Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC9963

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/28082
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verblijf als pleegkind / B3.3 Vc 2000 / inherente afwijkingsbevoegdheid

Niet in geschil is dat de drie kinderen van Amerikaanse nationaliteit verblijf beogen bij hun grootmoeder van zowel Amerikaanse als Nederlandse nationaliteit (referente). Eisers hebben aanvragen ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "verblijf als pleegkind". Richtlijn 2003/86 is niet van toepassing op referente en eisers, zodat zij daaraan geen rechten kunnen ontlenen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvragen heeft kunnen toetsen aan het pleegkinderenbeleid zoals neergelegd in hoofdstuk B3/3 van de Vc. Uit hetgeen ter zitting naar voren is gekomen en uit de door eisers overgelegde stukken is gebleken is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. Verweerder kan worden nagegeven dat onvoldoende sprake is van onderbouwing met schriftelijke (bewijs)stukken van de stelling dat er voor eisers geen aanvaardbare toekomst in hun land van herkomst is weggegelegd, nu eisers op geen enkele wijze door middel van objectief verifieerbare bescheiden hebben onderbouwd dat zij niet of bezwaarlijk kunnen worden verzorgd door hun moeder of andere bloed- of aanverwanten in hun land van herkomst, zoals neergelegd in paragraaf B3/3.3.2 van de Vc. Echter, gelet op de uitvoerige levensgeschiedenis van referente, en de overgelegde stukken, is de rechtbank van oordeel dat dit tezamen en in onderling verband bezien voor verweerder aanleiding had moeten zijn om nader te motiveren waarom in dit specifieke geval voormelde toepassing van artikel 4:84 van de Awb geen plaats was. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/28082 BEPTDN (beroepszaak)

uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 15 april 2008

inzake

[eiser 1], geboren op [geboortedatum] oktober 1998,

[eiser 2], geboren op [geboortedatum] mei 2002,

[eiser 3], geboren op [geboortedatum] november 2003, allen van Amerikaanse nationaliteit,

eisers,

gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. M.M. Favier, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 14 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen zijn besluit van 17 januari 2007 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eisers van 26 juli 2005 om hen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking “verblijf als pleegkind” te verlenen afgewezen. Eisers hebben tegen het besluit van 14 juni 2007 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 22 januari 2008. Eisers zijn niet in persoon verschenen. Eisers en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Niet in geschil is dat eisers verblijf beogen bij hun grootmoeder, [grootmoeder] (hierna te noemen referente). Referente heeft zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit. Eisers hebben aanvragen ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als pleegkind”.

2.2 In geschil is of de aanvragen van eisers aan de regelgeving van het gezinsherenigingbeleid dienen te worden getoetst en onder de werkingssfeer van de Richtlijn 2003/86 van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: de richtlijn 2003/86) of dat hun aanvragen dienen te worden beschouwd als aanvragen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking: "verblijf als pleegkind".

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, het volgende overwogen. Niet is voldaan aan de voorwaarden voor het pleegkinderenbeleid. Er zijn geen aanknopingspunten voor analoge toepassing van de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Richtlijn 2003/86/EG), nu in deze richtlijn geen pleegkinderen worden genoemd. De stelling van de gemachtigde dat eisers naar Amerikaans recht geen pleegkinderen van referente worden genoemd maakt dit niet anders. Van belang is wat de richtlijn en de Nederlandse wet- en regelgeving hierover bepalen. Volgens deze wet- en regelgeving zijn eisers pleegkinderen van referente. Dat er voor eisers in de Verenigde Staten geen aanvaardbare toekomst is weggelegd, is niet afdoende aangetoond of aannemelijk gemaakt. Niet is gebleken dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in de Verenigde Staten uit te oefenen. Een beroep op artikel 8 EVRM kan dan ook niet slagen.

2.4 Eisers hebben tegen dit besluit –onder meer- het volgende aangevoerd. Naar Amerikaans recht is de voogdij aan de grootmoeder toegekend en heeft zij het gezag over de kinderen. Op grond van artikel 4, tweede lid, onder a, van de Richtlijn 2003/86/EG kunnen als gezinsleden onder meer worden aangemerkt de ten laste komende bloedverwanten van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn van de gezinshereniger, indien zij in het land van herkomst de nodige steun ontberen. De richtlijn kan in deze zaak wel worden toegepast. Verweerder geeft niet aan op grond van welke wet- en regelgeving eisers pleegkinderen zijn. Eisers vallen onder de voogdij en het gezag van hun grootmoeder en zijn derhalve geen pleegkinderen. Referente behoeft geen instemming van de ouders om de kinderen bij haar te laten verblijven. Hieruit blijkt al dat het beleid met betrekking tot pleegkinderen niet op deze zaak dient te en kan worden toegepast. Het gewone gezinsherenigingsbeleid dient te worden toegepast. Subsidiair zijn eisers van mening dat aan hen een verblijfsvergunning op grond van het pleegkinderenbeleid dient te worden verleend. Eisers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat voor hen geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in de Verenigde Staten van Amerika. Eisers hebben een document overgelegd waaruit blijkt dat het ouderlijk gezag van de moeder via een voogdijbeslissing aan referente is overgedragen. Hun moeder heeft voorts in een verklaring aangegeven niet voor de kinderen te kunnen en willen zorgen. Eisers zijn voorts van mening dat zij aan een onmogelijke bewijslast dienen te voldoen, aangezien de overige twee kinderen van referente nauwelijks contact met referente hebben. Meer subsidiair zijn eisers van mening dat gebruik dient te worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 4:84 van de Awb. Eisers bevinden zich in een stabiele omgeving en het gaat goed op school. In dit kader doen eisers een beroep artikel 3 van het IVRK. In de bestreden beslissing is voorts niet duidelijk hoe de belangen van eisers in het kader van artikel 8 EVRM zijn gewogen. Eisers doen een beroep op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 31 januari 2006 (JV 2006/90).

2.5 Bij aanvullend schrijven 11 januari 2008 hebben eisers zich nog op het standpunt gesteld dat de Richtlijn 2003/86/EG van toepassing is. De vraag is of een persoon die ook de nationaliteit van een derde land heeft geen beroep kan doen op de richtlijn. Er is aanleiding om hieromtrent prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Met betrekking tot het recht op gezinsleven wordt nog verwezen naar WBV 2007/30 en de uitspraken van het EHRM van 6 februari 2001 (44599/98) Bensaid en van 18 oktober 2006 (46410/99) Üner over het recht op privéleven.

2.6 Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien - voor zover hier van belang - internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.7 Ingevolge artikel 3.28, eerste lid, Vreemdelingenbesluit (Vb) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking verband houdend met verblijf als pleegkind worden verleend aan de minderjarige vreemdeling:

a. die als pleegkind in Nederland wil verblijven in het gezin van één of meer Nederlanders of vreemdelingen met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet; en

b. die naar het oordeel van Onze Minister in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.

2.8 In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) hoofdstuk B3/3 is het beleid neergelegd dat verweerder hanteert ten aanzien van de verlening van een verblijfsvergunning aan buitenlandse pleegkinderen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.9 Tussen partijen is onweersproken dat referente van zowel Nederlandse als Amerikaanse nationaliteit is en dat referente voor eisers kinderbijslag ontvangt.

2.10 Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder het juiste beleid heeft toegepast.

2.11 Uit de gedingstukken blijkt dat eisers op hun aanvraagformulieren van 26 juli 2005 hebben aangekruist dat het doel van hun verblijf is “verblijf bij een familie- of gezinslid”. Als specifiek doel van hun verblijf hebben eisers aangekruist dat zij pleegkinderen zijn. De rechtbank stelt vast dat verweerder de aanvragen van eisers heeft kunnen toetsen aan het beleid voor pleegkinderen, mede gelet op de wijze waarop de aanvragen zijn ingevuld.

2.12 De rechtbank zal allereerst dienen te beoordelen of richtlijn 2003/86 van toepassing is op de onderhavige situatie. Referente heeft immers de Nederlandse en de Amerikaanse nationaliteit. Bij de beoordeling van deze rechtsvraag betrekt de rechtbank de volgende bepalingen.

2.13 Ingevolge artikel 17, eerste lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), voor zover thans van belang, is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit burger van de Unie.

2.14 In de preambule van de richtlijn 2003/86 heeft de Raad van de Europese Unie (de Raad) in punt 2 onder meer overwogen dat de maatregelen op het gebied van gezinshereniging in overeenstemming moeten zijn met de verplichting om het gezin te beschermen en het gezinsleven te respecteren.

2.15 In punt 3 van de preambule van de richtlijn 2003/86 erkent de Raad de noodzaak van onderlinge afstemming van de nationale wetgevingen over de voorwaarden voor toelating en verblijf van onderdanen van derde landen. In dit verband heeft de Raad met name verklaard dat de Europese Unie moet zorgen voor een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven en dat een krachtiger integratiebeleid erop gericht moet zijn om hun rechten te verlenen en verplichtingen op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Europese Unie.

2.16 Voorts is in punt 4 van de preambule van de richtlijn 2003/86 door de Raad overwogen dat gezinshereniging een noodzakelijk middel is om een gezinsleven mogelijk te maken en bijdraagt tot de vorming van een sociaal-culturele stabiliteit die de integratie van onderdanen van derde landen in de lidstaten bevordert, hetgeen bovendien de mogelijkheid biedt de economische en sociale samenhang te versterken, hetgeen een fundamentele doelstelling van de Gemeenschap is die in het Verdrag is vastgelegd.

2.17 Ingevolge artikel 1 van de richtlijn 2003/86 is het doel van de richtlijn de voorwaarden te bepalen voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging door onderdanen van derde landen die wettig op het grondgebied van de lidstaten verblijven.

2.18 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de richtlijn 2003/86 wordt onder ‘onderdaan van een derde land’ in de richtlijn verstaan een ieder die geen burger is van de Unie in de zin van artikel 17, eerste lid, van het EG-Verdrag.

2.19 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van de richtlijn 2003/86 wordt onder ‘gezinshereniger’ verstaan een onderdaan van een derde land die wettig in een lidstaat verblijft en die een verzoek indient of wiens gezinsleden een verzoek indienen tot gezinshereniging om met hem herenigd te worden.

2.20 Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van de richtlijn 2003/86 wordt onder ‘gezinshereniging’ verstaan toegang tot en verblijf in een lidstaat van de gezinsleden van een wettig in die lidstaat verblijvende onderdaan van een derde land, teneinde de eenheid van het gezin te behouden, ongeacht of de gezinsband tot stand is gekomen vóór of na de komst van degene die in de lidstaat verblijft.

2.21 Ingevolge artikel 3, derde lid, van de richtlijn 2003/86 is de richtlijn niet van toepassing op gezinsleden van een burger van de Unie.

2.22 Uit de hierboven aangehaalde artikelen 2, aanhef en onder a, 2, aanhef en onder c, en 2 aanhef en onder d, alsmede artikel 3, derde lid, van de richtlijn 2003/86 leidt de rechtbank af dat in de richtlijn bedoeld is onderscheid te maken tussen derdelanders enerzijds en Unieburgers anderzijds. In dit oordeel acht de rechtbank zich gesterkt door het feit dat dit onderscheid ook valt af te leiden uit punt 3 van de Preambule, waarin wordt gesproken van “een krachtiger integratiebeleid dat erop gericht moet zijn om derdelanders rechten te verlenen en verplichtingen op te leggen die vergelijkbaar zijn met die van de burgers van de Europese Unie”. Uit de formulering van artikel 2, aanhef en onder a, van de richtlijn 2003/86, bezien in samenhang met punt 3 van de preambule, maakt de rechtbank bovendien op dat het hier elkaar uitsluitende categorieën van personen betreft: als een persoon het Unieburgerschap heeft (verkregen), is hij geen derdelander (meer). Verder leidt de rechtbank uit genoemd artikel 2, aanhef en onder a, bezien in onderling verband met artikel 3, derde lid, af dat de richtlijn niet van toepassing is op Unieburgers. Uit de hierboven aangehaalde delen uit de Preambule, bezien in onderling verband en in samenhang met artikel 1 van de richtlijn 2003/86, maakt de rechtbank tot slot op dat de richtlijn tot doel heeft het harmoniseren van de voorwaarden voor gezinshereniging voor de categorie derdelanders die legaal op het grondgebied verblijven. Uit onderdeel 3 van de preambule volgt dat het daarbij de bedoeling is dat deze categorie personen qua rechtspositie dichter in de buurt wordt gebracht van de andere in de richtlijn genoemde categorie van personen, de categorie Unieburgers.

2.23 Zoals de rechtbank heeft vastgesteld in overweging 2.9, heeft in dit geval de hoofdpersoon, naast de Amerikaanse nationaliteit, tevens de Nederlandse nationaliteit. Uit hoofde van artikel 17 van het EG-Verdrag is zij daarmee tevens burger van de Unie, hetgeen naar vaste jurisprudentie van het EG-Hof van Justitie de primaire kwaliteit is. Gelet op het overwogene in 2.22 brengt dit de rechtbank tot het oordeel dat de richtlijn niet van toepassing is op de hoofdpersoon en eisers, zodat zij daaraan geen rechten kunnen ontlenen. In vergelijkbare zin heeft de Afdeling geoordeeld in een aantal uitspraken, onder meer de uitspraak van 29 maart 2006 (JV 2006/172). In die uitspraak is, kort gezegd, geoordeeld dat uit voornoemd artikel 17, eerste lid, van het EG-Verdrag, juncto artikel 3, derde lid, van de richtlijn 2003/86 voortvloeit dat de richtlijn niet van toepassing is op burgers van de Unie. Dat de desbetreffende hoofdpersoon in casu ook de Marokkaanse nationaliteit heeft, doet volgens de Afdeling daaraan niet af. Hoewel ten tijde van de aanvragen van eisers de passage van de Vreemdelingencirculaire vermeldde dat de richtlijn 2003/86 op overeenkomstige wijze wordt toegepast op gezinshereniging met Nederlanders, heeft de AbRS in haar uitspraak van 23 november 2006 (JV 2007/39) overwogen dat uit dit beleid niet geconcludeerd kan worden tot toepasselijkheid van de richtlijn op gezinshereniging met Nederlanders. De rechtbank merkt tevens op dat verweerder dit in het beleid heeft verwerkt in hoofdstuk B2/1 van de Vc.

2.24 Hetgeen door eisers is aangedragen ter onderbouwing van hun standpunt dat de richtlijn 2003/86 wel op hen en referente van toepassing is, brengt de rechtbank niet tot een ander dan het hierboven vermelde oordeel. Het beroep van eisers op artikel 4, tweede lid, onder a, van de richtlijn 2003/86, behoeft derhalve geen bespreking.

2.25 De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvragen heeft kunnen toetsen aan het pleegkinderenbeleid. Het vorenstaande gevoegd bij hetgeen ter zitting en uit de door eisers/referente overgelegde stukken is gebleken wettigt de conclusie dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder kan worden nagegeven dat onvoldoende sprake is van onderbouwing met schriftelijke (bewijs)stukken van de stelling dat er voor eisers geen aanvaardbare toekomst in hun land van herkomst is weggelegd, nu eisers op geen enkele wijze door middel van objectief verifieerbare bescheiden hebben onderbouwd dat zij niet of bezwaarlijk kunnen worden verzorgd door hun moeder of andere bloed- of aanverwanten in hun land van herkomst, zoals neergelegd in paragraaf B3/.3.3.2 van de Vc. Echter, gelet op de uitvoerige levensgeschiedenis van referente, overgelegd bij de gronden van bezwaar d.d. 26 februari 2007 en de verklaringen van de kleinkinderen, gevoegd bij de door referente overgelegde Money Transfers van juli 2007 tot en met november 2007 waaruit blijkt dat referente haar drie meerderjarige kinderen (waaronder de moeder van eisers) in de VS financieel moet bijstaan omdat zij niet rond kunnen komen en ten slotte de verklaring van de eigen moeder van eisers waaruit blijkt dat zij de voogdij aan referente heeft overgedragen aangezien zij eisers niet kan opvoeden en verzorgen, is de rechtbank van oordeel dat dit tezamen en in onderling verband bezien voor verweerder aanleiding had moeten zijn om nader te motiveren waarom in dit specifieke geval voormelde toepassing van artikel 4:84 van de Awb geen plaats was.

2.26 Het vorenstaande brengt met zich dat de rechtbank niet toekomt aan de overige door eiser ingebrachte stellingen.

2.27 Het beroep is dan ook gegrond. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel als neergelegd in artikel 7:12 van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.28 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-). Aangezien ten behoeve van eisers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

2.29 Uit de gegrondverklaring volgt ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 143,- dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eisers, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht ad € 143,-.

Aldus vastgesteld door de voorzitter mr. C.M. Dijksterhuis en de leden mrs. H. Gorter en A. Woltjer en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2008.

De griffier: mr. M.M. van Luijk-Salomons

De voorzitter: mr. C.M. Dijksterhuis

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.