Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8948

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
09-04-2008
Zaaknummer
AWB 08/6646
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / zicht op uitzetting / China / ernstige schending inlichtingenplicht door verweerder

De rechtbank stelt vast dat verweerder haar op 12 november 2007 en nadien stelselmatig onjuist heeft voorgelicht omtrent de in 2007 afgegeven laissez-passers door de Chinese autoriteiten aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Die informatie is destijds voor de rechtbank onder meer redengevend geweest voor het oordeel dat reëel perspectief op uitzetting niet ontbrak.

Gelet op de inhoud en het belang van de betreffende verstrekte informatie, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inlichtingenplicht als bedoeld in de artikelen 8:28 en 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in ernstige mate heeft geschonden. Hieruit kan de rechtbank ingevolge artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. Gelet op de aard van de schending en de daarbij betrokken belangen en daargelaten de vraag of er desalniettemin sprake is van zicht op uitzetting, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een dermate ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daarop niet anders kan worden gereageerd dan met een gegrond verklaring van het beroep en opheffing van de maatregel.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:28
Algemene wet bestuursrecht 8:31
Algemene wet bestuursrecht 8:45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/215

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr: AWB 08/6646

V-nummer: 170.026.4378

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. K.E.V.M. van der Velde.

I Procesverloop

1 Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1977 en de Chinese nationaliteit te bezitten. Op 25 november 2007 heeft verweerder eiser in bewaring gesteld.

2 Bij uitspraak van 20 december 2007 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep inzake de opheffing van de maatregel van bewaring ongegrond verklaard.

3 Laatstelijk bij uitspraak van 18 februari 2008 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, het beroep, ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, ongegrond verklaard.

4 Op 25 februari 2008 heeft eiser wederom beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

5 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 6 maart 2008. Eiser is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

6 Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst. Verweerder is de gelegenheid geboden te reageren op de door eisers gemachtigde in zijn faxbericht van 27 februari 2008 geformuleerde vragen.

7 De rechtbank heeft de behandeling van de zaak met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, doorverwezen naar de meervoudige kamer. Op 27 maart 2008 is het onderzoek ter zitting hervat. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.C.M. van der Veen. Tevens was aanwezig W. Li, tolk Mandarijn.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), staat ter beoordeling of voortzetting van de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.1 Verweerder heeft de rechtbank op 26 februari 2008 schriftelijke inlichtingen (hierna: voortgangsrapportage) verstrekt over zijn handelen strekkend tot uitzetting van eiser. Ter zitting van 6 maart 2008 heeft verweerder aangevoerd dat voldoende voortvarend wordt gehandeld. Op 13 december 2007 is de laissez-passeraanvraag schriftelijk ingediend bij de autoriteiten van China die de aanvraag in onderzoek hebben genomen. Laatstelijk op 1 februari 2008 is dienaangaande gerappelleerd en op 7 maart 2008 wordt door verweerder opnieuw gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten. Voorts is op 13 februari 2008 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Verweerder stelt dat voldoende zicht op uitzetting bestaat. In 2007 zijn 16 laissez-passers verstrekt door de Chinese autoriteiten, waarvan twee aan ongedocumenteerde vreemdelingen.

2.2 Op 12 maart 2008 heeft verweerder de door de gemachtigde van eiser in zijn reactie van 27 februari 2008 op de voortgangsrapportage gevraagde inlichtingen verstrekt met betrekking tot de twee laissez-passers die in 2007 door de Chinese autoriteiten zouden zijn afgegeven aan ongedocumenteerde vreemdelingen.

De eerste laissez-passeraanvraag betreft een vreemdeling die op 8 september 2004 in persoon is gepresenteerd aan de Taskforce China III. Op 30 september 2004 is de laissez-passeraanvraag ingediend bij de Chinese ambassade en op 25 oktober 2004 is een laissez-passer afgegeven. De vreemdeling is echter niet uitgezet, vanwege niet-verwijderbaarheid. Vervolgens is op 9 maart 2006 opnieuw een laissez-passer afgegeven ten behoeve van deze vreemdeling.

De tweede laissez-passeraanvraag is op 1 februari 2007 in persoon afgegeven bij de Chinese ambassade. In de aanvraag is onder meer opgenomen de naam, geboortedatum, provincie, district, gemeente, straat en nummer van de vreemdeling, de naam, geboortedatum en adres van de vader, de naam en geboortedatum van de moeder en de datum van uitgifte van het paspoort van de vreemdeling. Op 12 februari 2007 is door de Chinese ambassade een paspoort aan de betreffende vreemdeling verstrekt.

2.3 Ter zitting van 27 maart 2008 heeft verweerder aangevoerd dat de rechtbank in het verleden juist is geïnformeerd omtrent de afgegeven laissez-passers in 2007, maar dat thans een vollediger beeld wordt geschetst. De vreemdeling aan wie de eerste laissez-passer is verstrekt, is niet in persoon gepresenteerd bij de Chinese ambassade, maar is op 8 september 2004 bezocht door afgevaardigden van het Chinese Ministerie van Openbare Veiligheid. De laissez-passer is op 9 maart 2006 verstrekt, maar door conversie van het computersysteem is deze laissez-passer abusievelijk gerubriceerd onder 2007. Dit is niet eerder dan in onderhavige zaak onder de aandacht van verweerder gekomen. Bij de tweede laissez-passeraanvraag is de vreemdeling schriftelijk gepresenteerd. Deze laissez-passeraanvraag is in persoon afgegeven bij de Chinese ambassade, waarbij geen aanvullende toelichting is gegegeven. Het is verweerder niet bekend of deze vreemdeling een verlopen paspoort had, dan wel een kopie daarvan. De in de laissez-passeraanvraag vermelde datum van uitgifte van het paspoort kan ook door de vreemdeling zelf zijn verstrekt. Aan deze vreemdeling is geen laissez-passer verstrekt, maar een paspoort. Verweerder verzoekt de autoriteiten slechts om een vervangend reisdocument. Het is aan de betreffende autoriteiten welk soort reisdocument wordt verstrekt. Verweerder betreurt dat thans is gebleken dat onvolledige informatie is verstrekt. In ieder geval is in 2007 aan één ongedocumenteerde vreemdeling een reisdocument verstrekt. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 april 2007 (LJN: BA3690) is er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Verweerder merkt op dat ieder geval uniek is en dat in onderhavige zaak van belang is dat eiser stelt niet in het bezit te kunnen komen van identiteitsdocumenten, terwijl hiervan geen enkel bewijs wordt geleverd. Zoals blijkt uit de vertrekgesprekken verleent eiser geen enkele medewerking aan het onderzoek ter fine van uitzetting. Indien een vreemdeling alleen zijn naam vermeldt in de laissez-passeraanvraag is het door de Chinese autoriteiten te verrichten onderzoek zeer moeilijk. Dit maakt echter niet dat de door eiser gestelde kans van 0,4 procent op afgifte van een laissez-passer bij ongedocumenteerde vreemdelingen ook geldt bij vreemdelingen die hun volledige en actieve medewerking verlenen. Op 28 maart 2008 zal een vertrekgesprek met eiser worden gevoerd waarin expliciet zal worden gevraagd naar nog niet eerder door eiser verstrekte gegevens. Verweerder stelt dat voldoende voortvarend wordt gehandeld.

3.1 De gemachtigde van eiser heeft in de schriftelijke reactie van 27 februari 2008 en ter zitting van 6 maart 2008 aangevoerd dat geen zicht op uitzetting bestaat. Eiser is op zeer jeugdige leeftijd vertrokken uit China en heeft nooit een Chinees identiteitsdocument gehad. Het is derhalve onmogelijk voor eiser om een vervangend reisdocument te verkrijgen. Telkens wordt door verweerder gewezen op het feit dat in 2007 twee laissez-passers door de Chinese autoriteiten zijn vertrekt aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Het is voor eiser van belang te weten welke informatie deze laissez-passeraanvragen bevatte, op welke wijze is gecommuniceerd met de ambassade en/of op welke wijze de vreemdeling daar enige bijdrage aan heeft geleverd, hoe snel na het indienen van de aanvraag een laissez-passer is afgegeven door de ambassade en of de ambassade kenbaar heeft gemaakt om welke redenen in die gevallen een laissez-passer is verstrekt.

3.2 De gemachtigde van eiser heeft op 14 maart 2008 schriftelijk gereageerd op de nadere inlichtingen van verweerder. In zijn reactie voert de gemachtigde aan dat verweerder stelselmatig heeft gesteld dat in 2007 twee laissez-passers zijn verstrekt door de Chinese ambassade aan ongedocumenteerde vreemdelingen, terwijl nu uit het faxbericht van verweerder van 12 maart 2008 blijkt dat in 2007 door de Chinese ambassade geen enkele laissez-passer is verstrekt aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Immers de eerste laissez-passer is afgegeven in 2006 en de tweede laissez-passeraanvraag betrof niet een ongedocumenteerde vreemdeling, nu aan deze vreemdeling een paspoort is verstrekt en geen laissez-passer. Verweerder heeft derhalve stelselmatig onjuiste informatie verstrekt. Bovendien is in beide gevallen een reisdocument verstrekt na een persoonlijke presentatie van de vreemdeling, zodat dit kennelijk wel een meerwaarde heeft. Gelet hierop handelt verweerder onvoldoende voortvarend door geen medewerking te verlenen aan een presentatie van eiser in persoon. Ten slotte zijn voornoemde twee zaken niet vergelijkbaar met onderhavige zaak, nu daarin binnen respectievelijk één maand een laissez-passer en binnen twee weken een (vervangend) paspoort is verstrekt, terwijl in de zaak van eiser het onderzoek bij de Chinese autoriteiten betreffende de laissez-passeraanvraag reeds meer dan vier maanden in beslag neemt.

3.3 De gemachtigde van eiser heeft ter zitting van 27 maart 2008 aangevoerd dat geen zicht op uitzetting bestaat, nu verweerder verwijst naar twee zaken waarin een reisdocument is afgegeven, die in het geheel niet zijn te vergelijken met de zaak van eiser.

4 De rechtbank overweegt het volgende.

4.1.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder de rechtbank op 12 november 2007 tijdens de behandeling van een ander beroep (AWB 07/38901) in algemene zin heeft bericht dat in 2007 door de Chinese autoriteiten 16 laissez-passers zijn verstrekt, waarvan twee aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Deze informatie is nadien ook in veel andere zaken verstrekt en door de rechtbank in uitspraken aangehaald en meegewogen. Uit de inlichtingen van verweerder van 12 maart 2008 blijkt evenwel dat één van deze laissez-passers niet in 2007, maar in 2006 is verstrekt en dat bij de andere laissez-passeraanvraag de datum van uitgifte van het paspoort van de betreffende vreemdeling is vermeld, waarna binnen twee weken een paspoort, zijnde een (vervangend) reisdocument is afgegeven.

4.1.2 De rechtbank stelt vast dat verweerder haar op 12 november 2007 en nadien stelselmatig onjuist heeft voorgelicht omtrent de in 2007 afgegeven laissez-passers door de Chinese autoriteiten aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Die informatie is destijds voor de rechtbank onder meer redengevend geweest voor het oordeel dat reëel perspectief op uitzetting niet ontbrak. De rechtbank acht - gelet op de betrokken belangen - het verschaffen van juiste informatie van groot belang voor de te verrichten toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring, dan wel de rechtmatige voortduring van de maatregel. De rechtbank kan deze toetsing niet verantwoord verrichten als niet op de juistheid van de door of namens verweerder verschafte informatie kan worden afgegaan. Dit brengt met zich dat van verweerder een grote mate van zorgvuldigheid wordt verwacht bij het inwinnen - al dan niet intern - en verstrekken van die informatie.

4.1.3 Gelet op de inhoud en het belang van de betreffende verstrekte informatie, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de inlichtingenplicht als bedoeld in de artikelen 8:28 en 8:45 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in ernstige mate heeft geschonden. Hieruit kan de rechtbank ingevolge artikel 8:31 van de Awb de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. Gelet op de aard van de schending en de daarbij betrokken belangen en daargelaten de vraag of er desalniettemin sprake is van zicht op uitzetting, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een dermate ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daarop niet anders kan worden gereageerd dan met een gegrond verklaring van het beroep en opheffing van de maatregel.

4.2 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat voortzetting van de maatregel van bewaring met ingang van 25 februari 2008, zijnde de datum waarop eiser beroep heeft ingesteld, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

4.3 Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 2 april 2008. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank derhalve niet toe.

4.4 Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen voor 37 dagen onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (van

25 februari 2008 tot 2 april 2008) ten bedrage van € 70,-- = € 2.590,--.

4.5 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en wegingsfactor 1.) Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank ’s-Gravenhage:

rechtdoende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 april 2008;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 2.590,-- ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. E.A. Poppe-Gielesen, voorzitter, mr. J. de Gans en mr. C. Laukens, rechters, en door de voorzitter en mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier, ondertekend.

De griffier:

De rechter:

Uitgesproken in het openbaar op: 2 april 2008.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

afschrift verzonden op: