Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8552

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
FA RK 07-3455
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie - Samenloop wijzigingsverzoek en cassatie - Rechtbank kan niet vaststellen of de beschikking van het gerechtshof niet aan de wettelijke maatstaven voldoet - Wijziging van omstandigheden: stijging woonlasten man

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Enkelvoudige Kamer

Alimentatie

rekestnummer: FA RK 07-3455

zaaknummer: 289353

datum beschikking: 18 maart 2008

BESCHIKKING op het op 14 juni 2007 ingekomen verzoek van:

[de man]

wonende te [woonplaats A.],

hierna te noemen: de man,

procureur: mr. D. Regts.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats B.],

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. L.M. Bruins.

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift

- het aanvullend verzoekschrift van de zijde van de man;

- de brief met bijlage d.d. 16 november 2007 van de zijde van de man;

- de brief met bijlagen d.d. 16 november 2007 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 26 november 2007 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 26 november 2007 van de zijde van de man.

Op 27 november 2007 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen bijgestaan door hun procureurs. Van de zijde van de man en de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

FEITEN

Partijen zijn op [datum] 1987 te [plaats D.] met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [kind A.], geboren op [geboortedatum] 1992 te [plaats E.],

- [kind B.], geboren op [geboortedatum] 1995 te [plaats E.].

Bij beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 24 februari 2004 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke op 25 augustus 2004 in de desbetreffende registers van de burgerlijke stand van [plaats D.] is ingeschreven. Tevens is bij deze beschikking bepaald – voor zover hier van belang – dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal voldoen van € 953,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag dat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en zolang de echtelijke woning niet is verkocht en overgedragen en daarna

€ 1.959,-- per maand. Daarnaast is bij deze beschikking bepaald dat de verplichting tot betaling van deze uitkering tot levensonderhoud van de vrouw eindigt een jaar nadat de beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking d.d. 11 november 2004 van het gerechtshof Amsterdam is, met vernietiging in zoverre van de bestreden beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 24 februari 2004, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 25 augustus 2004 tot de datum dat de voormalige echtelijke woning is verkocht een uitkering tot haar levensonderhoud zal voldoen van € 2.000,-- per maand en met ingang van de datum dat de voormalige echtelijke woning is verkocht van € 3.000,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij beschikking d.d. 7 maart 2006 van de rechtbank Haarlem is bepaald – voor zover hier van belang – dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 een uitkering tot haar levensonderhoud zal voldoen van € 3.000,- per maand, met ingang van 1 juli 2006 een bedrag van € 1.000,- per maand, met ingang van 1 juli 2008 een bedrag van € 500,-- per maand en met ingang van 1 juli 2009 is de partnerbijdrage op nihil gesteld.

Bij beschikking d.d. 15 februari 2007 van het gerechtshof Amsterdam, welke bij beschikking d.d. 1 maart 2007 van het gerechtshof Amsterdam is verbeterd ( verder alleen nog te noemen: de beschikking van 15 februari 2007 ), is met vernietiging van de beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 7 maart 2006, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud bepaald:

- tot 1 januari 2009 op € 2.500,-- per maand;

- over de periode 1 januari 2009 tot 1 januari 2012 op € 1.800,-- per maand;

- over de periode 1 januari 2012 tot 1 januari 2014 op € 1.000,- per maand;

- vanaf 1 januari 2014 op nihil.

Tegen de beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d. 15 februari 2007 is door de man bij verzoekschrift op 14 mei 2007 beroep in cassatie ingesteld. Bij beschikking van 22 februari 2008, Rek.nr. R07/097HR, MK/AG, heeft de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d.15 februari 2007 vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing.

VERZOEK, GRONDSLAG EN VERWEER

Het verzoek van de man strekt ertoe – met wijziging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d. 15 februari 2007 te bepalen dat:

1. de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw wordt gewijzigd in dier voege dat de man met ingang van de datum van ingang van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 15 februari 2007 en derhalve met ingang van augustus 2004 een draagkracht had van € 1.800,-- per maand doch dat in verband met de dubbele woonlasten die hij diende te betalen over de periode augustus 2004 tot januari 2006 daarvoor € 1.000,-- in mindering dient te worden gebracht zodat over de periode augustus 2004 tot januari 2006 een bijdrage dient te worden betaald van € 800,-- per maand.

2. over de periode van 1 januari 2006 tot 1 juni 2007 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te worden betaald van € 1.800,-- per maand.

3. met ingang van 1 juni 2007 een partnerbijdrage dient te worden betaald van € 970,-- per maand in verband met de gewijzigde woonlasten van de man.

4. de door het gerechtshof vastgestelde afbouwregeling, zoals bepaald in de beschikking van 15 februari 2007, in goede justitie door de rechtbank wordt vastgesteld.

De man stelt als grond voor dit verzoek dat de beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d. 15 februari 2007 van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat van onjuiste dan wel onvolledige gegevens is uitgegaan en tevens dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor deze niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

De man heeft een aanvullend verzoekschrift ingediend op grond van het feit dat de vrouw inmiddels door uitbreiding van haar werkzaamheden een inkomen heeft waarmee zij (grotendeels) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, hetgeen een wijziging van omstandigheden zou inhouden.

De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt de verzochte wijziging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam d.d. 15 februari 2007 af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

BEOORDELING

Ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 en lid 4 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen dan wel indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De man stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden en onjuiste gegevens tot uitgangspunt zijn genomen, zodat de rechtbank hem zal ontvangen in zijn verzoek.

Nu de man ontvankelijk is in zijn verzoek zal de rechtbank beoordelen of is uitgegaan van zodanig onjuiste gegevens, dan wel of er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat voornoemde beschikking heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Onjuiste of onvolledige gegevens / strijd met de wettelijke maatstatven

Inkomsten uit eigen bedrijf

De man stelt dat het gerechtshof bij vaststelling van de partneralimentatie er ten onrechte van is uitgegaan dat hij, naast zijn inkomen van 60 % uit dienstbetrekking, tevens inkomsten zou genereren uit zijn eigen bedrijf [bedrijf X.], uit hoofde waarvan hij presentaties houdt en daarvoor circa € 2.000,-- per dagdeel in rekening zou brengen. De man erkent dat hij een onderneming drijft, maar uit de overgelegde jaarrekeningen over de jaren 2003 tot en met 2006 zou blijken dat hij gemiddeld over die jaren slechts verliezen heeft geleden. De man voert dan ook aan dat de beoordeling van zijn draagkracht uitsluitend dient te zijn gebaseerd op zijn inkomen uit dienstbetrekking, groot

€ 106.256,-- per jaar zoals mag blijken uit de jaaropgaaf 2006.

De vrouw van haar kant stelt zich op het standpunt dat het gerechtshof, nu de man het bestaan van zijn bedrijf [bedrijf X.] niet heeft ontkend, doch heeft nagelaten jaarstukken betreffende die onderneming aan het gerechtshof over te leggen, terecht heeft geconcludeerd dat er wel sprake was en is van de nodige inkomsten uit het eigen bedrijf van de man en daarmee vervolgens dan ook terecht rekening heeft gehouden bij het bepalen van zijn draagkracht.

De rechtbank stelt voorop dat het door de man tegen de beschikking van het gerechtshof van 15 februari 2007 ingestelde beroep in cassatie uitsluitend heeft betroffen de vraag of de man zich tijdens de alimentatieprocedure bij het hof al dan niet voldoende heeft kunnen verweren tegen de ter terechtzitting zijdens de vrouw gedane mededeling dat de man naast zijn dienstbetrekking als longarts nog een eigen bedrijf heeft waarmee hij presentaties houdt waarvoor hij circa € 2000,-- per dagdeel in rekening brengt. Het hof heeft deze stelling tot uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de draagkracht van de man, omdat de man, aldus het hof “ deze stelling van de vrouw niet, althans onvoldoende heeft betwist en heeft verzuimd inzicht in de gegevens van dit bedrijf te geven, terwijl dit op zijn weg had gelegen”.

De man heeft hiertegen het middel aangevoerd dat het hof onvoldoende recht heeft gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en het recht van de man op een eerlijk proces.

De Hoge Raad heeft in zijn hierboven aangehaalde beschikking van 22 februari 2008 het middel gegrond verklaard, in hoofdzaak op grond van de overweging dat niet is gebleken dat de man een behoorlijke gelegenheid heeft gekregen de stelling van de vrouw gemotiveerd en met het geven van inzicht in de gegevens van zijn bedrijf te betwisten, en heeft de zaak terug verwezen naar het hof te ’s-Gravenhage.

Dat laatstgenoemde hof zal derhalve opnieuw hebben te beslissen over de vraag of, en zo ja in welke mate, het bedrijf van de man draagkrachtverhogende opbrengsten genereert waartoe de alsdan over te leggen en nader te bespreken jaarcijfers het hof als uitgangspunt kunnen dienen.

Voor wat betreft de onderhavige procedure constateert de rechtbank dat door de man zijn overgelegd de jaarcijfers van het bedrijf [bedrijf X.] over de jaren 2003 tot en met 2006, alsmede – naar de man stelt- alle ten behoeve van dat bedrijf door hem ingediende declaraties over diezelfde jaren.

De cijfers overziende constateert de rechtbank een moeilijk te verklaren discrepantie tussen enerzijds de fiscale jaarcijfers en anderzijds de werkelijke bedragen die de man voor ten behoeve van derden verrichte werkzaamheden uit hoofde van zijn bedrijf, bij die derden declareert. De rechtbank kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de onderneming meer in het bijzonder een fiscaal doel dient, waarin allerlei kosten zoals gebruik van auto, telefoonkosten, representatie, inventaris en afschrijvingen op fiscaal vriendelijke wijze zijn ondergebracht.

Het gerechtshof Amsterdam heeft in de beschikking d.d. 15 februari 2007, zoals hierboven aangegeven, wel aanvaard de stelling van de vrouw dat de man voor zijn presentaties € 2000,-- per dagdeel in rekening brengt, doch niet nader gespecificeerd om hoeveel dagdelen het dan jaarlijks zou gaan. En evenmin heeft het gerechtshof in die beschikking aangegeven met welke inkomsten uit eigen bedrijf het jaarinkomen van de man uit dienstbetrekking zou dienen te worden opgehoogd. Derhalve kan niet worden vastgesteld of hetgeen de rechtbank hieronder aan inkomsten uit eigen bedrijf heeft aangenomen strijdt met hetgeen het gerechtshof op dit punt in haar overwegingen heeft betrokken en evenmin of die beschikking van het gerechtshof anderszins materieeel strijdt met de wettelijke maatstaven.

Wanneer de rechtbank thans de aan haar ter beschikking gestelde stukken betreffende het bedrijf van de man overziet, daarbij in aanmerking nemende dat hij niet meer dan 60 % van zijn tijd in dienstbetrekking werkzaam is ( voorheen 80% ) en derhalve ruimschoots tijd beschikbaar heeft voor het investeren in zijn bedrijf ( waarvoor gezien de declaraties overduidelijk een markt is ), zal de rechtbank, mede gezien de overgelegde declaraties en de uit de jaarcijfers blijkende jaarlijkse onttrekkingen, vooralsnog rekening houden met een gemiddeld uit dit bedrijf te genereren inkomen van € 7000,-- per jaar. Hierop zal hierna bij de berekening van de draagkracht van de man nog nader worden ingegaan.

Dubbele woonlasten

Partijen strijden tevens over de uitleg van de beschikking van het gerechtshof d.d. 15 februari 2007 waar het betreft een verrekening van- in de visie van de man- dubbele woonlasten. Volgens de man dient voormelde beschikking, zulks met inachtneming van de beschikking van het gerechtshof d.d. 11 november 2004, aldus te worden gelezen dat de alimentatie ten behoeve van de vrouw vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ( 25 augustus 2004 ) tot 1 januari 2009 is bepaald op € 2500,-- bruto per maand, waarbij, rekening houdend met de door de man te betalen kosten ten behoeve van de voormalige echtelijke woning, de man tot aan de verkoop van die woning per januari 2006, € 1000,-- bruto minder aan alimentatie diende te betalen, derhalve € 1500,-- bruto per maand.

Volgens de vrouw berust deze opvatting van de man op een verkeerde uitleg van de beschikking.. Voor de vrouw staat vast dat de beschikking bedoelt te zeggen dat de vrouw over de gehele periode tussen inschrijving echtscheiding en 1 januari 2009 recht heeft op € 2500,-- bruto per maand aan partneralimentatie en dat van een korting op die alimentatie van € 1000--, bruto per maand tot januari 2006 geen sprake kan zijn.

Blijkens de stukken hebben partijen vorenomschreven geschilpunt ten aanzien van de “ dubbele woonlasten ” voorgelegd aan het gerechtshof Amsterdam. Uit de overgelegde correspondentie kan de rechtbank niet anders afleiden dan dat het gerechtshof het standpunt van de vrouw als juist erkent.

De rechtbank mag daartoe verwijzen naar de brief van het gerechtshof van 21 juni 2007 gericht aan de advocaat van de vrouw, waarin met zoveel woorden wordt gesteld dat de uitleg van de vrouw de juiste is, en de brief van het gerechtshof van 26 juni 2007 gericht aan de advocaat van de man waarin het hof meedeelt geen aanleiding te zien tot wijziging van hetgeen in de brief van 21 juni 2007 is vermeld.

Nu het gerechtshof zich desgevraagd zo ondubbelzinnig over deze kwestie heeft uitgesproken, het middel in cassatie hiertegen ook niet is gericht, en de rechtbank ook overigens geen aanleiding heeft te veronderstellen dat de beschikking van het gerechtshof op dit punt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel strijdig zou zijn met de wettelijke maatstaven, zal de rechtbank het verzoek van de man hieromtrent afwijzen.

Wijziging van omstandigheden

De man stelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden nu hij een nieuwe woning heeft gekocht en dat derhalve rekening dient te worden gehouden met zijn nieuwe werkelijke woonlasten ad € 2.212,92 bruto per maand. Daarnaast stelt de man dat de vrouw veel meer is gaan werken dan zij deed ten tijde van de behandeling van het appelschrift bij het hof, hetgeen ook een wijziging van omstandigheden oplevert. Volgens de man heeft de vrouw sinds 1 april 2007 28 uur per week gewerkt ( in plaats van voorheen 10 uur ) en daarmee een salaris van € 2.237,-- bruto per maand verdiend. De vrouw werkt bovendien als zelfstandig ondernemer in haar eigen bedrijf [bedrijf Y.] ten minste 8 uur per week en genereert daarmee gemiddeld € 800,-- per maand. Tevens geeft de vrouw bijlessen aan middelbare scholieren. De behoefte van de vrouw is door het hof vastgesteld op € 3.000,-- bruto per maand. De man meent dat de vrouw dat inkomen nu verdient. Daarnaast heeft de vrouw de man nooit op de hoogte gesteld van deze toename in haar inkomsten en hij is daarom van mening dat zij geen recht meer heeft op een bijdrage van zijn zijde. Hij verzoekt derhalve de partneralimentatie met ingang van 1 april 2007 op nihil te stellen.

De vrouw stelt dat de hogere woonlasten van de man geheel voor zijn rekening dienen te komen en dat met deze wijziging geen rekening dient te worden gehouden. De vrouw wijst erop dat de man een huis heeft gekocht voor € 565.000,--, inclusief kosten koper terwijl de hypotheek van de man is ingeschreven voor € 700.000,--. De vrouw misgunt de man geenszins zijn recht om een nieuw huis te kopen, maar is van mening dat de hoge kosten die daaraan verbonden zijn niet op de vrouw behoren te worden afgewenteld. Indien de rechtbank wel rekening houdt met de nieuwe woonlasten van de man, is de vrouw van mening dat de lasten van de vereniging van eigenaren (hierna: VvE) en de levensverzekeringspolis buiten beschouwing dienen te blijven. Daarnaast stelt de vrouw dat zij thans niet meer inkomen geniet dan ten tijde van de procedure bij het gerechtshof. De vrouw verdiende destijds € 787,-- bruto per maand. De vrouw erkent van april 2007 tot en met 31 augustus 2007 meer gewerkt te hebben ter vervanging van een collega die met zwangerschapsverlof was, maar dit betrof geen structurele wijziging. De vrouw legt ter onderbouwing brieven over van haar werkgever, waaruit dit blijkt. Tevens legt de vrouw declaraties over van haar eigen bedrijf, waaruit naar voren komt dat haar omzet maandelijks € 500,-- bedraagt. Hier staan echter ook kosten tegenover, welke de baten nog niet overstijgen.

De rechtbank overweegt als volgt. Ten aanzien van de door de man gestelde stijging in het inkomen van de vrouw overweegt de rechtbank dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hiervan geen sprake is. Uit de door de vrouw overgelegde brieven van haar werkgever d.d. 7 maart 2007 en

16 augustus 2007 blijkt ondubbelzinnig dat de vrouw tijdelijk een collega met zwangerschapsverlof heeft vervangen, zodat geen sprake is van een structurele wijziging in haar inkomen uit dienstbetrekking. Voorts heeft de man, tegenover de betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat de vrouw € 800,-- per maand zou genereren met haar onderneming, zodat de rechtbank aan deze stelling voorbij zal gaan. De aankoop van een nieuwe woning door de man levert naar het oordeel van de rechtbank wel een wijziging van omstandigheden op, nu hierdoor zijn woonlasten zijn gestegen. Het betoog van de vrouw dat de hoge woonlasten van de man niet op de vrouw mogen worden afgewenteld, zal de rechtbank opvatten als een verzoek om de man te korten wegens een onredelijk hoge woonlast.

Behoefte

De man heeft gesteld dat de rechtbank destijds de behoefte van de vrouw heeft vastgesteld op

€ 3.000,-- bruto per maand. De vrouw stelt dat haar behoefte is vastgesteld op € 3.000,-- netto per maand, gelet op het basis netto-inkomen van partijen.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij beschikking van de rechtbank Haarlem d.d. 24 februari 2004 is de behoefte van de vrouw vastgesteld op een bedrag van € 3.000,-- per maand. Hierbij is niet vermeld of dit een bruto dan wel een netto bedrag betrof. Nu de vrouw in haar inleidend verzoek bij genoemde procedure heeft verzocht om een bijdrage van € 3.572,-- en het gerechtshof Amsterdam bij beschikking d.d. 11 november 2004 dit als een bruto-bedrag heeft opgevat, neemt de rechtbank als behoefte van de vrouw een bedrag van € 3.000,-- bruto per maand als vaststaand aan.

Draagkracht

Anders dan de man gaat de rechtbank bij de berekening van diens financiële draagkracht niet uit van het blijkens de jaaropgave door hem verdiende inkomen van € 106.256,-- bruto per jaar, doch zal zij zich baseren op de door hem overgelegde salarisspecificaties over juni, juli en augustus 2007 waaruit een inkomen blijkt van € 9.452,-- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Daarnaast houdt de rechtbank, gelijk hiervoor reeds aangegeven, rekening met een jaarlijks bruto inkomen van € 7000,-- uit eigen bedrijf.

De rechtbank zal in haar berekening tevens betrekken de voor de man geldende pensioenpremies, premie IP, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

De rechtbank zal eventuele inkomsten uit vermogen bij de man buiten beschouwing laten nu ook de vrouw, in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, voor haar deel vermogen heeft ontvangen en daar de revenuen van kan genieten.

Voor het overige merkt de rechtbank op dat indien de man zijn verdiencapaciteit als medisch specialist daadwerkelijk ten volle zou benutten, hij bovengenoemd inkomen nog aanzienlijk zou kunnen vergroten.

De rechtbank neemt de volgende niet – dan wel onvoldoende – betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

a. Ziektekosten afgerond € 261,-- bestaande uit nominale premie ad € 95,50 en de inkomensafhankelijke bijdrage ad € 165,70;

b. Kosten omgangsregeling € 100,--;

c. Kinderalimentatie ad € 1.025,--.

De vrouw heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

d. Forfait overige eigenaarslasten € 95,--

e. Vereniging van Eigenaren € 192,--;

f. Hypotheekrente € 2.213,--;

g. Premie levensverzekering € 200,--

h. Werkelijke verwervingskosten € 150,--.

Ad Forfait overige eigenaarslasten en vereniging van Eigenaren (hierna VvE)

De man heeft gesteld dat hij een bijdrage dient te voldoen aan de VvE. Hieronder vallen volgens de man geen kosten die ook reeds in het forfait overige eigenaarslasten zijn opgenomen.

De vrouw stelt dat het bedrag dat de man aan de VvE betaalt wel kosten bevat die reeds in het forfait overige eigenaarslasten zijn begrepen, zoals opstalkosten en verzekeringen.

De rechtbank overweegt als volgt. Afgezien van het forfait eigenaarslasten ad € 95,- per maand, ziet de rechtbank – gelet op de betwisting door de vrouw – geen aanleiding om de extra kosten met betrekking tot de bijdrage voor de VvE in aanmerking te nemen nu de man geacht wordt deze kosten te voldoen uit genoemd forfait, de bijstandsnorm en/of zijn vrije ruimte. De rechtbank zal voorts – in het kader van een bruto draagkrachtberekening – het door de man onbetwist opgevoerde eigenwoningforfait van € 2.400,-- in aanmerking nemen.

Ad Hypotheekrente

De vrouw heeft gesteld dat de hoge woonlasten van de man niet op de vrouw mogen worden afgewenteld. De rechtbank zal deze stelling opvatten als een verzoek de man te korten wegens onredelijk hoge woonlasten.

De rechtbank overweegt dat zij de door de man opgevoerde woonlasten, gelet op zijn inkomen, niet onredelijk hoog acht en zij zal derhalve rekening houden met deze last.

Ad Premie levensverzekering

De vrouw heeft de door de man opgevoerde last betwist, stellende dat de betalingen van premies levensverzekering niet ten koste van de draagkracht kunnen worden gebracht, nu deze vermogensvormend zijn.

Nu de levensverzekering gekoppeld is aan de hypothecaire geldlening, zal de rechtbank deze door de man opgevoerde last in aanmerking nemen.

Ad Werkelijke verwervingskosten

Met de door de man opgevoerde verwervingskosten zal de rechtbank geen rekening houden nu de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60.

Gezien het voorgaande en in aanmerking genomen de fiscale gevolgen, is de rechtbank van oordeel dat de man in staat is de partneralimentatie zoals vastgesteld bij beschikking d.d. 15 februari 2007 van het gerechtshof Amsterdam, welke bij beschikking d.d. 1 maart 2007 van datzelfde gerechtshof is verbeterd, te voldoen. De rechtbank zal de verzoeken van de man derhalve afwijzen.

Proceskostenveroordeling

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.

BESLISSING:

De rechtbank:

wijst de verzoeken van de man af;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kok in tegenwoordigheid van mr. M.A.C. Herweijer als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2008.