Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8980

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
AWB 08/8706
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 / Dublinclaim

Uit het dossier blijkt dat in het kader van de overdracht aan een andere Dublin-lidstaat, zijnde Griekenland, door de IND, Unit Dublin te Zevenaar, een verzoek is ingediend om eiser in bewaring te stellen en over te brengen naar een uitzetcentrum. Op 15 maart 2008 is het overdrachtsdossier van de medewerker unit Dublin gestuurd aan de Dienst Terugkeer&Vertrek. Daarbij is verzocht ten behoeve van eiser zorg te dragen voor een overdracht en een Laissez Passer voor een overdracht naar Griekenland op 26 maart 2008. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gezien de Dublinclaim op Griekenland, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op het moment dat de maatregel werd opgelegd, de voor de terugkeer van eiser noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zouden zijn. Op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 vordert de openbare orde in dat geval de inbewaringstelling. Aan beantwoording van de vraag of op het moment van de inbewaringstelling de termijn van overdracht reeds was verstreken, komt de rechtbank in de onderhavige procedure, waar uitsluitend de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel aan de orde is, niet toe. Deze vraag betreft immers de rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting op grond van de Dublin Verordening. Indien eiser de rechtmatigheid daarvan betwist, kan deze worden getoetst in het kader van een (herhaalde) asielaanvraag dan wel in het kader van een beroep tegen de feitelijke uitzetting. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 08/8706

Uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd, althans zich noemende:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1986,

van Iraakse nationaliteit,

alias [alias],

geboren op [geboortedatum] 1974,

van Egyptische nationaliteit,

V-nummer: 271.418.7068,

eiser,

gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders, advocaat te Groningen.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. De Staatssecretaris van Justitie, hierna verweerder, heeft op 10 maart 2008 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000.

1.2. Eiser heeft hiertegen op 11 maart 2008 beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser doorgestuurd en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken.

1.4. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 25 maart 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen mr. M.I. Hekker. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Het onderzoek is vervolgens door de rechtbank heropend en voortgezet ter openbare zitting van de rechtbank van 31 maart 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. I Haanstra, advocaat en waarnemer voor zijn gemachtigde. Voor verweerder is als gemachtigde verschenen mr. C.H.H.P.M. Kelderman. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. In deze procedure dient te worden beoordeeld of de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in overeenstemming zijn met de wet en of de maatregel in redelijkheid bij afweging van alle daarbij betrokken belangen gerechtvaardigd is.

2.2. Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat de termijn van overdracht op grond van de Dublin Verordening op het moment van het opleggen van de maatregel reeds was verstreken. Eiser heeft in dit verband gewezen op de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 11 januari 2008 (AWB 07/217265).

2.3. Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

2.4. Uit het dossier blijkt dat in het kader van de overdracht aan een andere Dublin-lidstaat, zijnde Griekenland, door de Immigratie- en naturalisatiedienst, Unit Dublin te Zevenaar, een verzoek is ingediend om eiser in bewaring te stellen en over te brengen naar een uitzetcentrum. Op 15 maart 2008 is het overdrachtsdossier van de medewerker unit Dublin gestuurd aan de Dienst Terugkeer&Vertrek. Daarbij is verzocht ten behoeve van eiser zorg te dragen voor een overdracht en een Laissez Passer voor een overdracht naar Griekenland op 26 maart 2008.

2.5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gezien de Dublinclaim op Griekenland, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op het moment dat de maatregel werd opgelegd, de voor de terugkeer van eiser noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zouden zijn. Op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 vordert de openbare orde in dat geval de inbewaringstelling. Aan beantwoording van de vraag of op het moment van de inbewaringstelling de termijn van overdracht reeds was verstreken, komt de rechtbank in de onderhavige procedure, waar uitsluitend de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel aan de orde is, niet toe. Deze vraag betreft immers de rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting op grond van de Dublin Verordening. Indien eiser de rechtmatigheid daarvan betwist, kan deze worden getoetst in het kader van een (herhaalde) asielaanvraag dan wel in het kader van een beroep tegen de feitelijke uitzetting.

2.6. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond en bestaat geen aanleiding om schadevergoeding toe te kennen.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van P. Karsowidjojo als griffier op 1 april 2008.

w.g. P. Karsowidjojo

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage) onder vermelding van ‘Hoger beroep vreemdelingenzaken’. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: