Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC9903

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/33462
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Associatieovereenkomst EEG-Turkije / besluit 1/80 / rechtstreekse werking / geen vaststellende werking eerder onaantastbaar geworden besluit

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80. Daarbij is van belang dat de artikelen 6 en 7 van Besluit 1/80 rechtstreekse werking hebben en dat het beroep op die bepalingen niet kan worden afgewezen met de enkele verwijzing naar het eerdere besluit van 20 oktober 1997, waarin is overwogen dat eiser volgens Burgerzaken Best op 13 januari 1997 naar het buitenland is geëmigreerd, nu dat besluit geen vaststellende werking heeft ten aanzien van eventueel rechtstreeks uit Besluit 1/80 voortvloeiende verblijfsrechten. Vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2005, gepubliceerd in JV 2005, 120, van 9 juli 2004, gepubliceerd in AB 2004, 359 en van 29 maart 2005, gepubliceerd in JV 2005, 205. Dat eiser zijn beroep op Besluit 1/80 ook naar voren had kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 17 september 1999, doet daarbij niet ter zake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 07/33462

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

geboren op [geboortedatum] 1963,

staatloos,

V-nummer: 221.000.0445,

eiser,

gemachtigde: mr. I. Vreeken, advocaat te Zutphen,

en

de Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. J.C. aan ‘t Goor, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Eiser heeft op 6 juli 2005 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken”.

Bij brief van 22 juni 2006 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag. Vervolgens heeft eiser bij brief van 8 januari 2007 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dat bezwaar. Bij besluit van 16 januari 2007 is dit bezwaar ongegrond verklaard.

Verweerder heeft bij brief van 5 juni 2007 het besluit van 16 januari 2007 ingetrokken. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift, is vervolgens door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 22 juni 2007 gegrond verklaard, met bepaling dat verweerder uiterlijk zes weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt.

Op 24 juli 2007 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie van verweerder. Vervolgens is bij besluit van 30 juli 2007 het bezwaarschrift opnieuw ongegrond verklaard.

Daartegen is op 14 augustus 2007 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van 19 maart 2008, waar eiser en zijn gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Ter zitting was een tolk aanwezig.

2. Motivering

Ter beoordeling staat of verweerder het bezwaar tegen de (fictieve) afwijzing van eisers aanvraag ongegrond heeft kunnen verklaren. Gelet op de gronden van beroep gaat het daarbij uitsluitend om de vraag of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet valt onder de werkingssfeer van de artikelen 6 en 7 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: Besluit 1/80).

In artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 is het volgende bepaald:

Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:

- na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

- na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

Ingevolge artikel 7, eerste alinea, van Besluit 1/80 hebben gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen, het recht om – onder voorbehoud – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij tenminste drie jaar aldaar legaal wonen, en vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze, wanneer zij tenminste vijf jaar aldaar legaal wonen.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen blijkt dat het gezinslid dat toestemming heeft verkregen zich bij een Turkse werknemer in een lidstaat te voegen, maar het grondgebied van de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde redenen heeft verlaten, in beginsel de rechtspositie die het op grond van artikel 7, eerste alinea, had verworven, verliest (zie de arresten van 16 maart 2000, zaaknummer: C329-97 (Ergat) en van 18 juli 2007, zaaknummer C-325-05 (Derin), JV 2007, 438).

Niet in geschil is dat eiser zijn Turkse nationaliteit is ontnomen ingevolge het besluit van de Turkse ministerraad van 17 maart 2004 (nr. 2004/7039) in verband met het niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen inzake de dienstplicht, en dat eiser thans staatloos is.

De rechtbank stelt vervolgens het volgende vast. Aan eiser, die toen nog de Turkse nationaliteit had, is bij besluit van 10 september 1985 een vestigingsvergunning verleend, welke bij besluit van 20 oktober 1997 is ingetrokken. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 juni 1999 niet-ontvankelijk verklaard en het daartegen ingediende beroep is bij onherroepelijk geworden uitspraak van de president van deze rechtbank, zittinghoudende te ‘s-Hertogenbosch, van 17 september 1999 ongegrond verklaard.

Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de conclusie gerechtvaardigd is dat eiser het Nederlands grondgebied voor langere tijd heeft verlaten, zodat hij de rechten die hij eventueel voor 20 oktober 1997 heeft opgebouwd in het kader van Besluit 1/80 heeft verloren. Daartoe wordt door verweerder verwezen naar voormeld besluit van 20 oktober 1997, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden en waarin is overwogen dat eiser volgens Burgerzaken Best op 13 januari 1997 naar het buitenland is geëmigreerd. De door eiser, ten bewijze van zijn stelling dat hij Nederland - afgezien van korte vakanties - niet heeft verlaten, overgelegde stukken (waaronder jaaropgaven, salarisspecificaties, arbeidsovereenkomsten, ziekenfondspolissen en documenten van het GUO, GAK en UWV) worden door verweerder buiten beschouwing gelaten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aldus onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80. Daarbij is van belang dat de artikelen 6 en 7 van Besluit 1/80 rechtstreekse werking hebben en dat het beroep op die bepalingen niet kan worden afgewezen met de enkele verwijzing naar het besluit van 20 oktober 1997, nu dat besluit geen vaststellende werking heeft ten aanzien van eventueel rechtstreeks uit Besluit 1/80 voortvloeiende verblijfsrechten. Vergelijk ook de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 januari 2005, gepubliceerd in JV 2005, 120, van 9 juli 2004, gepubliceerd in AB 2004, 359 en van 29 maart 2005, gepubliceerd in JV 2005, 205. Dat eiser zijn beroep op Besluit 1/80 ook naar voren had kunnen brengen in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 17 september 1999, doet daarbij niet ter zake.

Het beroep van eiser is gelet op het voorgaande gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd, omdat het is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Er bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,--). Uit de gegrondverklaring van het beroep volgt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 143,-- dient te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer;

- verstaat dat de Staat der Nederlanden aan eiser het betaalde griffierecht van € 143,-- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.H.T. Rademaker en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2008 in tegenwoordigheid van drs. P.F. Lammers als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC Den Haag.

Afschrift verzonden op: