Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8245

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/45574, 08/443, 07/45577
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medewerking verlenen aanvragen laisser passer / motiveringsgebrek / onzorgvuldige voorbereiding

Ter zitting is gebleken, dat aanvragen om verlening van laissez-passers ten behoeve van eisers zijn gedaan door de Dienst Terugkeer en Vertrek, gedateerd 28 september 2007. Deze aanvragen zijn via het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken doorgeleid naar de Servische autoriteiten. Ter zitting is medegedeeld, dat toezeggingen tot verlening van laissez-passers zijn gedaan ten behoeve van vier van de vijf eisers, en dat nog overleg gaande is over de verlening van een laissez-passer ten behoeve van eiseres Leonora. Mogelijk speelt daarbij een discussie mee over haar nationaliteit, omdat zij buiten Servië is geboren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de verslagen van de terugkeergesprekken mogen afleiden, dat het vertrouwen op een veilige terugkeer naar Servië bij eisers gering is en dat hun (emotionele) weerstand zeer groot is. Menselijkerwijs gesproken is dat niet onbegrijpelijk, gezien hun eerdere ervaringen. Juridisch zijn die emoties in het kader van de beoordeling of eisers in aanmerking komen voor een buiten schuld vergunning niet relevant. Juridisch is slechts relevant

a) of bemiddeling is gevraagd, dus of voldoende is meegewerkt aan een aanvraag via de Dienst Terugkeer en Vertrek en

b) of die bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank voert het, gezien hun eerdere ervaringen, net iets te ver om aan hun emotionele uitlatingen zonder meer te verbinden, dat eisers niet bereid zijn mee te werken aan de aanvragen voor een laissez-passer. In het licht van de mededeling dat mee is gewerkt aan het maken van foto's, van eisers opmerkingen waarvan de strekking is "probeer het maar" en van de omstandigheid dat de Dienst Terugkeer en Vertrek ná het tweede gesprek de aanvraag in gang heeft gezet, is het oordeel dat eisers die medewerking hebben geweigerd, onvoldoende gemotiveerd. Daar komt bij, dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder, gezien zijn beleid, pas besluiten had kunnen nemen nadat het resultaat van de bemiddeling bekend is (doordat een ambtsbericht van de DT&V is ontvangen). Anders gezegd: verweerder had in dit geval niet uit mogen gaan van de verwachting dat het wel zou lukken, maar moeten wachten op het resultaat, dat er nog niet is. In zoverre zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid. In deze samenstelling is de rechtbank van oordeel, dat het, voor zover het het besluitonderdeel 'buitenschuld' betreft, weinig gelukkig is dat de rechtbank in eerdere uitspraken verweerder ook betreffende dat onderdeel een ongeclausuleerde termijn van zes weken heeft gesteld waarbinnen beslist moet worden, juist omdat verweerder bij dat besluitonderdeel afhankelijk is van de opstelling van eisers (die om bemiddeling moeten verzoeken) en van het resultaat van een verzoek om verlening van een laissez-passer aan de (externe) autoriteiten van een andere staat en het ambtsbericht daarover van een andere dienst. Van verweerder kan niet meer verlangd worden dan dat hij zelf voldoende voortvarend handelt nadat, in dit geval, het eindresultaat van het verzoek aan Servië bekend is. Verweerder dient nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken nadat verweerder het eindresultaat van het verzoek om afgifte van laissez-passers voor alle eisers heeft ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB07/45574, 08/443, 07/45577

Datum uitspraak: 27 maart 2008

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1964,

v-nummer 070.206.6323,

[eiseres],

geboren op [geboortedatum] 1970,

v-nummer 070.206.6324/070.206.6323/070.206.6327,

mede namens haar minderjarige kinderen,

[kind 1],

geboren op [geboortedatum] 1987,

v-nummer 070.206.6325,

van Joegoslavische nationaliteit,

eisers,

gemachtigde mr. L. Louwerse,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 5 september 2001 hebben eisers aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die bij besluiten van 4 december 2001 zijn afgewezen. Bij uitspraak van 15 maart 2002 van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, zijn de beroepen tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

Op 1 augustus 2002 hebben eisers wederom aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluiten van 10 december 2002 zijn deze aanvragen afgewezen. Bij deze besluiten van 10 december 2002 heeft verweerder tevens ambtshalve geweigerd eisers een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken” te verlenen. Tegen de afwijzingen van de asielaanvragen hebben eisers beroep ingesteld, dat door deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 23 juli 2004 ongegrond is verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 13 januari 2005 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ongegrond verklaard.

Tegen de besluiten van 10 december 2002 hebben eisers op 7 januari 2003 bezwaar gemaakt, voor zover verweerder daarbij heeft geweigerd een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 te verlenen. Deze bezwaarschriften zijn bij besluiten van 3 maart 2003 ongegrond verklaard. Hiertegen is door eisers beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 9 maart 2004 de besluiten van 3 maart 2003 ingetrokken. Bij besluiten van 26 juli 2006 zijn de bezwaarschriften wederom ongegrond verklaard. Op 24 augustus 2006 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten.

Bij uitspraak van 5 juni 2007 van deze rechtbank en zittingsplaats zijn de beroepen gegrond verklaard.

Bij besluiten van 9 november 2007 heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard.

Op 6 december 2007 hebben eisers beroep ingesteld tegen deze besluiten.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden ter zitting van 18 maart 2008. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. van Zijl.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Bij de uitspraak van 5 juni 2007, verzonden op 21 juni 2007, zijn de eerdere besluiten op bezwaar vernietigd en is overwogen dat verweerder vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid eisers voorafgaand aan de beslissingen op bezwaar op de hoogte had dienen te brengen van het gewijzigde beleid en eisers in de gelegenheid had moeten stellen om zich tot de IND (inmiddels: Dienst Terugkeer en Vertrek, hierna ook DT&V) te wenden ten einde een verzoek te doen om bemiddeling ter verkrijging van de benodigde documenten. Onder meer op deze grond zijn de besluiten vernietigd en is verweerder opgedragen om nieuwe besluiten op de bezwaren te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Overigens zijn in die uitspraken ook de onderdelen van die besluiten vernietigd die betrekking hebben op het beroep op "schrijnendheid" dat door eisers is gedaan.

3. Bij deze uitspraak is voor het nemen van nieuwe besluiten aan verweerder een termijn van zes weken gegeven. Omdat verweerder niet tijdig had beslist, hebben eisers op 3 augustus 2007 beroep tegen het niet tijdig beslissen ingesteld, en is (wederom) bij uitspraak van 7 december 2007 bepaald, dat verweerder binnen zes weken na verzending van die uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar neemt. Op dat moment waren de besluiten overigens al genomen.

4. Verweerder heeft na de uitspraak van 5 juni afzonderlijke besluiten genomen over het bezwaar tegen de weigering vergunningen te verlenen als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (die besluiten worden in deze procedure bestreden) en over het beroep op schrijnendheid (die besluiten worden niet in deze procedure bestreden). Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat verweerder over die verschillende mogelijke rechtsgronden voor vergunningverlening na de uitspraak van juni afzonderlijke besluiten neemt.

5. Volgens het beleid komt de vreemdeling in aanmerking voor een vergunning als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken indien onder meer is voldaan aan het derde criterium: "hij heeft verzocht om bemiddeling van de DT&V bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad". Ter toelichting vermeldt de Vreemdelingencirculaire, B14 nr 3.2 het volgende:

"Vereist is dat de vreemdeling om bemiddeling van de DT&V heeft gevraagd. De DT&V zal door middel van een ambtsbericht aangeven aan de IND of al dan niet sprake is van buitenschuld."

6. De rechtbank heeft overigens geen ambtsbericht van de DT&V aan de IND aangetroffen waarin is aangegeven of al dan niet sprake is van buitenschuld.

7. De rechtbank stelt verder vast, dat de Dienst Terugkeer en Vertrek na de uitspraak van 5 juni 2007 op 9 juli 2007 en 25 september 2007 vertrekgesprekken heeft gevoerd met eiser [eiser] in aanwezigheid van zijn echtgenote, eiseres [eiseres], en van de oudste zoon, eiser [kind 1], bij het gesprek in juli, en van dochter [kind 2] bij het gesprek in september.

8. Eiser heeft in het gesprek van juli onder meer verklaard dat er geen aanvraag voor een laissez-passer loopt en op de opmerking dat hij rekening moet houden met een uitnodiging voor het opstarten van een laissez-passer aanvraag geantwoord "Waar is dat voor nodig? Dat is niet mogelijk.". Verder heeft hij verklaard: "Wij gaan niet terug" en "Vandaag doe ik niets en ik onderteken niets." Volgens het verslag van het gesprek hebben eisers toen geschrokken gereageerd en is hen het advies gegeven contact op te nemen met hun advocaat om te overleggen over de uitspraak en de consequenties.

9. Blijkens het verslag van het gesprek in september zijn eisers in de tussentijd bij de politie geweest voor foto's. Daaruit leidt de rechtbank af dat zij meewerken aan een aanvraag om verlening van laissez-passers via DT&V.

Verder valt uit het gesprek enerzijds af te leiden dat eiser begrijpt dat hij rekening moet houden met terugkeer naar Servië. In dat verband heeft hij verklaard: "Als er documenten voor terugkeer worden verstrekt wil ik wel controleren dat ik niet, zoals voorheen, aan de grens wordt mishandeld." Op de opmerking "Stel dat de autoriteiten wel documenten gaan verstrekken", is geantwoord "Dat willen ze niet doen, maar probeer het maar."

Verder bevat het verslag een tweetal uitlatingen dat eisers niet vrijwillig terug zullen gaan ("Ik ga niet vrijwillig.") en dat zij niet terug willen keren, alsmede nog een opmerking dat eiser, vanwege zijn eerdere ervaringen bij een terugkeerpoging in 2002, verwacht dat hij aan de grens niet geaccepteerd zal worden.

10. Verweerder heeft op basis van deze gesprekken in de bestreden besluiten geoordeeld dat eisers geen medewerking wensen te verlenen bij het aanvragen van laissez-passers voor Joegoslavië (Servië). Verder heeft verweerder geoordeeld, dat niet is gebleken dat de Joegoslavische autoriteiten aan eisers geen laissez-passer zullen toekennen.

11. Ter zitting is gebleken, dat aanvragen om verlening van laissez-passers ten behoeve van eisers zijn gedaan door de Dienst Terugkeer en Vertrek, gedateerd 28 september 2007. Deze aanvragen zijn via het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken doorgeleid naar de Servische autoriteiten.

Ter zitting is medegedeeld, dat toezeggingen tot verlening van laissez-passers zijn gedaan ten behoeve van vier van de vijf eisers, en dat nog overleg gaande is over de verlening van een laissez-passer ten behoeve van eiseres [kind 2]. Mogelijk speelt daarbij een discussie mee over haar nationaliteit, omdat zij buiten Servië is geboren.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de verslagen van de terugkeergesprekken mogen afleiden, dat het vertrouwen op een veilige terugkeer naar Servië bij eisers gering is en dat hun (emotionele) weerstand zeer groot is.

Menselijkerwijs gesproken is dat niet onbegrijpelijk, gezien hun eerdere ervaringen.

Juridisch zijn die emoties in het kader van de beoordeling of eisers in aanmerking komen voor een buiten schuld vergunning niet relevant.

Juridisch is slechts relevant

a) of bemiddeling is gevraagd, dus of voldoende is meegewerkt aan een aanvraag via de Dienst Terugkeer en Vertrek en

b) of die bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad.

13. Naar het oordeel van de rechtbank voert het, gezien hun eerdere ervaringen, net iets te ver om aan hun emotionele uitlatingen zonder meer te verbinden, dat eisers niet bereid zijn mee te werken aan de aanvragen voor een laissez-passer. In het licht van de mededeling dat mee is gewerkt aan het maken van foto's, van eisers opmerkingen waarvan de strekking is "probeer het maar" en van de omstandigheid dat de Dienst Terugkeer en Vertrek ná het tweede gesprek de aanvraag in gang heeft gezet, is het oordeel dat eisers die medewerking hebben geweigerd, onvoldoende gemotiveerd.

14. Daar komt bij, dat naar het oordeel van de rechtbank verweerder, gezien zijn beleid, pas besluiten had kunnen nemen nadat het resultaat van de bemiddeling bekend is (doordat een ambtsbericht van de DT&V is ontvangen). Anders gezegd: verweerder had in dit geval niet uit mogen gaan van de verwachting dat het wel zou lukken, maar moeten wachten op het resultaat, dat er nog niet is. In zoverre zijn de bestreden besluiten onzorgvuldig voorbereid.

15. In deze samenstelling is de rechtbank van oordeel, dat het, voor zover het het besluitonderdeel 'buitenschuld' betreft, weinig gelukkig is dat de rechtbank in eerdere uitspraken verweerder ook betreffende dat onderdeel een ongeclausuleerde termijn van zes weken heeft gesteld waarbinnen beslist moet worden, juist omdat verweerder bij dat besluitonderdeel afhankelijk is van de opstelling van eisers (die om bemiddeling moeten verzoeken) en van het resultaat van een verzoek om verlening van een laissez-passer aan de (externe) autoriteiten van een andere staat en het ambtsbericht daarover van een andere dienst. Van verweerder kan niet meer verlangd worden dan dat hij zelf voldoende voortvarend handelt nadat, in dit geval, het eindresultaat van het verzoek aan Servië bekend is.

16. Het voorgaande leidt tot de conclusie, dat de bestreden besluiten vernietigd moeten worden wegens een motiveringsgebrek en een onvoldoende zorgvuldige voorbereiding. Het beroep is derhalve gegrond. Verweerder moet opgedragen worden opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal een geclausuleerde termijn gesteld worden.

17. De rechtbank ziet in dit geval onvoldoende aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Aan verweerder kan worden toegegeven dat eisers slechts schoorvoetend hebben verzocht om bemiddeling via DT&V. Bovendien hebben eisers beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten ingesteld vóór het tweede gesprek met DT&V, terwijl zij in het eerste gesprek niet hebben meegewerkt, daarmee verweerder in een procedureel onmogelijke positie brengend. Die proceshouding valt ook niet te rijmen met de uit voorwaarde 3 van het beleid betreffende de door hen gevraagde vergunningen voortvloeiende verplichting om zelf om bemiddeling door DT&V te verzoeken. Dat verweerder ingevolge de uitspraak van 5 juni 2007 ook moest beslissen over het beroep op schrijnendheid, doet daaraan niet af. Eisers hadden hun beroep tegen het niet tijdig beslissen tot dat onderdeel van de besluitvorming kunnen en, gezien het handhaven van hun aanvragen om een buiten schuld vergunning, op dat moment moeten beperken.

18. Ingevolge artikel 8:74 van de Awb zal de rechtspersoon aangewezen worden die aan eisers het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen gegrond;

vernietigt de besluiten van 9 november 2007;

draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken nadat verweerder het eindresultaat van het verzoek om afgifte van laissez-passers voor alle eisers heeft ontvangen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om aan eisers € 143,00 te betalen ter vergoeding van het door hen betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.M. van Hoof en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2008 in tegenwoordigheid van M. Hietkamp-Jonker als griffier.

de griffier

de rechter