Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8628

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
256103 / HA RK 05-1056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap; art 4 lid 1 RWN; voor de erkenning is de erkenner zijn Nederlandse nationaliteit verloren door een verblijf van 2 jaar in Suriname (art. 5 lid 2 TOS-oud); verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

JKL

zaaknummer / rekestnummer: 256103 / HA RK 05-1056

Beschikking van 13 maart 2008 (bij vervroeging)

in de zaak van:

1. [verzoeker sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [verzoeker sub 2],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

procureur: mr. drs. R. Dhalganjansing,

t e g e n:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Cappon.

Partijen worden hierna aangeduid met '[verzoeker sub 1]' en '[verzoeker sub 2]', gezamenlijk ook als verzoekers, en 'de Staat'.

1. Het procesverloop:

1.1 Verzoekers hebben op 16 december 2005 een verzoekschrift ingediend waarin zij de rechtbank verzoe-ken vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezitten.

1.2 De Staat heeft bij brief van 5 december 2007 (ingekomen op 7 december 2007) zijn standpunt met be-trekking tot het verzoek kenbaar gemaakt. Hij komt tot de conclusie dat verzoekers niet de Nederlandse nationaliteit bezitten.

1.3 De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaats gevonden op 7 februari 2008. [verzoeker sub 1] is verschenen, vergezeld van mr. Dhalganjansing. Namens de Staat is mr. drs Cappon verschenen. De offi-cier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.

2. De beoordeling:

2.1 Verzoekers voeren aan dat zij door erkenning door een Nederlandse man op grond van artikel 4 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (oud) van rechtswege de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen.

2.2 [verzoeker sub 2] is op [datum] 1983 te [plaats in Suriname] (Suriname) geboren. [verzoeker sub 1] is op [datum] 1986, eveneens te [plaats in Suriname], geboren. Beiden als natuurlijke kinderen van mevrouw [A], geboren op [datum] 1963 te district [district] (Suriname). Op [datum] 1990 zijn zij beiden erkend door de [B], geboren op [datum] 1948 te [plaats in Suriname] en overleden aldaar op [datum] 2001.

2.3 Niet ter discussie staat dat de moeder van verzoekers ten tijde van de Surinaamse onafhankelijkheid op 25 november 1975 in Suriname verbleef. Als op die datum minderjarige volgde zij op grond van artikel 6 van de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) de Surinaamse nationaliteit van haar vader (grootvader van verzoekers). Verzoekers verkregen derhalve bij hun geboorte de Surinaamse nationaliteit door afstamming van een Surinaamse moeder.

2.4 Voor de beantwoording van de vraag of verzoekers door voormelde erkenning door [B] op [datum] 1990 de Nederlandse nationaliteit hebben verkregen is van belang of [B] op het moment van er-kenning in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit.

2.5 [B] in geboren in 1948 in Suriname. De rechtbank neemt aan dat hij bij zijn geboorte de Neder-landse nationaliteit verkreeg. Tijdens de Surinaamse onafhankelijkheid op 25 november 1975 was [B] meerderjarig. Voor de beoordeling van zijn nationaliteit is derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 3 TOS, van belang waar [B] ten tijde van de onafhankelijkheid woonplaats of werkelijk verblijf had.

2.6 Vast staat dat [B] vanaf zijn geboorte tot 25 februari 1975 woonachtig was in Suriname. Uit een verklaring van het Centraal Bureau voor Burgerzaken te Paramaribo, afgegeven op 3 april 2006, blijkt dat [B] op 25 februari 1975 is vertrokken naar Nederland.

2.7 Uit diezelfde verklaring blijkt dat [B] per [datum] 1976 tot aan zijn overlijden op [datum] 2001 weer stond ingeschreven in Suriname op twee verschillende adressen in [plaats in Suriname]. Hieruit kan worden afgeleid dat [B] op 25 november 1975 geen woonplaats had in Suriname en daardoor zijn Neder-landse nationaliteit behield.

2.8 Tot 1 januari 1986 bepaalde artikel 5 lid 2 TOS dat in Suriname geboren Nederlanders die op 25 no-vember 1975 meerderjarig waren en op die datum het Nederlanderschap behielden alsnog van rechts-wege de Surinaamse nationaliteit verkregen, indien zij gedurende twee jaren in de republiek Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hadden. Dit bracht verlies van de Nederlandse nationaliteit met zich mee op grond van artikel 2 lid 1 TOS.

2.9 Aan [B] is op [datum] 1984 door de burgemeester van de gemeente [gemeente 1] een Neder-lands paspoort afgegeven. Uit een uittreksel van de basisadministratie persoonsgegevens van de ge-meente [gemeente 2] blijkt dat [B] zich in 1984 in [gemeente 1] heeft gevestigd. Vanaf die datum wor-den verschillende adressen genoemd in [gemeente 3], [gemeente 4] en [gemeente 2]. Voor de periode 1975 tot 1984 ontbreken adressen in Nederland. De rechtbank leidt hieruit af dat [B] in die periode niet daadwerkelijk woonachtig was in Nederland. [B] stond in Suriname vanaf [datum] 1976 wel ingeschreven op twee verschillende adressen in [plaats in Suriname]. Hieruit leidt de rechtbank af dat [B] vanaf [datum] 1976 tot 1984 daadwerkelijk woonachtig was in Suriname en dat hij zich blijkbaar niet formeel heeft laten uitschrijven uit het bevolkingsregister in Nederland.

2.10 Om, anders dan in 2.9 overwogen, de conclusie te kunnen trekken dat hun vader in bedoelde periode wel daadwerkelijk in Nederland heeft gewoond, hebben verzoekers onvoldoende aangevoerd. Zij heb-ben geen enkele informatie verstrekt met betrekking tot adressen waarop [B] in Nederland woon-achtig zou zijn geweest. Ook hebben zij niet aangevoerd op welke wijze [B] in die periode in Ne-derland in zijn levensonderhoud zou hebben voorzien (inkomsten uit arbeid, een uitkering). Nu verzoe-kers daartoe onvoldoende hebben gesteld ziet de rechtbank geen aanleiding hen (alsnog) in de gelegen-heid stellen bewijs te leveren van hun stelling dat [B] na zijn vertrek uit Suriname in 1975 conti-nue in Nederland woonachtig is geweest en aldus het onder 2.9 vastgestelde feit te ontkrachten.

2.11 Uit het vorenstaande volgt dat [B] twee jaar nĂ¡ zijn terugkeer naar Suriname in oktober 1976 van rechtswege de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en daardoor de Nederlandse nationaliteit heeft verloren. Ten tijde van de erkenning van verzoekers in 1990 bezat [B] derhalve niet de Nederland-se nationaliteit, zodat verzoekers niet op grond van artikel 4 lid 1 RWN (oud) de Nederlandse nationali-teit hebben verkregen. Dit leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

BESLISSING:

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. C.W.T. Vriezen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.