Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC9442

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/31945
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Regulier / voortgezet verblijf / artikel 8 EVRM / gerechtvaardigde inmenging

Eiser heeft op 2 oktober 2001 een asielaanvraag ingediend. Eiser is in het bezit gesteld van een amv-vergunning, laatstelijk verlengd tot 2 april 2004. Eiser heeft aanvraag om wijziging en verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking "toegelaten als alleenstaande minderjarige vreemdeling" in de beperking "voortgezet verblijf" ingediend. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil de vraag of het bepaalde in artikel 8 van het EVRM tot vergunningverlening noopt. Niet in geschil is dat er sprake is van family life tussen eiser en zijn vriendin. De rechtbank stelt vast dat eiser erkent dat door de afwijzing van eisers aanvraag om verlenging en wijziging van de beperking er sprake is van inmenging in de uitoefening van dit recht op family life. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de juiste toets aangelegd door uit te gaan van inmenging en in het kader van de belangenafweging uit te gaan van de amv-vergunning die geldig was tot 2 oktober 2004. In zoverre kan de rechtbank een zekere parallel onderkennen met het arrest van het EHRM in de zaak Useinov, die ook zag op een asielaanvraag, in dier voege dat ook eiser vanaf het moment dat hij in het bezit werd gesteld van een amv-vergunning wist dat deze vergunning tijdelijk was. In dat verband overweegt de rechtbank dat eisers verwijt aan verweerder dat verweerder heeft getoetst of er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen nu dat slechts ziet op eerste toelating niet wordt gevolgd nu dit element onderdeel uitmaakt van de belangenafweging. In dat verband maakt het EHRM geen wezenlijk verschil tussen negatieve en positieve verplichting. Er is geen sprake van excessive formalism. Beroep ongegrond,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07/31945 BEPTDN (beroepszaak)

uitspraak van de meervoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 1 april 2008

inzake

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1986, van Angolese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. W. Boelens, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 23 juli 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 21 juni 2005 (wederom) ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser van 25 augustus 2004, ontvangen door verweerder op 7 oktober 2004, om wijziging en verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘alleenstaande minderjarige vreemdeling’ in de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit van 23 juli 2007 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 19 februari 2008, waar eiser in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 In geschil is of verweerder heeft mogen beslissen dat eiser niet in aanmerking komt voor wijziging en verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘alleenstaande minderjarige vreemdeling’ in de beperking ‘voortgezet verblijf’.

2.2 Uit de gedingstukken blijkt als volgt.

2.3 Eiser heeft op 2 oktober 2001 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij beslissing van 3 oktober 2002 is deze aanvraag afgewezen en is eiser ambtshalve in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “toegelaten als alleenstaande minderjarige vreemdeling”, met ingang van 2 oktober 2001, geldig tot 2 oktober 2002, onder gelijktijdige verlenging van de geldigheidsduur tot 2 oktober 2003 en laatstelijk verlengd tot 2 oktober 2004.

2.4 Tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is beroep ingesteld, welk beroep bij uitspraak van 17 december 2004 ongegrond is verklaard. Bij uitspraak van 11 februari 2005 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) deze uitspraak bevestigd.

2.5 Op 7 oktober 2004 heeft verweerder onderhavige aanvraag ontvangen, welke aanvraag bij beslissing van 21 juni 2005 is afgewezen. Op 24 juni 2006 heeft eiser bezwaar ingesteld tegen laatstgenoemde beslissing. Bij beslissing van 22 augustus 2006 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard, tegen welke beslissing eiser beroep (AWB 06/42894) heeft ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening (AWB 06/42897) te treffen heeft ingediend.

2.6 De rechtbank stelt vast dat bij uitspraak van 7 juni 2007 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht (AWB 06/42894), het beroep van eiser tegen de beslissing van 22 augustus 2006 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en verweerder is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen is afgewezen (AWB 06/42897). In deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser niet heeft betwist dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingevolge artikel 3.51 van het Vreemdelingenbesluit (Vb), nu hij niet drie jaar heeft voldaan aan de voorwaarden voor deze verblijfsvergunning. Ten aanzien van de vraag of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingevolge artikel 3.52 van het Vb is in deze uitspraak geoordeeld dat verweerder ten aanzien van de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden, (…), in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat dit geen dusdanig bijzondere omstandigheden zijn dat niet van eiser gevergd kan worden dat hij terugkeert naar Angola. Ten slotte heeft de rechtbank ten aanzien van een mogelijke schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) overwogen dat uit een recente uitspraak van de AbRS van 30 oktober 2006, gepubliceerd in JV 2006, 455 kan worden afgeleid dat bij de vraag of sprake is van inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM niet het doel waarvoor de verblijfstitel is verleend doorslaggevend is, maar de omstandigheid dát de vreemdeling - voorafgaand aan het bestreden besluit - over een verblijfstitel beschikte waardoor hij feitelijk in staat was gezinsleven uit te oefenen. Nu verweerder het vorenstaande niet als uitgangspunt bij de toetsing aan artikel 8 van het EVRM heeft genomen heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit in strijd is met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu verweerder dit besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

2.7 De rechtbank stelt derhalve vast dat tussen partijen uitsluitend nog in geschil is de vraag of het bepaalde in artikel 8 van het EVRM tot vergunningverlening noopt.

2.8 Aan de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, ligt ten grondslag dat, nu de verblijfsvergunning van eiser niet wordt verlengd, er sprake is van inmenging in het recht van familie- of gezinsleven van eiser en zijn partner Barbara van Berkel. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat deze inmenging gerechtvaardigd is. Het belang van de Nederlandse Staat bij het uitoefenen van een restrictief toelatingsbeleid dient zwaarder te wegen dan het belang van eiser om gezinsleven te hebben met zijn Nederlandse partner. Eiser was door zijn verblijfsvergunning met als doel “toegelaten als alleenstaande minderjarige vreemdeling” weliswaar feitelijk in staat in Nederland een relatie aan te gaan, maar bepalend is dat de verblijfsvergunning onder een beperking, niet zijnde het uitoefenen van dit gezinsleven, is verleend en dat deze vergunning een tijdelijk karakter heeft. Niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

2.9 Eiser heeft tegen dit besluit aangevoerd dat verweerder de toets zoals neergelegd in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, niet naar behoren heeft uitgevoerd. Het voeren van een restrictief toelatingsbeleid is geen zwaarwegend maatschappelijk belang als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, nu eiser door verweerder in het verleden al is toegelaten. Dat deze toelating een tijdelijk karakter had en niet tot doel had om de uitoefening van het gezinsleven mogelijk te maken is niet relevant. Verweerder heeft op geen enkele wijze aannemelijk weten te maken dat de weigering van voortgezet verblijf aan eiser noodzakelijk zou zijn in het belang van het economisch welzijn. Eiser en zijn partner doen geen beroep op de publieke middelen. Het economisch welzijn tussen eiser en zijn partner is bij het voortzetten van het gezinsleven in Nederland juist gebaat, gelet op de bijdragen die beiden leveren c.q. na statusverlening kunnen gaan leveren. Niet is te volgen waarom verweerder geen objectieve althans zwaarwegende belemmeringen aanwezig acht om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Bij brief van 4 augustus 2007 heeft de partner van eiser een toelichting gegeven. Bij brief van 8 oktober 2007 heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder zich schuldig maakt aan “excessive formalism” in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Rodrigues da Silva en Hoogkamer. In dit verband verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 20 augustus 2007. Bij brief van 26 oktober 2007 doet eiser een beroep op de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer van 15 oktober 2007.

2.10 Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien –voor zover hier van belang– internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.11 In artikel 8, eerste lid, EVRM is, voor zover hier van belang, bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("family life"). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voorzover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.12 De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de weigering om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.

2.13 Niet in geschil is dat er sprake is van family life tussen eiser en zijn vriendin. De rechtbank stelt vast dat verweerder erkent dat door de afwijzing van eisers aanvraag om verlenging en wijziging van de beperking in “voortgezet verblijf” er sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht op family life.

2.14 Vervolgens dient te worden beoordeeld of deze inmenging gerechtvaardigd is op grond van artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Hiertoe dient een redelijke afweging tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap in zijn geheel plaats te vinden.

2.15 Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de juiste toets aangelegd door uit te gaan van inmenging en in het kader van de belangenafweging uit te gaan van de amv-vergunning die geldig was tot 2 oktober 2004. In zoverre kan de rechtbank ook een zekere parallel onderkennen met het arrest van het EHRM van 11 april 2006 in de zaak Useinov (EHRC 2006/93), die ook zag op een asielaanvraag, in dier voege dat ook eiser vanaf het moment dat hij in het bezit werd gesteld van een amv-vergunning wist dat deze vergunning “tijdelijk van aard was”. In dat verband overweegt de rechtbank dat eisers verwijt aan verweerder dat verweerder heeft getoetst of er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen nu dat slechts ziet op eerste toelating niet wordt gevolgd nu dit element onderdeel uitmaakt van de belangafweging. In dat verband maakt het EHRM geen wezenlijk verschil tussen negatieve en positieve verplichting.

2.16 Anders dan eiser stelt is niet komen vast te staan dat eiser aan de voorwaarden voor gezinsvorming voldoet, zodat zijn stelling dat sprake is van “excessive formalism” niet door de rechtbank wordt gevolgd.

2.17 Ten aanzien van de door eiser in beroep overgelegde brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede kamer van 15 oktober 2007, waaruit zou blijken dat inmenging op grond van het economisch welzijn gelet op artikel 8 van het EVRM niet te rechtvaardigen zou zijn, overweegt de rechtbank als volgt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze brief ziet op verlengingsaanvragen bij gezinshereniging. Eiser heeft een aanvraag om verlenging en wijziging van de beperking in voortgezet verblijf ingediend na in het bezit te zijn geweest van een amv-vergunning. Deze brief leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

2.18 Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen besluiten dat eiser ingevolge genoemde regelgeving niet in aanmerking komt voor wijziging en verlenging van de gevraagde verblijfsvergunning.

2.19 Aangezien ook overigens geen aanleiding bestaat om te oordelen dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, wordt het beroep ongegrond verklaard.

2.20 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter, voorzitter en mrs. M.P. Glerum en A. Woltjer, leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2008.

De griffier: mr. M.M. van Luijk-Salomons

De voorzitter: mr. H. Gorter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.