Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8650

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
249923 / HA RK 05-722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap; art 4 RWN; niet-ontvankelijk; verzoekster niet de wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige; naar Marokkaans recht berust gezag bij de vader; Procespartij niet hangende het geding wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

JKL

zaaknummer / rekestnummer: 249923 / HA RK 05-722

Beschikking van 13 maart 2008 (bij vervroeging)

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

voor haar minderjarige dochter [minderjarige],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat: mr. P.J. de Bruin te Rotterdam,

procureur: mr. A.M. van Kuijeren,

t e g e n:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. J. E.A. Pesch.

Verzoekster wordt hierna aangeduid met '[verzoekster]', de minderjarige met '[minderjarige]' en belanghebbende met 'de Staat'.

1. Het procesverloop:

1.1 [verzoekster] heeft op 12 september 2005 een verzoekschrift ingediend waarin zij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit bezit. Bij brief van 16 december 2005 heeft mr. De Bruin het verzoekschrift aangevuld.

1.2 De Staat heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt bij brieven van 8 maart 2007 en 6 december 2007. Pri-mair meent de Staat dat [verzoekster] in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard dient te worden en subsidi-air meent hij dat [minderjarige] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

1.3 De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaats gevonden op 7 februari 2008. [verzoekster] en [minderjarige] zijn verschenen, vergezeld van mr. De Bruin en van de heer [A]. Namens de Staat is mr. Pesch verschenen. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

2. De beoordeling:

2.1 [verzoekster], van Marokkaanse nationaliteit, is op [datum] 1998 in Marokko in het huwelijk getreden met de heer [A], die de Nederlandse (en de Marokkaanse) nationaliteit bezit. Dit huwe-lijk is op [datum] 2002 in Marokko ontbonden. Tijdens dit huwelijk is op [datum] 1999 te Marokko [minderjarige] geboren.

2.2 Wat betreft de ontvankelijkheid van [verzoekster] overweegt de rechtbank als volgt.

[minderjarige] is geboren in Marokko, heeft een Marokkaanse moeder en is woonachtig in Marokko. Het huwelijk van haar ouders is in Marokko gesloten en ontbonden. In de overgelegde uitspraak van de Ma-rokkaanse rechter, waarbij de ontbinding van het huwelijk is bekrachtigd, is geen bepaling opgenomen met betrekking tot het gezag over [minderjarige]. Aangezien naar Marokkaans recht het gezag over minder-jarigen in principe berust bij de vader, en niet is gebleken dat in de echtscheidingsprocedure anders is beslist, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de vader, de heer [A], gezien moet worden als de wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige].

2.3 [verzoekster] kan derhalve niet namens [minderjarige] het onderhavige verzoekschrift indienen en zal daarom in haar verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. Hieraan doet niet af dat [A] en [verzoekster] op 18 juli 2007 een vaststellingsovereenkomst tevens machtiging hebben ondertekend waarbij [A] de advo-caat van [verzoekster] machtigt om mede namens hem als wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] het verzoekschrift in te dienen. Het verzoekschrift is immers reeds op 12 september 2005 ingediend. Uit ar-tikel 283 juncto 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) valt af te leiden dat een procespartij niet hangende het geding door een ander vervangen kan worden.

2.4 Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op.

Uit de overgelegde stukken valt af te leiden dat [A] op het moment dat hij in het huwelijk trad met [verzoekster] nog gehuwd was met mevrouw [B]. De echtscheiding tussen [A] en [mevrouw B] is op 20 november 2000 door de rechtbank Rotterdam uitgesproken en op 14 maart 2001 ingeschreven in de burgerlijke stand te Den Haag. [A] is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Op grond van het bepaalde in artikel 1:33 Burgerlijk Wetboek (BW) kan een persoon tegelijkertijd slechts met één an-dere persoon door het huwelijk verbonden zijn. Hieruit volgt dat niet gesteld kan worden dat [minderjarige] is geboren uit een rechtsgeldig huwelijk van [verzoekster] en [A]. Zij heeft derhalve niet op grond van artikel 3 lid 1 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) het Nederlanderschap van rechtswege gekre-gen omdat zij ten tijde van haar geboorte geen (juridische) vader had die in het bezit was van de Neder-landse nationaliteit.

2.5 Eveneens ten overvloede verwijst de rechtbank, met betrekking tot het aanvullende verzoek, naar artikel 1:204 lid 1 onder e BW. Dit artikel bepaalt dat een erkenning in beginsel nietig is, indien zij is gedaan door een op het tijdstip van de erkenning met een andere vrouw gehuwde man. Daarvan is in dit geval sprake. Uit het enkele feit dat de naam van [A] staat vermeld op de geboorteakte van [minderjarige] - hetgeen naar Marokkaans recht volgens [verzoekster] inhoudt dat [minderjarige] door [A] is erkend - valt in deze zaak onvoldoende af te leiden dat er familierechtelijke betrekkingen tussen [minderjarige] en [A] zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 4 lid 1 RWN 1985.

2.6 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek, indien geen sprake zou zijn geweest van niet-ontvankelijk verklaring, zou zijn afgewezen.

BESLISSING:

De rechtbank verklaart [verzoekster] niet ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.W.T. Vriezen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.