Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BD0030

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2008
Datum publicatie
22-04-2008
Zaaknummer
09/758392-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld. Verboden wapenbezit. Gewapende overval op een motorzaak, waarbij verdachte en medeverdachte een motorfiets en twee motorfietssleutels hebben buitgemaakt en de drie aanwezige personeelsleden van die motorzaak grote vrees aangejaagd hebben door hen te bedreigen met geweld. Medeverdachte heeft ook fysiek geweld gebruikt, onder andere bestaande uit het meerdere malen slaan met een (geladen) vuurwapen tegen het hoofd van één van die personeelsleden en vervolgens het schieten met dat vuurwapen in de zeer dichte nabijheid van die drie personeelsleden. Verdachte en zijn medeverdachte hebben samen het plan opgevat om de medewerkers van de motorzaak een motor afhandig te maken. Verdachte wist dat zijn medeverdachte over een vuurwapen beschikte. Aldus heeft verdachte willens en wetens de geenszins denkbeeldige kans aanvaard dat zijn medeverdachte met dit pistool geweld jegens de personeelsleden van de motorzaak zou gebruiken, hetgeen ook het geval bleek te zijn. Voorts heeft verdachte zich niet, hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, gedistantieerd van de gedragingen van zijn medeverdachte. Dit levert het wettig en overtuigend bewijs op dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan alle onderdelen van het onder feit 1 ten laste gelegde feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/758392-07

's-Gravenhage, 22 april 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Rijnmond" De Schie te Rotterdam.

De terechtzitting.

Het onderzoek is - na een pro forma behandeling op 17 januari 2008 - gehouden ter terechtzitting van 8 april 2008. Beide zittingen hebben om veiligheidsredenen in Rotterdam plaatsgevonden.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.M.P. Jongsma, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. De Groot heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Bewijsoverweging.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder feit 1, vierde gedachtestreepje, ten laste gelegde - kort gezegd het met opzet schieten met het vuurwapen in de nabijheid van de aangevers - dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet wist dat zijn medeverdachte een vuurwapen bij zich had en dat verdachte geen invloed heeft gehad of kon hebben op het schieten met het vuurwapen door zijn medeverdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Op grond van vaste jurisprudentie (zie: HR 12 februari 2002, NJ 2002, 351) is voor het aannemen van medeplegen voldoende dat er ter uitvoering van een gezamenlijk plan een bewuste, nauwe en volledige samenwerking is geweest. Voor de toerekening van geweld, ingevolge het bepaalde in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht, wordt geen bewuste samenwerking bij en gezamenlijke uitvoering van dat geweld vereist, zoals door de raadsman wordt gesteld. Bovendien kan ook stilzwijgende samenwerking 'medeplegen' opleveren. Dit kan, afhankelijk van de omstandigheden, onder meer het geval zijn als iemand zich niet distantieert van en/of niet ingrijpt in het delictueuze handelen van de ander.

In het onderhavige geval is verdachte aansprakelijk voor het door de medeverdachte jegens de drie personeelsleden uitgeoefende geweld. Immers, verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 12 december 2007 verklaard dat hij en zijn medeverdachte een motor wilde hebben, dat er op straat geen motoren stonden om te stelen, dat zij vervolgens de bewuste motorzaak tegenkwamen en op het idee kwamen om daar een motor te stelen. Hieruit volgt dat verdachte en zijn medeverdachte samen het plan hebben opgevat om de medewerkers van de motorzaak een motor afhandig te maken.

Tevens komt uit de inhoud van het dossier komt naar voren dat verdachte wel degelijk wist dat zijn medeverdachte over een vuurwapen beschikte, nu verdachte in datzelfde verhoor heeft verklaard dat hij wist dat het bewuste vuurwapen een pistool, merk Browning, betrof aangezien hij net voordat zij de motorzaak binnengingen de houder uit het pistool had gehaald en zag dat daarin 5 patronen zaten. Aldus heeft verdachte willens en wetens de geenszins denkbeeldige kans aanvaard dat zijn medeverdachte met dit pistool geweld jegens de personeelsleden van de motorzaak zou gebruiken, hetgeen ook het geval bleek te zijn. Voorts heeft verdachte zich niet, hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, gedistantieerd van de gedragingen van zijn medeverdachte.

Vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leveren naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewijs op dat verdachte zich als medepleger heeft schuldig gemaakt aan alle onderdelen van het onder feit 1 ten laste gelegde feit.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een motorzaak, waarbij zij een motorfiets en twee motorfietssleutels hebben buitgemaakt. Gedurende de overval hebben zij de drie aanwezige personeelsleden van die motorzaak grote vrees aangejaagd door hen te bedreigen met geweld. Tevens heeft de medeverdachte fysiek geweld gebruikt, onder andere bestaande uit het meerdere malen slaan met een (geladen) vuurwapen tegen het hoofd van één van die personeelsleden en vervolgens het schieten met dat vuurwapen in de zeer dichte nabijheid van die drie personeelsleden. Dat geen van hen als gevolg hiervan door de kogel is geraakt mag - gelet op de kleine ruimte waarin zij zich bevonden en de richting van de schietbaan - een wonder heten.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben door hun handelwijze een ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hun is overkomen. Verdachte en zijn medeverdachte zijn, blijkens de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en hebben uitsluitend oog gehad voor hun eigen belangen.

Tevens heeft verdachte zich, zoals hiervoor reeds is overwogen, samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en daarbij behorende munitie.

Tegen onbevoegd vuurwapenbezit dient krachtig te worden opgetreden; het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan.

De bewezenverklaarde gewapende overval vormt evenwel het zwaartepunt bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf, nu dit een zeer ernstig misdrijf betreft dat behoort tot een categorie strafbare feiten die een grove inbreuk maken op de rechtsorde en waardoor de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid worden bevestigd en versterkt.

De rechtbank rekent verdachte dit feit derhalve zwaar aan.

Op feiten als de onderhavige kan niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf houdt de rechtbank enerzijds ten nadele van verdachte rekening met het feit dat verdachte - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Belgische strafregister - reeds eerder in België wegens een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld, uit welke veroordeling verdachte kennelijk geen lering heeft getrokken. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de strafoplegging die voor misdrijven als de onderhavige - ook indien gepleegd door recidivisten - gebruikelijk is, hetgeen met zich brengt dat de rechtbank een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf zal opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Tevens acht de rechtbank voor verdachte een gevangenisstraf van kortere duur dan de gevangenisstraf van zijn medeverdachte passend, aangezien zijn medeverdachte een aanzienlijker strafblad heeft.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 57, 310, 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op: 30-10-2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 01-11-2007.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Poustochkine, voorzitter,

Bockwinkel en Spros, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Maat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2008.