Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8276

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2008
Datum publicatie
03-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/34993
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending hoorplicht / ontbreken sociale en economische binding / vestigingsgevaar / marginale toets

Van eiseres, dan wel referent, kon niet verwacht worden dat het standpunt van verweerder (dat sprake was van vestigingsgevaar) in bezwaar gemotiveerd betwist werd, nu onduidelijk was op welke argumenten verweerder deze overweging gebaseerd had. Dit geldt te meer nu eiseres op dat moment niet werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Het had derhalve op de weg van verweerder gelegen om referent hierover nader te horen door een ambtelijke commissie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve ten onrechte afgezien van het horen van referent tijdens de bezwaarprocedure. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale en economische binding heeft dat dit een waarborg voor tijdige terugkeer zal zijn en dat er derhalve gevaar is dat eiseres zich in Nederland zal vestigen. Gegrond met instandlating.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaknummer: Awb 07/34993

Uitspraak in het geschil tussen:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1978,

van Sudanese nationaliteit,

V-nummer: 271.490.2757,

eiseres,

gemachtigde: mr. S. de Vaal, advocaat te Groningen.

en

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op 20 maart 2007 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlening van een visum voor kort verblijf. Verweerder heeft bij beschikking van 3 mei 2007 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Eiseres heeft daartegen op 31 mei 2007 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 13 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Bij beroepschrift van 10 september 2007 heeft eiseres tegen de hiervoor genoemde beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank. Eiseres heeft bij brief van 8 oktober 2007 de gronden aangevuld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiseres toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 4 februari 2008 nadere gronden ingediend.

1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 februari 2008. Referent van eiseres, de heer [referent], is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Rechtsoverwegingen

Feiten en standpunten van partijen

2.1. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat referent niet beschikt over een duurzaam inkomen dat minimaal gelijk is aan het bestaansminimum voor Nederland ten einde zich voor eiseres garant te kunnen stellen en daarbij niet gebleken is dat eiseres zelf over voldoende middelen beschikt. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de middelen niet als duurzaam kunnen worden beschouwd. Niet is gebleken hoe lang de werkzaamheden voortduren, hetgeen een onzekere situatie weergeeft. Voorts is niet gebleken van een solvabele derde die zich garant kan stellen en heeft referent de garantverklaring niet ondertekend. Daarnaast is onvoldoende komen vast te staan dat eiseres tijdig zal terug keren naar Sudan. Er is onvoldoende gebleken dat eiseres een sociale en economische binding heeft met Sudan.

2.2. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet draagkrachtig is gemotiveerd. Eiseres heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen van 25 oktober 2004 (Awb 04/7632) en van 30 maart 2004 (Awb 03/19063), waarin is overwogen dat verweerder er niet in geslaagd is om duidelijk te maken op welk wettelijk en beleidsmatig kader de gehanteerde norm (bijstandnorm echtparen) is gestoeld en waarom de inkomsten, gelet op het feit dat het gaat om een kortdurend verblijf, een duurzaam karakter moeten hebben. Overigens heeft een vriend van referent zich garant gesteld en is deze informatie tijdens de bezwaarprocedure overgelegd. Mocht dit niet zo zijn, dan had het op de weg van verweerder gelegen om te informeren bij referent naar de reden. Overigens komt het merkwaardig over dat referent een garantverklaring zou moeten ondertekenen, terwijl het volgens verweerder niet mogelijk is dat referent garant staat.

Ten aanzien van de sociale binding is verweerder er ten onrechte aan voorbij gegaan dat eiseres met haar twee zussen bij haar ouders woont, nog nooit eerder Sudan heeft verlaten en een sterke band met haar familie heeft. Eiseres ontvangt via haar echtgenoot geld om in haar levensonderhoud te voorzien en kent een financiële verantwoordelijkheid ten opzichte van haar familie. Ten onrechte wordt gesteld dat er geen economische binding van eiseres met het land van herkomst is. Verweerder gaat voorbij aan het feit dat eiseres de afgelopen jaren gestudeerd heeft aan de Omdurman Islamic University en werkzoekend is. Ten onrechte wordt gesteld dat niet gebleken zou zijn dat eiseres op enig andere wijze inkomsten geniet. Tenslotte is verweerder ten onrechte niet overgegaan tot horen, zeker nu bij verweerder geen informatie bekend is over de inkomsten, de studie en de solvabele derde.

In de aanvullende gronden van beroep heeft eisers verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen van 4 oktober 2007. Na ontvangst van een door referent ingediend bezwaarschrift, wordt zonder dat tot horen is overgegaan een beslissing op bezwaar genomen zonder een compleet beeld van de zaak te hebben. Zo stelt verweerder ten onrechte dat referent in de vragenlijst geen garanties heeft gegeven omtrent terugkeer van eiseres maar gaat voorbij aan de door referent ondertekende bewustverklaring Verweerder stelt ten onrechte dat als de vragenlijst niet volledig is ingevuld, ondertekend en niet alle gevraagde bewijsstukken zijn meegezonden, dit leidt tot een negatieve beslissing op de aanvraag. De enkele stelling dat de garantverklaring niet is ingevuld, hetgeen heeft geleid tot een negatieve beslissing, is niet mogelijk nu altijd naar de omstandigheden van het geval gekeken dient te worden. Referent heeft in het bezwaarschrift aangegeven dat de heer [garantsteller] bereid is garant te staan en heeft inkomensinformatie gestuurd. Van referent kan niet verwacht worden dat hij beschikt over een model garantverklaring zoals verweerder hanteert, zodat het op de weg van verweerder had gelegen om een garantverklaring toe te sturen en zo de heer [garantsteller] in de gelegenheid te stellen zich garant te stellen.

Beoordeling van het beroep

2.3. Verweerder is op grond van artikel 7 van het Souverein Besluit van 12 december 1813 (Stcrt. 1814, 4) bevoegd tot het verlenen van visa.

2.4. Ingevolge de artikelen 1 en 2 van het Protocol tot opneming van het Schengen-acquis in het kader van de Europese Unie (Pbl. C 340 van 10 november 1997) is het Schengen-acquis, met inbegrip van de besluiten van het bij de uitvoeringsovereenkomsten van Schengen opgerichte Uitvoerend Comité, opgenomen in het institutionele en juridisch kader van de Europese Unie en treedt de Raad van de Europese Unie in de plaats van het Uitvoerend Comité. De Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-akkoord van 19 juni 1990, (Trb. 1990/145), (SUO) maakt ingevolge de bijlage bij het Protocol deel uit van het Schengen-acquis.

2.5. Ingevolge artikel 10, eerste lid, SUO wordt er een eenvormig visum ingesteld dat geldig is voor het grondgebied van alle Overeenkomstsluitende Partijen en kan dit visum

worden verleend voor een periode van ten hoogste drie maanden.

2.6. Ingevolge artikel 15 in samenhang met artikel 5, eerste lid, SUO kan aan een vreemdeling toegang worden verleend tot het grondgebied van de Overeenkomstsluitende Partijen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden indien wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden:

a. in het bezit zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument of van de geldige grensoverschrijdingsdocumenten, aangewezen door het Uitvoerend Comité;

b. indien vereist, in het bezit zijn van een visum;

c. het, zo nodig, overleggen van documenten ter staving van het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden alsmede het beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van oorsprong of voor de doorreis naar een derde Staat, waar de toelating is gewaarborgd, dan wel in staat zijn deze middelen rechtmatig te verwerven;

d. niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan;

e. niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van één der Overeenkomstsluitende Partijen.

2.7. Op grond van artikel 17 SUO heeft het Uitvoerend Comité een nieuwe versie van de Gemeenschappelijke visuminstructie vastgesteld (besluitnummer SCH/Com-ex, (99) 13, Pbl. L 239 van 22 september 2000). De Gemeenschappelijke visuminstructie (GVI) bevat gemeenschappelijke regels voor de behandeling van visumaanvragen. In Hoofdstuk V GVI wordt gememoreerd dat de behandeling van de visumaanvragen aan de volgende fundamentele criteria moet worden getoetst: de veiligheid van de overeenkomstsluitende partijen, de bestrijding van de illegale immigratie alsmede andere aspecten van de internationale betrekkingen.

2.8. In het kader van de in het Schengenverband vastgestelde voorschriften zijn in hoofdstuk 2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en in hoofdstuk A2 Vreemdelingencirculaire (Vc) criteria vermeld, op grond waarvan een visumplichtige vreemdeling toegang kan worden verleend voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. Zo wordt op grond van artikel 2.1 Vreemdelingenbesluit 2000, de toegang geweigerd, indien de vreemdeling het doel van het voorgenomen verblijf of de verblijfsomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dan wel ter staving daarvan onvoldoende documenten heeft overgelegd.

2.9. Volgens paragraaf A2/4 Vreemdelingencirculaire, zijn de criteria voor visumverlening voor kort verblijf in beginsel gelijk aan de algemene criteria die gelden voor toegang zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, SGC. De criteria voor visumverlening zijn nader uitgewerkt in de GVI en de daartoe behorende bijlagen.

Een van de basiscriteria bij visumverlening is het voorkomen van illegale immigratie (zie ook hoofdstuk V, § 1.4, GVI). Hierbij is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken – zo nodig door middel van het overleggen van documenten – dat de tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. Bij de beoordeling of de tijdige terugkeer voldoende gewaarborgd kan worden geacht, kunnen meerdere wegingsfactoren een rol spelen. De in het beleid genoemde factoren moeten in samenhang worden gezien, maar kunnen ook reeds op zichzelf leiden tot de conclusie dat de tijdige terugkeer onvoldoende is gewaarborgd. Eén van de genoemde factoren is het ontbreken van een (sterke) sociale en economische band van de visumaanvrager met het land van herkomst. De weergegeven opsomming is niet limitatief.

2.10. De rechtbank stelt vast dat verweerder twee zelfstandige afwijzingsgronden aan de beslissing ten grondslag heeft gelegd. Ten eerste heeft verweerder overwogen dat referent niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, althans geen garantverklaring heeft ondertekend dan wel overgelegd. Daarnaast is aan eiseres tegengeworpen dat er gevaar is voor vestiging in Nederland wegens het ontbreken van sociale en economische binding met het land van herkomst. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat beide afwijzingsgronden, ieder voor zich, dragend zijn voor de afwijzing. De rechtbank zal ingaan op de laatste afwijzingsgrond.

2.11. De rechtbank overweegt het volgende. In de beschikking van 3 mei 2007 is overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat eiseres tijdig zou terug keren naar het land van herkomst. Verweerder heeft deze overweging niet nader gemotiveerd. Eerst in de beschikking op bezwaar heeft verweerder dit standpunt met argumenten onderbouwd. Van eiseres, dan wel referent, kon niet verwacht worden dit standpunt in bezwaar gemotiveerd te betwisten, nu onduidelijk was op welke argumenten verweerder deze overweging gebaseerd had. Dit geldt te meer nu eiseres op dat moment niet werd bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener. Het had derhalve op de weg van verweerder gelegen om referent hierover nader te horen door een ambtelijke commissie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve ten onrechte afgezien van het horen van referent tijdens de bezwaarprocedure.

2.12. Het beroep is derhalve gegrond. De bestreden beslissing zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 Awb.

2.13. In dit geval bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.14. Ter zitting heeft de rechtbank de gelegenheid gegeven aan de gemachtigde van eiseres en referent om de feiten toe te lichten zoals zij anders tijdens het horen door een ambtelijke commissie hadden kunnen doen. Hieruit is naar voren gekomen dat niet zozeer de feiten in geschil zijn, als wel de waardering daarvan.

2.15. De rechtbank zal daarom beoordelen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van vestigingsgevaar wegens het ontbreken van sociale en economische binding. Verweerder heeft ten aanzien van de sociale binding overwogen dat eiseres is gehuwd met referent die in Nederland woonachtig is. Daarbij komt dat eiseres geen kinderen heeft in het land van herkomst. Gelet hierop bestaat geen sociale band voor wat betreft een eigen gezin. Voorts is niet gebleken dat eiseres familieleden tot haar last heeft of in staat zou zijn om hen te onderhouden. Evenmin is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die haar ertoe zouden nopen om terug te keren. De stelling van eiseres dat zij met haar zussen bij haar ouders woont, nog nooit eerder Sudan heeft verlaten en een sterke band met haar familie heeft, doen niet af aan de argumenten van verweerder.

Ten aanzien van de economische binding wordt het volgende overwogen. Verweerder heeft opgemerkt dat eiseres geen werk heeft en dat daarom niet is gebleken van zwaarwegende werkgerelateerde verplichtingen die eiseres ertoe zouden nopen om tijdig terug te keren. Tevens is niet gebleken dat zij uit andere bronnen inkomsten geniet. De stelling van eiseres dat zij via haar echtgenoot geld ontvangt, een financiële verantwoordelijkheid ten opzichte van haar familie kent en werkzoekend is, heeft evenmin tot een andere conclusie hoeven leiden. Deze omstandigheden duiden naar het oordeel van de rechtbank eerder op het ontbreken van economische binding dan op sterke banden met het land van herkomst. Immers, eiseres neemt via haar echtgenoot in Nederland haar financiële verantwoordelijkheid ten opzichte van haar familie. Nu eiseres nog werkzoekend is, heeft zij in dat opzicht evenmin een band met Sudan. Het feit dat eiseres in Sudan heeft gestudeerd, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale en economische binding heeft dat dit een waarborg voor tijdige terugkeer zal zijn en dat er derhalve gevaar is dat eiseres zich in Nederland zal vestigen.

2.16. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van het gevraagde visum als bedoeld in artikel 15 in samenhang gelezen met artikel 5, eerste lid SUO. De afwijzingsgrond dat referent niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, dan wel de garantverklaring of bewustverklaring niet heeft ondertekend, behoeft in verband hiermee geen bespreking meer.

2.17. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de opnieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts tot één uitkomst kan leiden. De rechtbank zal daarom bepalen dat overeenkomstig artikel 8:72, derde lid, Awb, de rechtsgevolgen van de vernietigde beslissing geheel in stand zullen blijven.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 07/34993, gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 13 augustus 2007;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- en bepaalt dat verweerder deze kosten aan eiseres dient te vergoeden, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 143,- aan eiseres dient te vergoeden, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de beschikking van 13 augustus 2007 in stand blijven.

Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.M. Pot als griffier op 28 maart 2008.

Tegen deze uitspraak staat op grond van artikel 84, aanhef, en onder b, Vw 2000, geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: