Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8732

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
307124 / KG 08/352
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Heeft gedaagde jegens moslims in Nederland onrechtmatig gehandeld door in het openbaar de islam en de Koran in verband te brengen met het fascisme en door de profeet Mohammed een barbaar te noemen? Volgens eiseres bestaat voldoende aanleiding om het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting te beperken. Ingevolge artikel 10 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde belangen, waaronder de bescherming van rechten van anderen. Een soortgelijke bescherming is opgenomen in artikel 7 van de Grondwet. De vraag rijst of toewijzing van één of meer van de vorderingen van eiseres noodzakelijk is ter bescherming van het recht van moslims in Nederland om niet te worden gekrenkt in hun religieuze gevoelens. Het antwoord op de vraag of dit recht in het onderhavige geval zwaarder weegt dan het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting, moet worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval. Een verbod kan slechts toewijsbaar zijn ten aanzien van specifieke, onrechtmatig bevonden uitlatingen. Een algemeen verbod tot het doen van uitlatingen in de toekomst tast het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde ontoelaatbaar aan. Dit komt immers neer op preventieve censuur, hetgeen, in strijd is met artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Om die reden komt een dergelijk algemeen verbod, zoals vermeld in de onderdelen 1 en 2 van het gevorderde, niet voor toewijzing in aanmerking. Aan de orde is dan het door eiseres gevorderde specifieke verbod om de profeet Mohammed "barbaar" en de islam alsmede de Koran "fascistisch" te noemen dan wel de termen fascistisch op enigerlei wijze in verband te brengen met de islam en/of Koran, alsmede het verbod om de Koran te betitelen als "islamitische Mein Kampf". Vooropgesteld wordt dat voor bepaalde burgers mogelijk grievende of choquerende uitlatingen op zichzelf geen beletsel zijn voor het genot van het recht op vrijheid van meningsuiting, ook indien een godsdienst onderwerp is van scherpe kritiek (vergelijk onder meer Europees Hof voor de Rechten van de Mens 31 januari 2006, NJ 2007, 200). De uitlatingen van gedaagde in kwestie, beschouwd in hun context, houden rechtstreeks verband met diens politieke opvattingen. Zij zijn als zodanig voor hem van betekenis in het maatschappelijk debat over de positie van de islam in Nederland, de oorzaken van moslimextremisme en integratievraagstukken. Daarbij komt dat in het bijzonder voor een parlementariër geldt dat hij in het openbaar debat ook buiten de Tweede Kamer, zo nodig met scherpte, zijn standpunt naar voren moet kunnen brengen.

Eiseres heeft de juistheid van de door gedaagde beschreven passages in de Koran ter onderbouwing van zijn kwalificatie van de profeet Mohammed als 'barbaar' niet weersproken. Ten aanzien van de gewraakte associatie van de islam en de Koran met het fascisme en Mein Kampf, constateert de voorzieningenrechter voorts dat eiseres evenmin de opvatting van gedaagde heeft betwist dat binnen de islam bepaalde denkbeelden gehuldigd worden die op gespannen voet staan met democratische beginselen. Anders dan eiseres, is de voorzieningenrechter met gedaagde van oordeel dat de door laatstgenoemde gebezigde term 'fascisme' niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat deze uitsluitend betrekking heeft op de Holocaust en andere kwaadaardigheden van nazi-Duitsland, maar veeleer moet worden gezien als een verzamelbegrip voor ideologieën met beginselen die een totalitair politiek systeem omarmen dat geen ruimte laat aan andersdenkenden. De bestreden uitlatingen worden niet onrechtmatig geacht. Het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde geeft hier de doorslag. Onderdeel 3 van het gevorderde dient dan ook afgewezen te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 227
RAV 2008, 65

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 7 april 2008,

gewezen in de zaak met zaak- en rolnummer 307124 / KG 08/352 van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Nederlandse Islamitische Federatie,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. M.F. van Immerseel,

advocaten mr. E. Köse en mr. A. Durmus te Rotterdam,

tegen:

[gedaagde],

kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

advocaat mr. S.N. Vlaar te Amsterdam.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde doen dagvaarden tegen de zitting van 28 maart 2008. In verband met de veiligheid van de betrokken personen en op grond van een besluit van de Minister van Justitie d.d. 27 maart 2008 ex artikel 41 lid 8 Wet op de rechterlijke organisatie, heeft de zitting plaatsgevonden in de extra beveiligde zittingszaal van de rechtbank Rotterdam. Ter zitting hebben partijen hun standpunten (verder) doen toelichten. Het vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 28 maart 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Eiseres is een vereniging die zich ten doel stelt de belangen van de islamitische verenigingen en gemeenschappen in Nederland te behartigen.

2.2. Gedaagde is politicus en lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de Partij voor de Vrijheid (PVV).

2.3. Gedaagde heeft in diverse media uitlatingen gedaan over de islam, de Koran, de profeet Mohammed en de moslims. In enkele van deze uitlatingen heeft gedaagde de islam en de Koran "fascistisch" genoemd en de Koran betiteld als "de islamitische Mein Kampf". Ook heeft gedaagde in een of meer uitlatingen de profeet Mohammed een "barbaar" genoemd.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. Eiseres vordert - zakelijk weergegeven en na wijziging van eis - gedaagde op straffe van een dwangsom:

1. met onmiddellijke ingang te verbieden om in geschrift, film of woord dan wel op enige andere wijze, in het openbaar grievende, discriminerende of beledigende uitlatingen te doen over de islamitische bevolkingsgroep dan wel delen daarvan;

2. met onmiddellijke ingang te verbieden in geschrift, film of woord dan wel op enige andere wijze, in het openbaar grievende, discriminerende of godslasterlijke uitlatingen te doen over het islamitische geloof en/of de islamitische cultuur en/of de profeet Mohammed, alsmede gedaagde te verbieden zich op voor islamitische gelovigen krenkende wijze uit te laten;

3. met onmiddellijke ingang te verbieden de profeet Mohammed "barbaar" te noemen en de islam en de Koran "fascistisch" te noemen dan wel de termen fascistisch in enigerlei wijze in verband te brengen met de islam en/of Koran, alsmede gedaagde expliciet te verbieden de Koran te betitelen als "islamitische Mein Kampf";

4. te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis op de voorpagina van twee landelijke dagbladen een rectificatie te plaatsen met de volgende of soortgelijke tekst:

"RECTIFICATIE: In diverse interviews en in mijn brief in de Volkskrant d.d. 8 augustus 2007 heb ik opgeroepen tot een verbod op de Koran waarbij ik dat heilige boek van de moslims heb betiteld als "Islamitische Mein Kampf" en tevens als "fascistisch". Voorts heb ik herhaaldelijk gesuggereerd dat de Islam een fascistische ideologie zou zijn. Tevens heb ik de profeet Mohammed uitgemaakt voor "Barbaar".

De voornoemde uitlatingen zijn onjuist en onnodig grievend voor moslims. Het spijt mij dat ik moslims gegriefd of beledigd heb door de hiervoor genoemde uitlatingen."

3.2. Ter zitting van 28 maart 2008 heeft eiseres de vorderingen die betrekking hadden op de film "Fitna" ingetrokken, nadat gedaagde deze film op 27 maart 2008 op het internet had uitgebracht.

3.3. Ter onderbouwing van de door haar gehandhaafde vorderingen voert eiseres het volgende aan. Gedaagde heeft in de media de Koran betiteld als "islamitische Mein Kampf" en als "fascistisch". Gedaagde heeft voorts herhaaldelijk gesuggereerd dat de islam een fascistische ideologie is en de profeet Mohammed uitgemaakt voor "barbaar". Gedaagde maakt hiervan een gewoonte. De uitlatingen zijn kwetsend, onnodig grievend, discriminerend, beledigend, generaliserend en druisen in tegen de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van de religieuze gevoelens van in Nederland wonende moslims. Gedaagde stelt de uitingen te hebben gedaan in het kader van het politieke en openbare debat, maar hij gaat dit debat juist uit de weg. Gedaagde heeft met zijn aanval op de islam als zodanig en zijn heilige symbolen de grenzen van het toelaatbare overschreden. De uitlatingen zijn onrechtmatig jegens moslims in Nederland en rechtvaardigen een beperking van de vrijheid van meningsuiting van gedaagde.

3.4. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Niet in geschil is dat eiseres als vereniging haar vordering instelt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen als bedoeld in artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek, in dit geval de bij haar aangesloten moslimorganisaties en moslims, en dat zij deze belangen op grond van haar statuten behartigt. Eiseres kan daarom worden ontvangen in haar vorderingen.

4.2. Inhoudelijk gaat het in de kern om de vraag of gedaagde jegens moslims in Nederland onrechtmatig heeft gehandeld door in het openbaar de islam en de Koran in verband te brengen met het fascisme en door de profeet Mohammed een barbaar te noemen. Volgens eiseres ervaren moslims in Nederland deze uitlatingen als kwetsend, onnodig grievend, discriminerend, beledigend en generaliserend, zodat in haar visie voldoende aanleiding bestaat om het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting te beperken.

4.3. Eiseres heeft bij de beantwoording van voormelde vraag een voldoende spoedeisend belang. Het daartegen opgeworpen verweer van gedaagde faalt dus. Eiseres heeft immers een spoedeisend belang bij het voorkomen van uitlatingen waardoor moslims (kunnen) worden gegriefd. Dit spoedeisend belang is niet verloren gegaan door het tijdsverloop sinds de uitlatingen van gedaagde.

4.4. Ingevolge artikel 10 lid 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting slechts toegestaan, indien deze bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving ter bescherming van de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde belangen, waaronder de bescherming van rechten van anderen. Een soortgelijke bescherming is opgenomen in artikel 7 van de Grondwet. De vraag rijst of toewijzing van één of meer van de vorderingen van eiseres noodzakelijk is ter bescherming van het recht van moslims in Nederland om niet te worden gekrenkt in hun religieuze gevoelens. Het antwoord op de vraag of dit recht in het onderhavige geval zwaarder weegt dan het recht van gedaagde op vrijheid van meningsuiting, moet worden gevonden door een afweging van alle terzake dienende omstandigheden van het geval.

4.5. De door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van meninguiting vormt één van de essentiële fundamenten van een democratische samenleving. Uit artikel 7 van de Grondwet volgt dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft om zijn gedachten en gevoelens te openbaren. Een verbod kan slechts toewijsbaar zijn ten aanzien van specifieke, onrechtmatig bevonden uitlatingen. Een algemeen verbod tot het doen van uitlatingen in de toekomst tast het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde ontoelaatbaar aan. Dit komt immers neer op preventieve censuur, hetgeen, zoals gedaagde terecht heeft aangevoerd, in strijd is met artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Om die reden komt een dergelijk algemeen verbod, zoals vermeld in de onderdelen 1 en 2 van het gevorderde, niet voor toewijzing in aanmerking. Deze onderdelen behoren reeds daarom te worden afgewezen.

4.6. Aan de orde is dan het door eiseres gevorderde specifieke verbod om de profeet Mohammed "barbaar" en de islam alsmede de Koran "fascistisch" te noemen dan wel de termen fascistisch op enigerlei wijze in verband te brengen met de islam en/of Koran, alsmede het verbod om de Koran te betitelen als "islamitische Mein Kampf". Gedaagde voert aan dat het hem niet is te doen om individuele moslims te grieven of te beledigen, maar dat hij heeft willen wijzen op de gevaren van de islam. Dergelijke kritiek is volgens gedaagde, hoe beledigend ook, toegestaan. Gedaagde meent dat hij als politicus in zaken van publiek belang ver mag gaan in zijn uitspraken. Gedaagde stelt dat de bestreden uitlatingen voor een groot deel in columns zijn gedaan en in het kader van een politiek en publiek debat over zaken van algemeen belang, zodat deze uitlatingen een grotere vrijheid genieten dan andere uitingen. Volgens gedaagde gaat het in dit debat weliswaar om stevige standpunten, maar van aanzetten tot haat en geweld jegens moslims is geen sprake. Gedaagde meent voorts dat voor zijn uitspraken voldoende feitelijke basis bestaat.

4.7. Vooropgesteld wordt dat voor bepaalde burgers mogelijk grievende of choquerende uitlatingen op zichzelf geen beletsel zijn voor het genot van het recht op vrijheid van meningsuiting, ook indien een godsdienst onderwerp is van scherpe kritiek (vergelijk onder meer Europees Hof voor de Rechten van de Mens 31 januari 2006, NJ 2007, 200).

4.8. De uitlatingen van gedaagde in kwestie, beschouwd in hun context, houden rechtstreeks verband met diens politieke opvattingen. Zij zijn als zodanig voor hem van betekenis in het maatschappelijk debat over de positie van de islam in Nederland, de oorzaken van moslimextremisme en integratievraagstukken. In dit debat, waarvan de toonzetting sinds de terroristische aanslagen in New York in 2001 en de moord op Theo van Gogh in 2004 in het algemeen is verscherpt, heeft gedaagde de bedoeling om de samenleving te waarschuwen tegen wat in zijn ogen de islamisering van Nederland is.

4.9. Ofschoon eiseres van mening is dat gedaagde selectief en onvolledig is, heeft eiseres de juistheid van de door gedaagde beschreven passages in de Koran ter onderbouwing van zijn kwalificatie van de profeet Mohammed als 'barbaar' niet weersproken. Ten aanzien van de gewraakte associatie van de islam en de Koran met het fascisme en Mein Kampf, constateert de voorzieningenrechter voorts dat eiseres evenmin de opvatting van gedaagde heeft betwist dat binnen de islam bepaalde denkbeelden gehuldigd worden die op gespannen voet staan met democratische beginselen. Anders dan eiseres, is de voorzieningenrechter met gedaagde van oordeel dat de door laatstgenoemde gebezigde term 'fascisme' niet zo beperkt moet worden uitgelegd dat deze uitsluitend betrekking heeft op de Holocaust en andere kwaadaardigheden van nazi-Duitsland, maar veeleer moet worden gezien als een verzamelbegrip voor ideologieën met beginselen die een totalitair politiek systeem omarmen dat geen ruimte laat aan andersdenkenden. Gedaagde meent vergelijkbare beginselen te herkennen in de islam en de Koran en hij heeft deze analyse met de door hem getrokken parallel aan de orde willen stellen als politicus en deelnemer aan het publieke debat. Daarbij komt dat in het bijzonder voor een parlementariër geldt dat hij in het openbaar debat ook buiten de Tweede Kamer, zo nodig met scherpte, zijn standpunt naar voren moet kunnen brengen. In dit licht bezien kan niet worden gezegd dat gedaagde met de door hem gekozen bewoordingen, ofschoon provocerend, oproept tot haat of geweld tegen moslims. Ook anderszins bestaan daarvoor vooralsnog onvoldoende harde aanwijzingen.

4.10. Tegen de achtergrond van het voorgaande worden de bestreden uitlatingen niet onrechtmatig geacht. Het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde geeft hier de doorslag. Onderdeel 3 van het gevorderde dient dan ook afgewezen te worden.

4.11. De rectificatie (onderdeel 4) deelt dit lot, nog daargelaten dat de gevraagde verklaring neerkomt op een gedwongen spijtbetuiging en aldus op gespannen voet staat met de vrijheid van meningsuiting; spijt is een gevoelen dat niet met een vonnis kan worden afgedwongen, laat staan executeerbaar is.

4.12. Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van eiseres, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst af het gevorderde;

veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.070,--, waarvan € 816,-- aan salaris procureur en € 254,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 7 april 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

mlh