Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8017

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-03-2008
Datum publicatie
02-04-2008
Zaaknummer
AWB 07/38648
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag / WBV 2007/15 / Iran / bekeerde christen

Betrokkene, van Iraanse nationaliteit, heeft op 14 oktober 2001 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 Vw 2000. Deze aanvraag is door verweerder afgewezen omdat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Deze afwijzing is inmiddels in rechte onaantastbaar geworden. Op 3 mei 2007 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft eiser aangevoerd dat hij in Nederland is bekeerd tot het christelijk geloof en dat hij bij terugkeer naar Iran om die reden te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de door eiser op 3 mei 2007 ingediende aanvraag niet te beschouwen is als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 Awb, nu door de inwerkingtreding van WBV 2007/15 het beleid voor (geboren, bekeerde en bekerende) christenen uit Iran, en daardoor het voor eiser toepasselijke recht, is gewijzigd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser op basis van zijn (recente) bekering tot het christelijk geloof in de specifieke negatieve aandacht van de autoriteiten staat of heeft gestaan. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat eiser niet als vluchteling is aan te merken als bedoeld in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet aannemelijk geworden dat eiser een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank overweegt daartoe dat in het algemeen ambtsbericht over Iran van mei 2007 is te lezen dat in principe geen problemen te verwachten zijn voor een bekeerde christen. Op apostasie staat wel de doodstraf, maar in de praktijk is van uitvoering hiervan niet gebleken. Indien problemen ontstaan, doen deze zich meestal voor in de familiesfeer. In WBV 2007/15 is op basis van de bevindingen uit het algemeen ambtsbericht aangegeven dat indien een Iraanse moslim is bekeerd tot het christendom, hij te maken kan krijgen met dreigtelefoontjes of met problemen met (locale) overheden. Ook is bekend dat bekeerlingen moeilijkheden hebben ondervonden om rechtsbescherming of beroepsmogelijkheden te zoeken. Wanneer deze personen reeds om andere redenen dan de geloofsovertuiging in de negatieve belangstelling staan, kan de bekering voor de autoriteiten als bezwarende factor meewegen. Nu bij onherroepelijk geworden uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 17 januari 2007 in rechte is komen vast te staan dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is, moet ervan uit worden gegaan dat eiser niet reeds om andere redenen dan zijn geloofsovertuiging in de negatieve aandacht van de autoriteiten heeft gestaan. Dit leidt tot de slotsom dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Middelburg

AWB nummer: 07/38648

V 200.750.9260

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[eiser],

eiser,

gemachtigde mr. J.C. van Zundert,

advocaat te Delft,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. I.L.B. Venghaus,

medewerkster bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2007, verzonden 13 september 2007, heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Op 10 oktober 2007 heeft eiser tegen dit besluit – hierna: het bestreden besluit – beroep ingesteld.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 februari 2008. Eiser is aldaar verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

II. Overwegingen

1. Onder verweerder wordt tevens verstaan de Minister van Justitie en/of de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

2. Op 14 oktober 2001 heeft eiser, van Iraanse nationaliteit, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 17 oktober 2001 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 12 november 2001 (AWB 01/55964) gegrond verklaard.

Bij besluit van 21 maart 2002 heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen. Dit besluit is door verweerder op 5 augustus 2004 ingetrokken.

Op 17 februari 2005 is ten aanzien van eiser een individueel ambtsbericht (kenmerk: DPV/AM-U041112.0442) uitgebracht, waarna bij besluit van 11 mei 2005 de aanvraag van 14 oktober 2001 opnieuw is afgewezen. Tegen dit besluit is door eiser op 11 oktober 2005 beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 17 januari 2007 (AWB 05/45788) is het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

3. Eiser heeft op 3 mei 2007 opnieuw een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de zin van artikel 28 van de Vw 2000. Eiser heeft ter onderbouwing van deze aanvraag – voor zover van belang en samengevat – aangevoerd dat hij in Nederland is bekeerd tot het christelijk geloof en dat hij bij terugkeer naar Iran om die reden te vrezen heeft voor vervolging.

4. Verweerder heeft de aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen en daartoe overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser op basis van zijn (recente) bekering tot het christelijk geloof in de specifieke negatieve aandacht van de autoriteiten staat of heeft gestaan. Onder verwijzing naar Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) nr. 2007/15 overweegt verweerder dat uit de verklaringen van eiser, noch uit de zienswijze is af te leiden dat eiser op enigerlei wijze in Iran vanwege zijn religie problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten dan wel van enige andere groepering. De enkele stelling dat hij vanwege zijn bekering te vrezen heeft voor vluchtelingrechtelijke vervolging is bij gebreke aan concrete individuele onderbouwing onvoldoende, aldus verweerder. De stelling van eiser dat bekeerde moslims, die christen zijn geworden, in Iran gevaar lopen, leidt verweerder niet tot een ander oordeel nu eiser niet heeft aangetoond dat hij in Iran de specifiek negatieve aandacht van de zijde van de autoriteiten dan wel enige andere groepering op zich heeft gevestigd. Verweerder acht daarbij van belang dat het relaas van eiser in de eerste procedure ongeloofwaardig is geacht.

Dat eiser mogelijk beperkingen zal kennen in het land van herkomst waar het gaat om het actief bekeren van moslims, vormt volgens verweerder onvoldoende grond om aan te nemen dat het leven bij terugkeer ernstig wordt belemmerd.

Inzake de stelling dat op geloofsovergang van een moslim naar een andere religie of geen religie, de doodstraf staat, overweegt verweerder dat eiser heeft verklaard officieel als moslim te worden beschouwd. Niet gebleken is dat eiser vanwege het ontbreken van zijn geloofsovertuiging in de specifiek negatieve aandacht zou komen te staan. De verwijzing naar een gepubliceerd vonnis uit de tachtiger jaren, biedt volgens verweerder geen aanknopingspunten om in onderhavige situatie tot een andere conclusie te komen. Ook is niet aannemelijk dat eiser in zijn persoonlijk leven zijn geloof niet kan belijden. Nog daargelaten dat niet is voldaan aan het continuïteitsvereiste, zoals beschreven in onderdeel C2/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), bestaat er volgens verweerder geen aanleiding eiser verblijf te verlenen.

5. Eiser stelt in beroep dat in Iran de verandering van religie een delict is, dat voor iedere Iraniër – ongeacht zijn identiteit – wordt beschouwd als apostasie. Dat eiser uit Iran afkomstig is en dat hij pas na de eerste asielprocedure christen is geworden, is volgens eiser niet betwist. Hierop staat in Iran ingevolge de shariawetgeving de doodstraf. Omdat de wettelijke straf op apostasie de dood is en in Iran marteling veelvuldig voorkomt, bestaat er een reëel risico op schending van de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Dit beeld wordt bevestigd door wat in de ambtsberichten wordt vermeld. Deze ambtsberichten hebben ook geleid tot een uitstel van vertrekbeleid voor deze groep. Dat eiser alleen voor een vergunning in aanmerking zou komen als hij al in Iran problemen zou hebben gehad met de overheid of anderen vanwege het geloof, staat volgens eiser in het ambtsbericht, noch in WBV 2007/15. De bewering van verweerder, dat eiser zijn geloof in stilte in Iran wel kan belijden, gaat in tegen het recht op godsdienstvrijheid, zoals we dat in Nederland kennen. Dit is in strijd met het Vluchtelingenverdrag.

Bij brief van 17 januari 2008 heeft eiser nadere stukken ingediend, te weten een lidmaatschapskaart van eiser die aantoont dat hij deel uitmaakt van de Perzische kerk Kores, een nieuwsbrief van deze kerk, alsmede een krantenbericht in Trouw, geschreven door Irandeskundige Eidert Mulder, waaruit blijkt van een nieuw wetsontwerp in Iran, dat de doodstraf voor afvalligheid in de wet vastlegt.

De rechtbank overweegt het volgende.

6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de door eiser op 3 mei 2007 ingediende aanvraag niet te beschouwen is als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nu door de inwerkingtreding van WBV 2007/15 het beleid voor (geboren, bekeerde en bekerende) christenen uit Iran, en daardoor het voor eiser toepasselijke recht, is gewijzigd.

7. De aanvraag van 3 mei 2007 is daarom te beschouwen als een nieuwe aanvraag, wat tot gevolg heeft dat het besluit van 11 september 2007 volledig kan worden getoetst.

8. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet dat eerder aangevoerde feiten die tijdens de eerste asielaanvraag van eiser reeds zijn beoordeeld en waarvan de beoordeling in rechte is komen vast te staan, opnieuw kunnen worden beoordeeld. De afwijzing van eisers eerdere aanvraag van 14 oktober 2001 vanwege het feit dat hij ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd, is bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 17 januari 2007 in rechte vast komen te staan.

9. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. (…).

In WBV 2007/15 is in onderdeel 3.7 bepaald dat ten aanzien van Iraanse vreemdelingen die in Nederland zijn bekeerd tot het christendom onderdeel C2/2.6 van de Vc 2000 van toepassing is. Voor hen geldt voorts dat zij op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking kunnen komen voor de verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wanneer zij aannemelijk maken dat zij bekeerd zijn en dat zij al problemen hebben ondervonden om andere redenen dan de nieuwe geloofsovertuiging, die op zichzelf onvoldoende redenen vormen om een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser op basis van zijn (recente) bekering tot het christelijk geloof in de specifieke negatieve aandacht van de autoriteiten staat of heeft gestaan. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat eiser niet als vluchteling is aan te merken als bedoeld in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

11. Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet aannemelijk geworden dat eiser een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

De rechtbank overweegt daartoe dat in het algemeen ambtsbericht over Iran van mei 2007 is te lezen dat in principe geen problemen te verwachten zijn voor een bekeerde christen. Op apostasie staat wel de doodstraf, maar in de praktijk is van uitvoering hiervan niet gebleken. Indien problemen ontstaan, doen deze zich meestal voor in de familiesfeer.

In WBV 2007/15 is op basis van de bevindingen uit het algemeen ambtsbericht aangegeven dat indien een Iraanse moslim is bekeerd tot het christendom, hij te maken kan krijgen met dreigtelefoontjes of met problemen met (locale) overheden. Ook is bekend dat bekeerlingen moeilijkheden hebben ondervonden om rechtsbescherming of beroepsmogelijkheden te zoeken. Wanneer deze personen reeds om andere redenen dan de geloofsovertuiging in de negatieve belangstelling staan, kan de bekering voor de autoriteiten als bezwarende factor meewegen.

Nu bij onherroepelijk geworden uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 17 januari 2007 in rechte is komen vast te staan dat het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig is, moet ervan uit worden gegaan dat eiser niet reeds om andere redenen dan zijn geloofsovertuiging in de negatieve aandacht van de autoriteiten heeft gestaan. Dit leidt tot de slotsom dat eiser evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

12. De door eiser in beroep overgelegde stukken kunnen niet ingevolge artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling worden betrokken. De lidmaatschapskaart van de Perzische kerk, voor zover deze niet eerder had kunnen worden overgelegd, voegt niets toe aan de gestelde bekering van eiser tot het christendom, nu deze niet in geschil is. Datzelfde geldt voor de overgelegde nieuwsbrief. Het krantenartikel heeft betrekking op een wetsontwerp dat – in het midden gelaten wat na eventuele inwerkingtreding de gevolgen voor eiser zouden zijn – nog niet van kracht is en reeds om die reden niet afdoet aan de hiervoor aangehaalde landeninformatie.

13. Het beroep is ongegrond.

14. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. Uitspraak

De rechtbank ‘s-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan en in het openbaar uitgesproken op door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H.M.J. Slabbekoorn, griffier.

De griffier

De rechter

Afschrift verzonden op: