Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8285

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 08/6723, 08/6718
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Overschrijding 48 procesuren in ac-procedure

Verzoeker heeft tijdens het gehoor door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) van 13 februari 2008 onder andere verklaringen afgelegd omtrent zijn identiteit en nationaliteit. De voorzieningenrechter kan de verklaring van verzoeker tijdens het gehoor niet anders zien dan dat verzoeker hiermee op 13 februari 2008 aan verweerder om bescherming heeft gevraagd, waarbij hij duidelijk heeft aangegeven niet terug te kunnen naar zijn land van herkomst. Alhoewel hij niet letterlijk heeft gevraagd om een asielvergunning, kan het vorengenoemde bezwaarlijk anders worden opgevat. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat uit de zich in het dossier bevindende brief van verweerder van 18 februari 2008, gericht aan de Detentieboot Dordrecht eveneens blijkt dat verzoeker op of vóór 18 februari 2008 te kennen heeft gegeven dat hij een asielaanvraag wenst in te dienen en dat hij daarom op 20 februari 2008 in het AC daartoe in de gelegenheid zal worden gesteld. Blijkens het p-v van het gehoor van de Kmar van 15 februari 2008 heeft verzoeker tijdens dit gehoor verdergaande verklaringen afgelegd. Zo heeft verzoeker algemene informatie omtrent zijn land van herkomst gegeven en heeft hij verteld over de aanwezigheid van familieleden in Nigeria. Ook heeft hij verteld over zijn werk in Nigeria, zijn schoolopleiding, of hij in aanraking is gekomen met Justitie en of hij een bankrekening had. Ten slotte heeft verzoeker verklaringen afgelegd omtrent zijn asielrelaas. De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderwerpen waarover verzoeker tijdens het gehoor van 15 februari 2008 heeft verklaard te vergelijken zijn met de onderwerpen die normaliter tijdens het eerste en nader gehoor worden besproken. Het gehoor van 15 februari 2008 kan derhalve niet anders worden opgevat dan als een op de asielaanvraag gericht onderzoek. De 48-uurstermijn is derhalve reeds ten tijde van het gehoor op 15 februari 2008 aangevangen, zodat de aanvraag van verzoeker niet binnen de door de wet gestelde termijn van 48 uur is afgedaan. Beroep gegrond en voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer:

AWB 08 / 6723 (voorlopige voorziening)

AWB 08 / 6718 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 maart 2008

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1975, van Nigeriaanse nationaliteit, verblijvende in de detentieboot te Dordrecht,

verzoeker,

gemachtigde: mr. J.M.M. Verstrepen, advocaat te Oosterhout,

tegen:

staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Hartsuiker, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 20 februari 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 24 februari 2008 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 25 februari 2008 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 25 februari 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Verzoeker behoort tot de Ido. Zijn ouders waren beiden lid van het geheime genootschap Ogboni. Verzoeker is via zijn vader geïntroduceerd bij de Ogboni. Verzoeker heeft problemen ondervonden met de PDP in verband met een vechtpartij in februari/maart 2007 tussen deze politieke partij en de PPA. Verzoeker was niet lid van een van deze partijen, maar plakte posters voor de PPA. Toen hij een poster aan het opplakken was, ontstond de vechtpartij. Verzoeker heeft daarna gehoord dat enkele leden van de PDP zijn overleden bij dit gevecht. Verzoeker is daarom ondergedoken bij zijn vader. Na het overlijden van de vader van verzoeker kwamen leden van de Ogboni naar verzoeker toe. Verzoeker moest de plaats van zijn vader in de Ogboni overnemen. Verzoeker was inmiddels christen geworden en wilde niet lid worden van de Ogboni. Hij is daarom naar Nederland gevlucht.

2.6 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit – samengevat – op de volgende standpunten gesteld. Verzoeker heeft zich na binnenkomst in Nederland niet onverwijld gemeld en daarbij kenbaar gemaakt dat hij asiel wenst, zodat artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet (Vw) aan verzoeker wordt tegengeworpen. Voorts heeft verzoeker toerekenbaar geen documenten overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te staven. Verzoeker heeft evenmin coherente en verifieerbare verklaringen omtrent zijn reisroute afgelegd. Ook ontbeert verzoekers relaas positieve overtuigingskracht zodat zijn relaas ongeloofwaardig wordt geacht. Verzoeker komt derhalve niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.7 Verzoeker heeft hiertegen in beroep – samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft al op 18 februari 2008 te kennen gegeven dat hij een asielaanvraag wilde indienen. Bij de gehoren van 13 en 15 februari 2008 is een aanvang genomen in de 48-uursprocedure aangezien verzoeker toen al inhoudelijk is gehoord. De 48-uurstermijn is derhalve overschreden. Ook werpt verweerder in het bestreden besluit ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, Vw tegen. Het relaas van verzoeker is ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Verzoeker komt in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 Vw.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.8 In geschil is of verweerder de voor de ac-procedure geldende termijn van 48 proces-uren heeft overschreden.

2.9 Ingevolge C10/1.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) vangt de 48-uurstermijn aan op het moment dat de vreemdelingenpolitie in het AC begint met het onderzoek naar de identiteit, nationaliteit en reisroute van de asielzoeker.

2.10 Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 7 augustus 2002 (kenmerk: 200203202/1) en 16 februari 2004 (kenmerk: 200308127/1), kan onder omstandigheden de 48-uurstermijn eerder gaan lopen. Dit is het geval indien enig op de in te dienen aanvraag gericht onderzoek heeft plaatsgevonden.

2.11 Uit de in het dossier aanwezige processtukken blijkt dat verzoeker op 13 februari 2008 om 15.30 uur op grond van artikel 59 Vw in bewaring is gesteld. Voorafgaande aan de inbewaringstelling is verzoeker op 13 februari 2008 om 15.13 uur en in verband met het bepaalde in artikel 59 Vw gehoord door mevrouw [opperwachtmeester], opperwachtmeester van de Koninklijke Marechaussee. Van dit gehoor is een proces-verbaal (p-v) opgemaakt. Blijkens het p-v van dat gehoor heeft verzoeker bij die gelegenheid een en ander vertelt omtrent zijn nationaliteit, identiteit en reisroute.

2.12 Blijkens het p-v van het gehoor van 13 februari 2008 heeft verzoeker tevens het volgende verklaard:

“(…) U moet mij helpen. Ik kan niet terug naar Nigeria. Ik ben een Christen. Mijn vader was lid van het Ugboni gezelschap. Wanneer een lid van de Ugboni gemeenschap komt te overlijden, moet de zoon het overnemen, maar dit kan niet. Ik ben een Christen. Mijn vader wilde niet dat ik lid werd van de Ugboni gemeenschap. U moet me echt helpen.”

2.13 De voorzieningenrechter kan deze verklaring van verzoeker niet anders zien dan dat verzoeker hiermee op 13 februari 2008 aan verweerder heeft gevraagd om bescherming, waarbij hij duidelijk heeft aangegeven niet terug te kunnen naar zijn land van herkomst. Alhoewel hij niet letterlijk heeft gevraagd om een asielvergunning, kan het vorengenoemde bezwaarlijk anders worden opgevat. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat uit de zich in het dossier bevindende brief van verweerder van 18 februari 2008, gericht aan de Detentieboot Dordrecht eveneens blijkt dat verzoeker op of vóór 18 februari 2008 te kennen heeft gegeven dat hij een asielaanvraag wenst in te dienen en dat hij daarom op 20 februari 2008 in het AC daartoe in de gelegenheid zal worden gesteld.

2.14 Verzoeker is vervolgens op 15 februari 2008 om 09.25 uur gehoord door de heer [wachtmeester 1], wachtmeester der eerste klasse en de heer [wachtmeester 2], wachtmeester, behorende tot de brigade van de Koninklijke Marechaussee. Ook van dit gehoor is een p-v opgemaakt.

2.15 Verweerder heeft desgevraagd ter zitting gesteld dat verzoeker op 15 februari 2008 nogmaals is gehoord in verband met een nader onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit. Met het gehoor heeft volgens verweerder niet enig op de aanvraag gericht onderzoek plaatsgevonden. De voorzieningenrechter volgt dit standpunt van verweerder niet en overweegt daaromtrent als volgt.

2.16 Verzoeker heeft tijdens het gehoor van 13 februari 2008 reeds verklaringen afgelegd omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Blijkens het p-v van het gehoor van 15 februari 2008 heeft verzoeker tijdens dit gehoor verdergaande verklaringen afgelegd. Zo heeft verzoeker algemene informatie omtrent zijn land van herkomst gegeven en heeft hij verteld over de aanwezigheid van familieleden in Nigeria. Ook heeft hij verteld over zijn werk in Nigeria, zijn schoolopleiding, of hij in aanraking is gekomen met Justitie en of hij een bankrekening had. Ten slotte heeft verzoeker verklaringen afgelegd omtrent zijn asielrelaas, te weten:

“Mijn vader is een aantal maanden geleden overleden. Er is een politiek probleem in Nigeria. Een groepering steunt de PDP, een andere groepering steunt ANC. Er zijn sommige van mijn vrienden gesneuveld in de gevechten tussen de aanhangers van deze groeperingen. Mijn vader behoorde tot een voodoogroepering. Het is een gewoonte dat als iemand van de familie overlijdt dat ze een ander familielid of generatie opofferen om hem te laten bloeden om je ziel aan de duivel te verkopen. Je wordt dan een slaaf. Dit wordt in Nigeria Ugbuni genoemd. Maar ik ben christen dus ik ben niet geschikt om dit voor mijn vader te doen. Ik mag dat niet van mijn geloof. Mijn vader heeft ook verteld dat ik dit niet moest doen. Soms eten ze ook mensen als opoffering. Dit is ook de reden dat ik uit Nigeria ben gevlucht.”

2.17 De voorzieningenrechter stelt vast dat de onderwerpen waarover verzoeker tijdens het gehoor van 15 februari 2008 heeft verklaard te vergelijken zijn met de onderwerpen die normaliter tijdens het eerste en nader gehoor worden besproken. Het gehoor van 15 februari 2008 kan derhalve niet anders worden opgevat dan als een op de asielaanvraag gericht onderzoek. De 48-uurstermijn is derhalve reeds ten tijde van het gehoor op 15 februari 2008 aangevangen, zodat de aanvraag van verzoeker niet binnen de door de wet gestelde termijn van 48 uur is afgedaan.

2.18 Verweerders standpunt ter zitting dat verzoeker uit zichzelf tijdens het gehoor van 15 februari 2008 uitgebreid over zijn asielrelaas is gaan vertellen, acht de voorzieningenrechter onvoldoende om tot een ander standpunt te komen. Uit de wijze van verslaglegging van het gehoor is immers niet na te gaan welke vragen door de Koninklijke Marechaussee aan verzoeker zijn gesteld en of zij gepoogd hebben verzoeker erop te wijzen dat hij zijn asielmotieven pas in een later stadium naar voren dient te brengen. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat ook de tekst en de opbouw van het p-v van 15 februari 2008 geen steun bieden voor dit standpunt van verweerder.

2.19 Het beroep is mitsdien gegrond. Aan een bespreking van de overige beroepsgronden van verzoeker, wat daar overigens van zij, komt de voorzieningenrechter niet toe.

2.20 Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 Awb.

2.21 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.22 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 322,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, moeten deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb worden betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van verzoeker met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 644,- en in verband met het beroep ad € 322,- en draagt de Staat der Nederlanden op deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, voorzieningenrechter, en op 11 maart 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.