Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC9095

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/24358
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / nova / vrouwenbesnijdenis / Tsjaad / 3 EVRM / motiveringsgebrek

Eiseres heeft aan haar derde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat haar dochter, geboren op 1 maart 2005, bij uitzetting naar Tsjaad zal worden besneden en derhalve zal worden blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Niet in geschil is dat eiseres en haar dochter behoren tot de bevolkingsgroep der Hadjaraï. FGM valt als zodanig onder een risico als bedoeld in artikel 3 EVRM, welk risico naar zijn aard verfijning behoeft. De rechtabnk stelt vast in casu nog veel onduidelijkheid bestaat over FGM in Tsjaad. Gelet op de ernst en de aard van het te schenden recht kon verweerder niet volstaan met de enkele overweging dat de in beroep overgelegde verklaring van de voorzitter van de Tsjadische Liga voor de Rechten van de Mens is gebaseerd op informatie uit "onafhankelijke bronnen" zonder enig te verschaffen in welke bronnen dat zijn en op grond waarvan die bronnen als onafhankelijk te beschouwen zijn. Er is geen algemeen ambtsbericht van Tsjaad beschikbaar. Gelet op de uitspraak van het Europese Hof in de zaak Salah Sheekh dient meer waarde te worden gehecht aan de rapportage van U.S. Department of State van 8 maart 2006, dat rept van een percentage van 93 van de Hadjaraï vrouwen die zijn besneden. Verweerder had, gelet op het vorenstaande, in casu, bij zoveel ongewisheid of feitelijk sprake is van een 3 EVRM-risico, de door eiseres overgelegde verklaringen dienen te onderzoeken, althans niet kunnen volstaan met de overweging dat de verklaring van de Tsjadische Liga niet afkomstig is uit een objectieve bron. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/24358 BEPTDN

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken d.d. 1 april 2008

inzake

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1976, en haar minderjarige kinderen [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2000, [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2002, [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2005, [kind 4], geboren op [geboortedatum] 2006, allen van Tsjadische nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 5 juni 2007 heeft verweerder de derde aanvraag van eiseres van 10 augustus 2006 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 19 februari 2007, waar eiseres in persoon is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 In geschil is of eiseres en haar dochter [kind 3] in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en of de drie minderjarige zonen van eiseres in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, Vw.

2.2 Eiseres heeft aan de aanvraag voor deze vergunning ten grondslag gelegd dat haar dochter [kind 3], geboren op [geboortedatum] 2005, bij uitzetting naar Tsjaad zal worden besneden en derhalve zal worden blootgesteld aan een onmenselijke behandeling, verboden bij artikel 3 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, overwogen dat eiseresses asielrelaas ongeloofwaardig is. De beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas is als zodanig niet ten grondslag gelegd aan het oordeel over artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. In het schrijven van de Tsjadische Liga van 11 mei 2007 wordt niet gemotiveerd aangegeven waarom de achtergrond van de ouders van eiseres tot de conclusie leidt dat eiseres nergens in Tsjaad een plek kan vinden om met haar dochter te schuilen, noch geeft de verklaring concrete en recente informatie omtrent de vraag of de ouders van eiseres überhaupt interesse hebben in het besnijden van hun kleindochter. De informatie is nog immer van algemene aard en van gelijke strekking als hetgeen eerder is ingebracht. Inzake artikel 7, tweede lid, van de Definitierichtlijn is verweerder van oordeel dat in het voornemen is ingegaan op de bescherming van eiseres door de staat of partijen of organisaties en is geconcludeerd dat er beschermingsmogelijkheden voor eiseres in Tsjaad zijn.

2.4 Eiseres heeft tegen dit besluit aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiseres en haar dochter zijn Hadjaraï-vrouwen uit Tsjaad. Verweerder miskent dat besnijdenis een zaak is van traditie, etnische afkomst en religie. Juist de Hadjaraï houden hier zeer sterk aan vast. In ieder geval kan het besluit de rechtmatigheidstoets niet doorstaan, nu het voornemen niet alle gronden voor afwijzing van haar derde asielaanvraag bevat. In het voornemen is verweerder niet kenbaar op artikel 7, tweede lid, van de Definitierichtlijn ingegaan. Het besluit is evenmin voorzien van een deugdelijke motivering ten aanzien van hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht over de afwezigheid van een algemeen ambtsbericht over Tsjaad en het bestaan van de landendesk van de Gemeenschappelijke Kennisgroep alsmede haar beroep op het landgebonden asielbeleid voor Soedan wegens het consistentie- en gelijkheidsbeginsel van de situatie van FGM in Tsjaad. Verweerder kan zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, nu verweerder niet conform WBV 2005/55 heeft besloten. Eiseresses relaas is in hoofdlijnen innerlijk consistent en de verklaringen van eiseres komen overeen met hetgeen bekend is over de praktijk van FGM in Tsjaad. Eiseres is in staat haar relaas met bewijsmateriaal te staven althans heeft zij verklaringen uit objectief verifieerbare bronnen (verklaringen van de ACDIDH van 21 augustus 2006, 25 augustus 2006 en van 8 februari 2007 en een verklaring van de Tsjadische Liga van 11 mei 2007) overgelegd, waardoor haar relaas niet aan realiteitsgehalte ontbreekt. Verweerder heeft het standpunt na intrekking van de beschikking in de AC-procedure inhoudelijk gewijzigd van onvoldoende zwaarwegend in ongeloofwaardig, hetgeen verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd. Indien verweerder aan de juistheid van de inhoud van de verklaring twijfelt dan wel het een en ander wil checken, ligt het mede gelet op artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de samenwerkingsverplichting van artikel 4 van de Definitierichtlijn op verweerders weg om hierover nadere inlichtingen in te winnen. Bij brief van 24 september 2007 heeft eiseres een verklaring van de voorzitter van de Tsjadische Liga voor de Rechten van de Mens d.d. 30 augustus 2007 overgelegd. Volgens deze verklaring zal [kind 3] bij uitzetting naar Tsjaad het reële risico lopen om te worden besneden. Het besluit bevat ten aanzien van het reëel risico dat [kind 3] loopt op FGM bij terugkeer naar Tsjaad in ieder geval een motiveringsgebrek.

2.5 Ten aanzien van het te hanteren toetsingskader overweegt de rechtbank het volgende.

2.6 Bij de beoordeling van de onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van de volgende feiten. Op 11 december 2001 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 28 augustus 2002 afgewezen. Bij uitspraak van 21 november 2002 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Assen, onder toepassing van artikel 8:54 van de Awb het beroep hiertegen niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet voldoen aan het bepaalde in artikel 6:5 van de Awb en het niet herstellen van het verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn. Bij uitspraak van 17 maart 2003 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Assen, het verzet ongegrond verklaard.

2.7 Op 18 augustus 2003 heeft eiseres wederom een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 18 augustus 2004 afgewezen. Bij uitspraak van 27 september 2005 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem (AWB 04/38771), is het beroep gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag gegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 maart 2006 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 27 september 2005 in de zaak AWB 04/38771 vernietigd en het bij de rechtbank in zaak AWB 04/38771 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.8 Op 10 augustus 2006 heeft eiser voor de derde keer een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2.9 Ingevolge het bepaalde in artikel 4:6 Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

2.10 Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 4:6 Awb dient een belanghebbende die buiten het geval van bezwaar en beroep wenst dat een bestuursorgaan terugkomt van een onherroepelijke beslissing en daarvoor een nieuwe aanvraag indient, nieuwe feiten en omstandigheden aan te dragen die (a) bij de behandeling van de eerste aanvraag geen rol hebben kunnen spelen, en (b) van zodanig aard zijn dat zij tot een andere beslissing aanleiding kunnen geven.

2.11 Het bestuursorgaan is alsdan verplicht de betekenis daarvan te onderzoeken en zo het de (herhaalde) aanvraag niet kan inwilligen, te motiveren waarom de aangevoerde nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden niet tot een andere uitkomst kunnen leiden.

2.12 Bij de beoordeling van de onderhavige herhaalde aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw beperkt de rechtbank zich tot de vraag of eiser zich beroept op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb.

2.13 Daaronder moeten onder andere worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve, gelet op artikel 31, eerste lid van de Vw, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust (onder andere AbRS, 19 mei 2004, JV 2004/313).

2.14 Voor de rechterlijke toetsing maakt het geen verschil dat het bestuursorgaan in de motivering van zijn beslissing buiten het (beperkte) toetsingskader van de nova is getreden (AbRS 4 april 2003, JB 2003/139 en JV 2003/219). Gezien deze jurisprudentie moet artikel 4:6 van de Awb door de rechtbank ambtshalve getoetst worden.

2.15 De rechtbank zal gelet op voormeld toetsingkader allereerst beoordelen of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin.

2.16 Eiseres heeft bij haar herhaalde asielaanvraag en in de onderhavige procedure de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:

- de geboorte van haar dochter op [geboortedatum] 2005

- verklaringen van de ACDIDH van 21 augustus 2006, 25 augustus 2006 en van 8 februari 2007

- verklaringen van de Tsjadische Liga voor de Rechten van de Mens van 11 mei 2007 en van 30 augustus 2007

- rapport van de U.S. Department of State over Tsjaad van 8 maart 2006

- diverse rapporten over de FGM in Tsjaad

2.17 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

2.18 Ingevolge artikel 13, aanhef en onder a en c, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2.19 Ingevolge artikel 29 Vw kan een verblijfsvergunning asiel, voor zover hier van belang, worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.20 Niet in geschil is dat eiseres en haar dochter behoren tot de bevolkingsgroep der Hadjaraï. Evenmin is in geschil dat eiseres is besneden.

2.21 In de rapportage van U.S. Department of State over Tsjaad van 8 maart 2006 is onder het kopje “Women” de volgende passage opgenomen: “The law prohibits violence against women, including the practice of female genital mutilation (FGM); however, FGM was widespread and deeply rooted in tradition. According to a 2004 government report by the National Institute of Statistics, Economic en Demographic Studies, 45 percent of local women had undergone excision. The rates of FGM by ethnic groups included: Arabs (95 percent), Hadjarai (93 percent) and Oauddai (90 percent).(…) Under the law, FGM can be persecuted as a form of assault, and charges can be brought against the parents of FGM victims, medical practitioners, or others involved in the action; however, few suits were brought during the year.”

2.22 Bescherming op grond van artikel 3 van het EVRM dient te geschieden aan de hand van een full scrutiny. FGM valt als zodanig onder een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Naar zijn aard behoeft dat risico verfijning. De rechtbank stelt vast dat in casu nog veel onduidelijkheid bestaat over FGM in Tsjaad. Eiseres heeft door stukken te overleggen een begin van bewijs geleverd dat sprake is van een dergelijk risico. Gelet op de ernst en aard van het te schenden recht kon verweerder niet volstaan met de enkele overweging dat de in beroep overgelegde verklaring van de voorzitter van de Tsjadische Liga voor de Rechten van de Mens is gebaseerd op informatie uit “onafhankelijke bronnen” zonder enig inzicht te verschaffen in welke bronnen dat zijn en op grond waarvan die bronnen als onafhankelijk te beschouwen zijn. In dat verband klemt te meer dat er geen algemeen ambtsbericht van Tsjaad beschikbaar is, hetgeen voor risico en rekening van verweerder dient te blijven. Gelet op de uitspraak van 11 januari 2007 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salah Sheekh dient meer waarde te worden gehecht aan de rapportage van U.S. Department of State dat rept van een percentage van 93 van de Hadjaraï vrouwen die zijn besneden. Verweerder had, gelet op het vorenstaande, in casu, bij zoveel ongewisheid of er feitelijk sprake is van een risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, de door eiseres overgelegde verklaringen dienen te onderzoeken, althans niet kunnen volstaan met de overweging dat de verklaring van de Tsjadische Liga niet afkomstig is uit een objectieve bron.

2.23 Het beroep is dan ook gegrond. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel als neergelegd in artikel 3:46 van de Awb. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.24 De overige gronden behoeven derhalve geen bespreking.

2.25 In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,-). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen.

Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter, voorzitter en mrs. M.P. Glerum en A. Woltjer, leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2008

De griffier: mr. M.M, van Luijk-Salomons

De voorzitter: mr. H. Gorter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.