, vierde gedachtestreepje, ten laste gelegde - kort gezegd het met opzet schieten met het vuurwapen in de nabijheid van de aangevers - dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het aannemelijk is dat verdachte het wapen, op het moment dat het schot afging, niet stevig vasthad en dat hij op dat moment, terwijl hij het personeel op afstand moest houden, bezig was met het pakken van een sleutel. Gelet hierop is het naar het oordeel van de verdediging niet onwaarschijnlijk dat het wapen bij dit tumult per ongeluk afging en dat verdachte aldus niet opzettelijk heeft geschoten. Verdachte was voorts in de stellige overtuiging dat het wapen defect was, aldus de verdediging.

Bij de beantwoording van de vraag of verdachte opzettelijk met het vuurwapen heeft geschoten, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden:

- verdachte heeft in de werkplaats van [motorzaak] (de loop van) een pistool (9 mm kaliber, merk Browning) gericht op aangever [A];

- vervolgens heeft verdachte deze aangever, in de werkplaats, met het pistool meerdere harde klappen tegen het hoofd gegeven; daarbij had verdachte het pistool bij de loop (dus 'omgekeerd') vast;

- in het kantoor van [motorzaak] heeft verdachte vervolgens met zijn linkerhand een sleutel van het sleutelbord gepakt terwijl hij in zijn rechterhand en op weer 'normale wijze' het pistool vasthield;

- op dat moment bevonden zich diverse medewerkers van [motorzaak] in de directe nabijheid van verdachte; verdachte wilde hen op afstand houden;

- het pistool is, terwijl verdachte bij het sleutelbord stond, afgegaan (het pistoolschot heeft niemand getroffen);

- de politie heeft het pistool kort na het schietincident, na aanhouding van verdachte en zijn medeverdachte, onderzocht en vastgesteld dat de slede van het vuurwapen half open stond, dat er een huls klem zat tussen de slede en de kamer van het vuurwapen, dat de hamer gespannen stond, dat er in het magazijn van het pistool een scherp patroon zat en dat de patroon tegen de lege huls werd aangeduwd;

- de politie heeft in het pistool negen scherpe patronen aangetroffen;

- het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft bij rapport van 7 maart 2007 vastgesteld dat tijdens het lossen van tachtig proefschoten, waarbij het onderhave pistool op normale wijze werd vastgehouden, geen uitwerpstoringen optraden en dat tijdens het lossen van veertig proefschoten, waarbij het pistool zeer los werd vastgehouden, drie storingen optraden. Eén van die uitwerpstoringen leverde een toestand van het wapen op zoals gezien door de politie (zie hierboven).

Ook indien wordt uitgegaan van de, door verdachte overigens voor het eerst ter zitting expliciet gestelde, omstandigheid dat zijn vinger niet om de trekker zat en dat hij aldus niet met gewilde spierbeweging de trekker heeft overgehaald, is voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte met opzet heeft geschoten. Bovengenoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen immers, op grond van algemene ervaringsregels, de conclusie dat de kans dat uit het door verdachte vastgehouden en als slagwapen gehanteerde (door)geladen vuurwapen een schot zou afgaan, aanmerkelijk is. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door dit wapen ter hand te nemen in de context van een gewapende overval, deze kans welbewust heeft aanvaard. In dit verband is van belang dat verdachte wist hoe een pistool werkt en voorts dat de stelling van verdachte dat hij zich er voorafgaand aan de overval van had verzekerd dat het wapen niet functioneerde, niet aannemelijk is in het licht van de bevindingen van de politie en het NFI.

Het opzet van verdachte was aldus op zijn minst in voorwaardelijke zin gericht op het schieten met het vuurwapen.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een motorzaak, waarbij zij een motorfiets en twee motorfietssleutels hebben buitgemaakt. Gedurende de overval hebben zij de drie aanwezige personeelsleden van die motorzaak grote vrees aangejaagd door hen te bedreigen met geweld. Tevens heeft verdachte fysiek geweld gebruikt, onder andere bestaande uit het meerdere malen slaan met een (geladen) vuurwapen tegen het hoofd van één van die personeelsleden en vervolgens het schieten met dat vuurwapen in de zeer dichte nabijheid van die drie personeelsleden. Dat geen van hen als gevolg hiervan door de kogel is geraakt mag - gelet op de kleine ruimte waarin zij zich bevonden en de richting van de schietbaan - een wonder heten.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben door hun handelwijze een ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hun is overkomen. Verdachte en zijn medeverdachte zijn, blijkens de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en hebben uitsluitend oog gehad voor hun eigen belangen.

Tevens heeft verdachte zich, zoals hiervoor reeds is overwogen, samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en daarbij behorende munitie.

Tegen onbevoegd vuurwapenbezit dient krachtig te worden opgetreden; het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan.

De bewezenverklaarde gewapende overval vormt evenwel het zwaartepunt bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf, nu dit een zeer ernstig misdrijf betreft dat behoort tot een categorie strafbare feiten die een grove inbreuk maken op de rechtsorde en waardoor de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid worden bevestigd en versterkt.

De rechtbank rekent verdachte dit feit derhalve zwaar aan.

Op feiten als de onderhavige kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De verdediging heeft verzocht om bij het bepalen van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf rekening te houden met de zware detentieomstandigheden - zoals in de pleitaantekeningen uiteengezet - waarin verdachte heeft verkeerd en nog steeds verkeert.

De rechtbank is op de hoogte van het zware detentieregime op de Landelijke Afzonderingsafdeling en in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) te Vught, doch van oordeel dat verdachte de plaatsing op deze afdeling en aansluitend in bedoelde inrichting aan zichzelf te wijten heeft nu deze het logisch gevolg is van de vluchtgevaarlijke status die hij in de afgelopen jaren heeft opgebouwd. De detentie omstandigheden vormen derhalve geen aanleiding tot strafvermindering over te gaan.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat er tijdens de pro forma behandeling op 17 januari 2008, in strijd met de regels, camerabeelden van verdachte zijn opgenomen welke uitgebreid op de Belgische televisie zijn uitgezonden.

De verdediging heeft verzocht met deze schending van de privacy van verdachte bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf eveneens rekening te houden.

De rechtbank stelt voorop dat er in Nederland regels gelden voor de media op grond waarvan verdachten niet herkenbaar in beeld mogen worden gebracht. De rechtbank betreurt het dat de Belgische media zich niet aan de hier ten lande geldende afspraken heeft gehouden. Het schenden van de privacy van verdachte door de Belgische media vormt evenwel geen omstandigheid die voor rekening en risico van de Nederlandse justitiële autoriteiten dient te komen en om die reden kan bedoelde schending evenmin tot strafvermindering leiden.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank enerzijds ten nadele van verdachte rekening met het feit dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Belgische strafregister - reeds vele malen eerder in België wegens soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, uit welke veroordelingen verdachte kennelijk geen lering heeft getrokken. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de strafoplegging die voor misdrijven als de onderhavige - ook indien gepleegd door recidivisten - gebruikelijk is, hetgeen met zich brengt dat de rechtbank een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf zal opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 54 (vierenvijftig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 30-10-2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 01-11-2007.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Poustochkine, voorzitter,

Bockwinkel en Spros, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Maat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2008.