Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8308

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 08/6924, 08/6921
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geen overschrijding 48-uurstermijn in ac procedure

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het leeftijdsonderzoek van 7 december 2007 niet kan worden aangemerkt als een op de aanvraag gericht onderzoek die de 48-uurstermijn eerder doet aanvangen. Het onderzoek is immers geïnitieerd door de Dienst Terugkeer & Vertrek en verzoeker had op dat moment nog niet te kennen gegeven dat hij een asielaanvraag wenste in te dienen, zodat niet sprake kan zijn van enig onderzoek gericht op een dergelijk aanvraag. De termijn van 48-procesuren is derhalve niet overschreden. Nu verzoeker niet bestrijdt dat in de streek waar hij vandaan komt adequate opvang aanwezig is en hij niet heeft aangetoond dat hij daarvoor niet in aanmerking komt, kan de enkele stelling van verzoeker dat verweerder in het bestreden besluit had moeten aangeven in welk opvangtehuis verzoeker geplaatst zal worden, niet tot het oordeel leiden dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking amv. Beroep ongegrond en afwijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer:

AWB 08 / 6924 (voorlopige voorziening)

AWB 08 / 6921 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op 21 oktober 1991, van Chinese nationaliteit, verblijvende in de Penitentaire Inrichting te Zwaag,

verzoeker,

gemachtigde: mr. F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar,

tegen:

staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 21 februari 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 25 februari 2008 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 26 februari 2008 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 26 februari 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling van het geschil de volgende feiten. Verzoeker is naar eigen zeggen in mei 2002 Nederland ingereisd. Op 28 september 2007 is verzoeker in Rotterdam in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Vervolgens is verzoeker op 21 februari 2008 te Haarlem in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw. Op 8 januari 2008 heeft een leeftijdsonderzoek plaatsgevonden.

2.6 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Verzoeker is een wees afkomstig uit [geboorteplaats]. Zijn ouders zijn allebei overleden. Verzoeker is opgevoed door zijn oom. Verzoeker betwijfelt of deze oom familie van hem is. Verzoeker is in China niet geregistreerd in het bevolkingsregister en hij heeft geen identiteitskaart. Verzoekers oom kon niet meer voor hem zorgen. De oom heeft van iemand geld geleend om de reis van verzoeker naar Nederland te kunnen bekostigen, waarna verzoeker met een reisagent naar Nederland is gereisd. Hij heeft sindsdien geen contact meer gehad met zijn oom. In Nederland heeft hij in meerdere restaurants gewerkt.

2.7 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit – samengevat – op de volgende standpunten gesteld. Verzoeker beschikt niet over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding en hij heeft zich niet onverwijld onder opgave van de plaats waarlangs hij Nederland is binnen gekomen, vervoegd bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar gemaakt dat hij asiel wenst. Ook heeft verzoeker ter staving van zijn asielaanvraag toerekenbaar geen reis- of identiteitspapieren overgelegd. Voorts heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29 Vw. Ten slotte komt verzoeker evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv).

2.8 Verzoeker heeft hiertegen – samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft de termijn van 48 uur overschreden, zodat reeds hierom het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Ook wordt in het bestreden besluit niet aangegeven dat en waar er opvang zou zijn voor verzoeker in China. Verzoeker heeft immers geen contact meer met zijn oom en verweerder heeft niet aangegeven in welk opvangtehuis verzoeker geplaatst zal worden. Ten slotte had verweerder ambtshalve moeten toetsen aan het beleid voor vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Verblijfsvergunning asiel

2.9 In geschil is of verweerder de voor de ac-procedure geldende termijn van 48 proces-uren heeft overschreden.

2.10 Ingevolge C10/1.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) vangt de 48-uurstermijn aan op het moment dat de vreemdelingenpolitie in het AC begint met het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker. Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, (de Afdeling) waaronder de uitspraak van 16 februari 2004 (kenmerk: 200308127/1), kan onder omstandigheden de 48-uurs-termijn eerder gaan lopen. Dit is het geval indien enig op de in te dienen aanvraag gericht onderzoek heeft plaatsgevonden.

2.11 Verzoeker stelt dat de 48-uurstermijn is overschreden omdat een leeftijdsonderzoek is aangevraagd op 7 december 2007. Voorts is van belang dat het leeftijdsonderzoek is aangevraagd door de GGD-arts en dat het resultaat van het leeftijdsonderzoek ook naar het AC te Schiphol is gezonden. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het leeftijdsonderzoek is aangevraagd door de Dienst Terugkeer & Vertrek in het kader van de uitzetting van verzoeker, zodat het niet als een op de aanvraag gericht onderzoek kan gelden.

2.12 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het leeftijdsonderzoek van 7 december 2007 niet kan worden aangemerkt als een op de aanvraag gericht onderzoek die de 48-uurstermijn eerder doet aanvangen. Het onderzoek is immers geïnitieerd door de Dienst Terugkeer & Vertrek en verzoeker had op dat moment nog niet te kennen gegeven dat hij een asielaanvraag wenste in te dienen, zodat niet sprake kan zijn van enig onderzoek gericht op een dergelijk aanvraag. De termijn van 48-procesuren is derhalve niet overschreden.

2.13 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker geen andere (inhoudelijke) gronden tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 Vw heeft aangevoerd.

2.14 De voorzieningenrechter zal het beroep, voor zover het zich richt tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ongegrond verklaren.

Verblijfsvergunning regulier onder de beperking amv

2.15 Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw, in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is verweerder bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen aan een alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv).

2.16 Artikel 3.56, eerste lid, van het Vb bepaalt dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking verband houdend met verblijf als amv kan worden verleend aan de amv:

(…)

c. voor wie naar het oordeel van Onze Minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.

2.17 In B14/2.2.4 Vc heeft verweerder beleidsregels neergelegd met betrekking tot de toepassing van voormeld artikel uit het Vb. Opvang in een (particuliere) opvanginstelling is aan te merken als adequaat indien de opvanginstelling naar lokale omstandigheden aanvaardbaar is. Indien in het landgebonden asielbeleid is vastgelegd dat algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn, mag ervan worden uitgegaan dat er adequate opvang is. Daadwerkelijke plaatsing behoeft ten tijde van de beschikking niet te zijn geregeld.

2.18 Verweerder stelt in het bestreden besluit dat verzoeker in China adequate opvang kan verkrijgen in een weeshuis via de Chinese overheid. Verweerder verwijst naar het algemeen ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse zaken van 9 april 2001, het algemeen ambtsbericht van 15 april 2005 en het algemeen ambtsbericht van 31 mei 2006.

2.19 De Afdeling heeft zich in een uitspraak van 31 oktober 2003 (kenmerk: 200305039/1 en 200304850/1) geoordeeld dat verweerder zich op basis van het algemene ambtsbericht op het standpunt kan stellen dat er voor amv’s uit China adequate opvang is, tenzij de amv aantoont dat voor hem geen adequate opvang voorhanden is of dat hij aantoont dat er een reële kans is dat hij geplaatst wordt in een weeshuis of verzorgingshuis dat, naar lokale maatstaven gemeten, niet adequaat is.

2.20 Verzoeker heeft ter zitting erkend dat op grond van de jurisprudentie van de Afdeling adequate opvang voor minderjarige Chinezen in weeshuizen in de provincie/streek waar verzoeker vandaan komt, aanwezig wordt geacht.

2.21 De enkele stelling van verzoeker dat verweerder in het bestreden besluit had moeten aangeven in welk opvangtehuis verzoeker geplaatst zal worden, leidt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking amv.

2.22 Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder de aanvraag van verzoeker op ontoereikende gronden heeft afgewezen.

2.23 De voorzieningenrechter zal het beroep ongegrond verklaren.

Verblijfsvergunning regulier onder de beperking verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken

2.24 Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend worden onder de beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

2.25 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft beoordeeld of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, Vb.

2.26 De voorzieningenrechter merkt verzoekers standpunt in beroep dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve heeft geoordeeld of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, Vb derhalve aan als een bezwaarschrift gericht tegen de weigering van verweerder om te beslissen in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder a, Awb.

2.27 De voorzieningenrechter zal het beroepschrift op dit punt, ter behandeling als bezwaarschrift, op de voet van artikel 6:15 Awb, doorsturen naar verweerder. De voorzieningenrechter zal de griffier opdragen een afschrift van deze uitspraak, het beroepschrift en de tot op heden wederzijds overgelegde stukken, door te zenden aan verweerder.

2.28 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.29 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond

3.2 zal het beroepschrift, voor zover het betrekking heeft op de weigering te beslissen omtrent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, Vb en een afschrift van deze uitspraak ter behandeling als bezwaarschrift doorsturen naar verweerder;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, voorzieningenrechter, en op 7 maart 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.