Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC8005

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
AWB 07/1257 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de voortijdige beëindiging van eisers tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR.De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb ontbeert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/1257 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Minister van Justitie, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Bij besluit van 24 april 2006 heeft verweerder eiser medegedeeld dat zijn tijdelijk dienstverband tussentijds met onmiddellijke ingang en met doorbetaling van zijn bezoldiging gedurende de opzegtermijn van drie maanden wordt beëindigd met toepassing van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, juncto artikel 95, achtste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Bij besluit van 26 april 2006 heeft verweerder een zinsnede van het besluit van 24 april 2006 gewijzigd.

2. Tegen het besluit van 24 april 2006 heeft eiser bij brief van 29 mei 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt.

3. Bij besluit van 27 december 2006, verzonden op 5 januari 2007, heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

4. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 14 februari 2007 beroep ingesteld.

5. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

6. Het beroep is op 19 oktober 2007 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Lange als zijn raadsvrouwe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G. Hehenkamp en S.P. van Geuns.

II. Motivering

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser is bij besluit van 10 december 2004 van de Minister van Justitie met ingang van 7 maart 2005 aangesteld in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd tot uiterlijk 1 juli 2006. Deze aanstelling is geschied op grond van artikel 6, tweede lid, sub c, van het ARAR, voor het verrichten van werkzaam-heden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan. Eiser is aangesteld in de functie van Bewaarder DUC-Pool te [A.], aan welke functie schaal 3 is verbonden, en is werkzaam gedurende 27 uur per week.

1.2 Op 29 juli 2005 was eiser werkzaam bij het [Detentiecentrum A.] (Detentieboot [B.]). Eiser had kadedienst en was werkzaam als toezichthouder voor luchtkooi 4. Naar aanleiding van een verzoek van een collega (M.), die werkzaam was als toezichthouder voor luchtkooi 3, heeft eiser ook het toezicht overgenomen voor luchtkooi 3. In de tijdspanne dat eiser toezichthouder was voor de luchtkooien 3 en 4, heeft een gedetineerde kans gezien om te ontsnappen uit luchtkooi 4. Nadat eiser hier op werd geattendeerd door twee collega toezichthouders, die toezicht hielden in luchtkooi 4 vanuit de sluis, heeft eiser de gedetineerde achtervolgd. De gedetineerde is buiten het terrein van het Detentiecentrum door collega's van eiser opgepakt.

1.3 Op 30 juli 2005 heeft naar aanleiding van voornoemd incident een gesprek plaatsgevonden met eiser, waarbij hem is medegedeeld dat hij ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd en dat het voornemen bestaat tot beëindiging van het dienstverband. Aan eiser is met ingang van 30 juli 2005 bijzonder verlof verleend.

1.4 Bij brief van 2 augustus 2005 heeft verweerder eiser het voornemen kenbaar gemaakt om eisers dienstverband tussentijds te beëindigen wegens het vermoeden dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Eiser wordt verweten dat hij zich niet heeft gehouden aan de procedures, dat hij zijn post heeft verlaten en dat hij niet voldoende toezicht heeft gehouden, waarmee hij de veiligheid van collega's en gedetineerden in gevaar heeft gebracht.

1.5 Op 15 augustus 2005 heeft eiser schriftelijk een zienswijze gegeven en op 29 augustus 2005 heeft een zienswijzegesprek plaatsgevonden.

1.6 Bij besluit van 24 april 2006 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij niet voldoet aan de in redelijkheid aan een bewaarder te stellen eisen en verwachtingen. Om die reden wordt eisers tijdelijk dienstverband tussentijds met onmiddellijke ingang beëindigd.

1.7 Naar aanleiding van een brief van eiser van 25 april 2006 met betrekking tot door hem geconstateerde onjuistheden in het besluit van 24 april 2006, heeft verweerder bij besluit van 26 april 2006 een zinsnede uit het besluit van 24 april 2006 gewijzigd.

1.8 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 mei 2006 bij verweerder bezwaar gemaakt.

1.9 Eiser is op 3 oktober 2006 ter zake van zijn bezwaar gehoord door de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden Ministerie van Justitie (hierna: de Commissie).

1.10 De Commissie heeft op 17 oktober 2006 advies uitgebracht aan verweerder.

1.11 Bij besluit van 27 december 2006 heeft verweerder, conform voornoemd advies van de Commissie, eisers bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 24 april 2006 gehandhaafd.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser door zijn gedragingen er blijk van heeft gegeven dat hij dusdanige eigenschappen van karakter, geest en gemoed bezit, waardoor hij de voor de functie van bewaarder vereiste persoonlijke eigenschappen mist. Verweerder verwijst daartoe naar het advies van de Commissie van 17 oktober 2006.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder onvoldoende de bijzondere omstandigheden van het geval heeft meegewogen. Eiser stelt dat hij op

7 maart 2005 is begonnen met de basisberoepsopleiding voor bewakers en dat hij de opleiding ten tijde van het incident nog niet had afgerond. Het onderdeel 'luchten' was nog niet afgetekend op de stagelijst, hetgeen betekent dat dit onderdeel en met name bijzondere situaties niet met een begeleider zijn doorgenomen. Naar aanleiding van het verwijt dat hij zich niet aan de procedureregels heeft gehouden, stelt eiser dat hij, naar aanleiding van het verzoek van zijn collega M. om het toezicht op luchtkooi 3 over te nemen, aan haar heeft gevraagd of dit gebruikelijk was. Zij heeft dit bevestigend beantwoord. Eiser heeft, omdat hij op dat moment twee maanden werkzaam was op deze werkplek en zijn collega al veel langer werkzaam was bij deze boot, gehoor gegeven aan haar verzoek. Eiser stelt voorts dat de Procedureregels, met name onderdeel 3 "procedure luchten/buitenactiviteit", niet geheel sluitend zijn. Verweerder heeft, omdat eiser nog maar kort werkzaam was als bewaker en het onderdeel 'luchten' nog niet was afgetekend, niet kunnen stellen dat deze procedureregels afdoende voor eiser kenbaar hadden moeten zijn in de onderhavige situatie. Verweerder heeft te weinig overwogen dat eiser niet zijn post heeft verlaten, maar zijn post tijdelijk had uitgebreid. Eiser meent dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat een causaal verband bestaat tussen de gestelde schending van de procedureregels en de ontsnapping van de gedetineerde. Luchtkooi 4 voldeed op de bewuste dag niet aan alle veiligheidseisen omdat er een kleine opening in de kooi zat. De twee andere toezichthouders bevonden zich op die dag niet op hun plek. Zij bevonden zich in de sluis buiten de luchtkooi en niet in de luchtkooi. Eiser merkt op dat het terrein vanuit de Centrale Post continu wordt bewaakt met camera's. De mede-werkers aldaar hebben het voorval niet opgemerkt. Tenslotte stelt eiser dat hem een tweede kans gegeven had moeten worden.

4.1.1 Krachtens het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van het ARAR geschiedt aanstelling in tijdelijke dienst voor een kalenderperiode of een andere objectief bepaalbare periode.

4.1.2 Artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van het ARAR bepaalt dat zij kan plaatsvinden voor het verrichten van werkzaamheden, waarvoor slechts tijdelijk een beroep op de arbeidsmarkt kan worden gedaan.

4.2.1 Ingevolge artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR kan aan de ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst ontslag worden verleend, mits een opzegtermijn in acht wordt genomen van drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging laatstelijk tenminste twaalf maanden onafgebroken in dienst is geweest.

4.2.2 Ingevolge artikel 95, achtste lid, van het ARAR, voor zover hier van belang, kan het ontslag ingaan voor de afloop van de opzeggingstermijn. Indien dit niet op de aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd, welke aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering.

4.3 In de Procedure luchten/buitenactiviteit van Detentiecentra [A.], versie 1.0 (16 december 2004), is onder meer vermeld:

‘Het luchten/buitenactiviteit in de luchtkooi dient te worden voorafgegaan door een inspectie van de luchtkooi. Dit dient te gebeuren door de afdelingsambulante van de betreffende afdeling.

(…)

Tijdens het luchtmoment verblijven er twee toezichthouders in de luchtkooi (…). Een derde toezichthouder houdt toezicht vanaf de kade en ziet toe op de veiligheid van zowel binnen als buiten de luchtkooi. (…)

De toezichthouders betrokken bij bovengenoemde activiteiten verlenen bij calamiteiten elders geen assistentie. (…)’

5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen tot de voortijdige beëindiging van eisers tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd met toepassing van artikel 95, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR.

6. Volgens vaste jurisprudentie kan een ontslag op grond van voornoemd artikel worden verleend op elke redelijke grond. Aan het ontslagbesluit dient een redelijke belangenafweging ten grondslag te liggen en ook de overige algemene beginselen van behoorlijk bestuur dienen hierbij in acht te worden genomen (zie uitspraak Centrale Raad van Beroep - hierna de Raad -

d.d. 29 april 1999, TAR 1999, 96, en d.d. 2 juni 2005, LJN: AT6806).

7.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser op

29 juli 2005, naast het toezicht op de hem toegewezen luchtkooi 4, tevens het toezicht heeft overgenomen op luchtkooi 3. Hierdoor had eiser verminderd overzicht over luchtkooi 4, waarna een gedetineerde uit deze luchtkooi mede hierdoor heeft kunnen ontsnappen.

7.2.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een eigen verantwoordelijkheid heeft om toepassing te geven aan de geldende regels die hem bekend zijn. Eiser heeft, volgens verweerder, de fout op geen enkele wijze bij zichzelf heeft gezocht en als oorzaak van het incident verwezen naar andere omstandigheden.

De rechtbank overweegt dat eiser in een vroeg stadium heeft erkend dat hij met het overnemen van het toezicht over luchtkooi 3 een inschattingsfout heeft gemaakt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door eiser gemaakte inschattingsfout als ernstig moet worden aangemerkt en twijfel doet rijzen aan eisers geschiktheid voor de functie.

Eiser heeft de omstandigheden waaronder het incident heeft plaatsgevonden naar voren gebracht. Deze omstandigheden zijn in het door verweerder overgenomen advies van de Commissie niet afdoende onderzocht en weerlegd. De rechtbank overweegt in dit kader dat eiser, zoals blijkt uit het verslag van het gesprek op 30 juli 2005, heeft aangegeven dat hij instructies heeft ontvangen op het moment dat hij in [A.] is begonnen. De rechtbank neemt aan dat dit evenzeer geldt voor de Procedure luchten/buitenactiviteit. De rechtbank overweegt dat deze instructie in de onderhavige situatie onvoldoende duidelijkheid biedt. Niet duidelijk is hoe het personeel zou dienen te handelen bij een onderbreking van het toezicht, niet zijnde een calamiteit.

Daarnaast heeft verweerder zich er onvoldoende rekenschap van gegeven dat eiser relatief kort in dienst was en niet onderzocht in hoeverre eiser bekend was met het onderdeel luchten. Het enkele feit dat op eisers stagelijst wel het onderdeel buitenactiviteit is afgetekend, veronderstelt niet dat eiser ook het onderdeel luchten heeft doorlopen. Bovendien is niet zonder belang dat de vraag om het toezicht op luchtkooi 4 over te nemen afkomstig was van een meer ervaren collega. Evenmin is onderzocht hetgeen eiser naar voren heeft gebracht met betrekking tot het defect aan de kooi en andere collega’s die zich niet op hun plaats bevonden dan wel onvoldoende toezicht hielden vanuit de Centrale Post en wat de implicaties hiervan zijn.

7.2.2 Verweerder heeft in zijn verweerschrift, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 augustus 2006 (TAR 2006, 188), benadrukt dat het geven van een tweede kans niet aan de orde en niet zinvol was omdat eiser blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen te beschikken. De Raad heeft in voornoemde uitspraak verwezen naar zijn vaste jurisprudentie, waarin is neergelegd dat van eervol ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken, in het algemeen niet eerder sprake zal kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. In voornoemde uitspraak heeft de Raad overwogen dat de jurisprudentie op dit uitgangspunt uitzonderingen laat zien in gevallen waarin de ambtenaar dusdanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit of instelling te beschikken dat het bevoegd gezag zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bieden van een verbeterkans niet zinvol is. Die laatste conclusie mag echter slechts in bijzonder sprekende gevallen worden getrokken, aldus de Raad. In die zaak heeft de Raad geoordeeld dat zich, gelet op alle feiten en omstandigheden, een dergelijke uitzonderlijke situatie niet voordoet.

Gelet op voornoemde door eiser naar voren gebrachte omstandigheden is evenmin sprake van een bijzonder sprekend geval. Het had het op de weg van verweerder gelegen eiser een kans op verbetering te geven. Het gaat hier immers om relevante omstandigheden die grotendeels buiten de invloedssfeer van eiser zijn gelegen. Verweerder heeft evenwel nagelaten om eiser een verbeterkans te bieden.

7.2.3 De rechtbank is, gelet op al het vorenstaande, van oordeel dat het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb ontbeert.

8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

9. De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift van eiser van 29 mei 2006 gegrond en herroept het primaire besluit van 24 april 2006 en het besluit van 26 april 2006, waarmee voornoemd besluit van 24 april 2006 is gewijzigd.

10. De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, te weten € 322,-- voor het beroepschrift en € 322,-- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

III. Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 27 december 2006;

3. verklaart het bezwaar van 29 mei 2006 gegrond;

4. herroept het primaire besluit van 24 april 2006 alsmede het besluit van

26 april 2006;

5. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

6. bepaalt dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 141,--, vergoedt;

7. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,--, welke kosten voormelde rechtspersoon aan eiser dient te vergoeden.

IV. Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. M.M.F. Holtrop en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2008, in tegenwoordigheid van A.J. Faasse - van Rossum, griffier.