Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7726

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
26-03-2008
Zaaknummer
FA RK 08-292 / FA RK 07-5089 302562 / 293811
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering / omgangsregeling; verzoek tot teruggeleiding van minderjarige naar Zuid-Afrika; onderzoek raad voor de kinderbescherming naar de volgende vragen:

- in hoeverre is er sprake van worteling van de minderjarige in zijn nieuwe omgeving?

- in hoeverre kan uitgegaan worden van een leeftijd en mate van rijpheid van de minderjarige, die rechtvaardigt dat met zijn mening, i.c. zijn verzet tegen een terugkeer naar Zuid-Afrika, rekening wordt gehouden;

- zijn er redenen om een beschermingsmaatregel te treffen;

-indien de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding naar Zuid - Afrika afwijst: welke omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige is in het belang van de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige Kamer

Internationale kinderontvoering / omgangsregeling

rekestnummers: FA RK 08-292 / FA RK 07-5089

zaaknummers: 302562 / 293811

datum beschikking: 7 maart 2008

BESCHIKKING op

het op 15 januari 2008 ingekomen verzoek van:

de Directie Justitieel Jeugdbeleid, Afdeling Juridische en Internationale Zaken, van het Ministerie van Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (Trb. 1987, 139), gevestigd te 's-Gravenhage, verder te noemen de Centrale Autoriteit, optredend voor zichzelf en namens:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [plaats],

waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [plaats],

procureur mr. E.A.C. van Kempen,

advocaat mr. M. Zee,

(hierna: de teruggeleidingszaak)

en het op 22 augustus 2007 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

wonende te [plaats],

procureur mr. E.A.C. van Kempen,

advocaat mr. M. Zee,

waarin als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [plaats],

procureur mr. M.M. van Wijk,

(hierna: de omgangszaak).

PROCEDURE

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

(in de teruggeleidingszaak:)

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de brief d.d. 31 januari 2008, met bijlagen, van de zijde van de Centrale Autoriteit;

- de brief d.d. 4 februari 2008, met bijlagen, van de zijde van de vader;

- het rapport van het Internationaal Juridisch Instituut d.d. 4 februari 2008;

(in de omgangszaak:)

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift;

- de brieven d.d. 28 en 31 augustus 2007, 18 september 2007 en 20 december 2007, met bijlagen, van de zijde van de vader, ter completering van het verzoekschrift.

De minderjarige heeft in raadkamer d.d. 5 februari 2008 zijn mening kenbaar gemaakt.

Op 5 februari 2008 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Verschenen zijn: de Centrale Autoriteit in de persoon van mr. A.M.E. Giuliano, de moeder, de procureur van de moeder, de vader, de advocaat van de vader en de Raad voor de Kinderbescherming in de persoon van de heer [A]

Ter terechtzitting heeft de rechtbank, gelet op hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting naar voren is gekomen en gelet op hetgeen de minderjarige in raadkamer heeft verklaard, na schorsing en hervatting van de behandeling, voorlopig geoordeeld dat:

- partijen tot de datum van de echtscheiding, te weten [datum] 2007 (vonnis High Court of South Africa), het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefenden;

- er sprake is van ontvoering in de zin van het (Haagse) Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980, nu de vader zonder toestemming van de moeder de minderjarige op 15 januari 2007 vanuit Zuid-Afrika, op dat moment zijnde de gewone verblijfplaats van de minderjarige, naar Nederland heeft overgebracht;

- de minderjarige een band met Nederland heeft opgebouwd en dat hij inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving;

- de minderjarige zich verzet tegen de terugkeer naar Zuid-Afrika;

- de worteling van de minderjarige in zijn nieuwe omgeving en het verzet van de minderjarige tegen de terugkeer naar Zuid-Afrika weigeringsgronden zijn in de zin van genoemd verdrag en dat de terugkeer van de minderjarige wordt geweigerd;

- de gewone verblijfplaats van de minderjarige is gewijzigd in Nederland en dat de rechtbank zich bevoegd acht kennis te nemen van het verzoek van de moeder tot wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige en de verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling;

- het verzoek van de moeder tot wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige op dezelfde gronden als hierboven vermeld wordt afgewezen;

- de moeder recht heeft op omgang met de minderjarige.

Ter terechtzitting hebben partijen te kennen gegeven open te staan voor overleg omtrent een omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige door tussenkomst van een mediator. De rechtbank heeft de zaak daartoe verwezen naar een nader te bepalen mediator en als aandachtspunten voor de mediation meegegeven het winnen van vertrouwen tussen partijen enerzijds, het winnen van vertrouwen van de minderjarige in de moeder anderzijds en het afspreken van een zodanige omgangsregeling dat de minderjarige in staat wordt gesteld op regelmatige basis telefonisch en e-mail contact met zijn moeder te hebben en zijn moeder in Nederland dan wel in Zuid-Afrika te ontmoeten.

De vader heeft ter terechtzitting toegezegd er voor te zorgen dat de moeder de minderjarige op de kortst mogelijke termijn, nog vóór haar vertrek naar Zuid-Afrika op 15 februari 2008, zal ontmoeten, in het bijzijn van de psychologe [psychologe].

De rechtbank heeft in afwachting van het resultaat van de mediation de behandeling van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling in overleg met partijen aangehouden tot de terechtzitting van donderdag 14 februari 2008.

Na de terechtzitting zijn de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 8 februari 2008 van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 8 februari 2008 van de zijde van de moeder;

- de brief d.d. 13 februari 2008 van de zijde van de vader.

Bij genoemde brieven d.d. 8 februari 2008 hebben partijen de rechtbank te kennen gegeven dat de mediation geen doorgang heeft gevonden.

De rechtbank heeft partijen hierna een aanbod gedaan tot korte bemiddeling door de Raad voor de Kinderbescherming. Dit aanbod is van de zijde van de vader afgewezen.

Op 14 februari 2008 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Verschenen zijn: de moeder, de procureur van de moeder, de advocaat mr. E.H. van den Pol als vervanger van de advocaat van de vader, alsmede de Raad voor de Kinderbescherming in de persoon van mevrouw [B].

De vader is niet op deze voortzetting van de terechtzitting verschenen. In genoemde brief d.d. 13 februari 2008 is van de zijde van de vader medegedeeld dat de minderjarige na het weerzien met de moeder is teruggevallen in zijn eerdere toestand, waarbij (verlatings)angsten overheersen en dat de vader op aanwijzing van de kinderpsychologe met de minderjarige naar een vakantiepark is vertrokken om tot rust te komen. Hierin is de reden gelegen dat de vader niet op deze tweede terechtzitting is verschenen.

Ter terechtzitting is overgelegd een faxbericht d.d. 14 februari 2008, met bijlage, van de zijde van de vader.

FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat tussen partijen het volgende vast.

De vader en de moeder, beiden in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, zijn op [datum] 1996 te [plaats], thans gemeente [gemeente], met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk is geboren de thans nog minderjarige [minderjarige], geboren op [datum] 1997 te [plaats]

De vader, de moeder en de minderjarige zijn in 2003 vanuit Nederland naar Zuid-Afrika vertrokken. De vader en de minderjarige verbleven in Zuid-Afrika van 2003 tot 15 januari 2007. Op laatstgenoemde datum hebben de vader en de minderjarige Zuid-Afrika verlaten en sedertdien verblijven zij in Nederland. De moeder woont in Zuid-Afrika met haar huidige partner en hun gezamenlijke dochter.

Bij de op [datum] 2007 door de High Court of South Africa (Transvaal Provincial Division) gegeven 'final order of divorce' is het huwelijk tussen partijen ontbonden. Daarbij is bekrachtigd een zogeheten 'settlement agreement', welke door partijen op 5 december 2006 te [...], Zuid-Afrika, is ondertekend. In dit 'settlement agreement' zijn partijen overeengekomen dat de 'custody and control' wordt toegekend aan de vader en dat de moeder recht heeft op omgang met de minderjarige gedurende de daarin opgenomen perioden.

Op 10 september 2007 is de rechterlijke uitspraak tot echtscheiding ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente].

VERZOEK EN VERWEER

De teruggeleidingszaak:

Van de zijde van de moeder is bij brief d.d. 3 juli 2007 aan de Centrale Autoriteit een verzoek gedaan om behulpzaam te zijn bij de teruggeleiding van de minderjarige naar Zuid-Afrika. Bij brief van 18 december 2007 heeft de Centrale Autoriteit de vader verzocht mee te werken aan de vrijwillige terugkeer van de minderjarige naar Zuid-Afrika. De vader heeft dit bij schrijven van 20 december 2007 geweigerd. In dit schrijven geeft de vader aan dat hij het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige heeft. Voorts stelt hij dat zijn vertrek het karakter had van een vlucht waarbij een beeld van agressie en onveiligheid wordt geschetst. Daarnaast geeft de vader aan dat hij heeft getracht het contact tussen de minderjarige en de moeder te bevorderen en zo mogelijk uit te bouwen, doch dat de moeder hierin tekort is geschoten. De moeder heeft bij brief van 7 januari 2008 gereageerd op de brief van de vader. De moeder betwist in die brief de stellingen van de vader.

De Centrale Autoriteit heeft op 15 januari 2008 het verzoekschrift ingediend. Zij heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet, de onmiddellijke terugkeer van genoemde minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, dan wel te bevelen - indien de vader weigert de minderjarige binnen de bepaalde termijn terug te brengen naar Zuid-Afrika - dat de vader de minderjarige aan de moeder dient af te geven, zodat zij hem mee terug kan nemen naar Zuid-Afrika.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de Centrale Autoriteit.

De omgangszaak:

De vader heeft verzocht te bepalen dat de minderjarige op een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen frequentie in de gelegenheid zal worden gesteld de moeder te ontmoeten in het Omgangshuis [omgangshuis] dan wel een zodanige omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie zou vermenen te behoren vast te stellen.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader.

Tevens heeft zij subsidiair zelfstandig verzocht:

- de gewone verblijfplaats van de minderjarige bij haar te bepalen en

- een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vast te stellen, waarbij de vader de minderjarige bij zich heeft gedurende de helft van de zomervakantie en de helft van de kerstvakantie en waarbij de vader de minderjarige bij de moeder zal komen ophalen en de moeder de minderjarige weer bij de vader zal komen ophalen.

Ter terechtzitting heeft de moeder uiterst subsidiair verzocht een omgangsregeling tussen haar en de minderjarige vast te stellen.

De vader heeft ter terechtzitting verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de moeder.

BEOORDELING

Het verzoek van de Centrale Autoriteit is gebaseerd op het (Haagse) Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Haagse Verdrag). Zowel Nederland als Zuid-Afrika zijn partij bij het Haagse Verdrag.

Op grond van artikel 11 lid 1 sub b van de Uitvoeringswet bij het Haagse Verdrag is de rechtbank 's Gravenhage bevoegd van het verzoek kennis te nemen, nu tussen partijen niet in geschil is dat de minderjarige ten tijde van de indiening van het verzoekschrift zijn werkelijke verblijfplaats geacht moet worden te hebben te [plaats]

Het Haagse Verdrag heeft tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende Staat. Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Haagse Verdrag, wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht en dit recht alleen of gezamenlijk wordt uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of het niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Haagse Verdrag).

Voor de beoordeling van de vraag of de minderjarige onmiddellijk voor zijn overbrenging de gewone verblijfplaats in Zuid-Afrika dan wel - zoals de vader heeft gesteld - in Nederland had, zijn de omstandigheden en feiten van het concrete geval van belang. Vast staat dat de minderjarige van 2003 tot 15 januari 2007 in Zuid-Afrika heeft verbleven. Reeds gelet op dit tijdsbestek staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige onmiddellijk voor zijn overbrenging in Zuid-Afrika was. De stelling van de vader dat partijen slechts op basis van een tijdelijk visum in Zuid-Afrika verbleven en dat in zijn beleving nog geen sprake is geweest van een besluit tot permanente vestiging van het gezin aldaar doet daar niet aan af.

Nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Zuid-Afrika had, is op grond van artikel 3 van het Haagse Verdrag het Zuid-Afrikaanse recht van toepassing op de vraag wie met het ouderlijk gezag is belast. Nu het recht van Zuid-Afrika, evenals het Nederlandse recht, inhoudt dat partijen ten tijde van het huwelijk het gezamenlijk ouderlijk gezag hebben en partijen ten tijde van de overbrenging op 15 januari 2007 nog niet van echt gescheiden waren, concludeert de rechtbank dat zij ten tijde van de overbrenging belast waren met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige.

In geschil is voorts de vraag of de moeder het gezagsrecht daadwerkelijk uitoefende.

De vader heeft gesteld dat hij feitelijk steeds degene is geweest die de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed. Sedert het vertrek van de moeder uit het gezin naar haar nieuwe partner is volgens de vader geen sprake geweest en heeft ook geen sprake kunnen zijn van enige inbreng van de moeder bij de besluitvorming aangaande en rond de minderjarige. Daar komt naar de mening van de vader bij dat de moeder geen of slechts op zeer gebrekkige wijze gebruik heeft gemaakt van het haar toegekende omgangsrecht.

De Centrale Autoriteit heeft gesteld dat de moeder vóór de achterhouding het gezag daadwerkelijk over de minderjarige uitoefende en dit thans nog zou doen als deze achterhouding niet zou hebben plaatsgevonden. Ter terechtzitting heeft de moeder naar voren gebracht dat de vader haar geen toegang meer gaf tot de minderjarige en haar tevens toegang tot de echtelijke woning weigerde, waardoor de omgangsregeling bij gebrek aan een geschikt onderkomen niet goed uitgevoerd kon worden.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat - ondanks de in het 'settlement agreement' overeengekomen ruime omgangsregeling - er feitelijk in beperkte mate sprake van omgang is geweest, op zichzelf niet tot de conclusie leidt dat geen sprake (meer) is van daadwerkelijke gezagsuitoefening door de moeder.

Nu de moeder niet heeft ingestemd met de overbrenging van de minderjarige naar Nederland, is de overbrenging geschied in strijd is met het gezagsrecht van de moeder en dient deze als ongeoorloofd te worden beschouwd in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag.

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Haagse Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Haagse Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

In de onderhavige zaak is de minderjarige op 15 januari 2007 ongeoorloofd overgebracht naar Nederland. Nu het verzoek op 15 januari 2008 bij de rechtbank is ingediend, derhalve na het verstrijken van de termijn van één jaar, dient de rechtbank ingevolge artikel 12 lid 2 van het Haagse Verdrag te beoordelen of er sprake is van worteling van de minderjarige in Nederland.

Voor de beantwoording van deze vraag dient zowel gekeken te worden naar de fysieke als de emotionele band die het kind inmiddels met zijn huidige verblijfplaats heeft verkregen.

De vader meent dat voor de minderjarige geldt dat hij al van jongs af aan in zijn huidige omgeving geworteld is. De vader heeft gesteld dat de minderjarige een Nederlands jongetje is dat vanaf zijn geboorte tot ongeveer zijn zesde verjaardag onafgebroken in Nederland heeft verbleven. In de periode van ongeveer het laatste kwartaal van 2003 tot half januari 2007 heeft de minderjarige in Zuid-Afrika en ook regelmatig in Nederland verbleven en heeft hij het contact met Nederland behouden, aldus de vader. Volgens de vader hebben zich in Nederland geen aanpassingsproblemen voorgedaan. De minderjarige heeft hier zijn vriendjes en hij vindt het leuk op school.

De Centrale Autoriteit heeft in dit kader aangevoerd dat de vader slechts heeft gesteld dat er sprake is van worteling, doch dat hij hiervan geen bewijs heeft bijgebracht.

Zoals overwogen wordt op grond van lid 2 van artikel 12 van het Haagse Verdrag de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt 'aangetoond' dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving. De rechtbank heeft in het kader van haar voorlopig oordeel met betrekking tot de worteling op grond van de stukken en hetgeen de minderjarige in raadkamer heeft verklaard, voorshands aangenomen dat er sprake is van worteling.

Nu de vader zijn stelling dat de minderjarige geworteld is in zijn omgeving niet heeft onderbouwd, noch heeft gestaafd met bewijsstukken, dient de rechtbank thans deze vraag ten gronde te onderzoeken.

Bij worteling gaat het zowel om de fysieke als emotionele band met de nieuwe omgeving. Het gaat niet alleen om het nieuwe 'gezinsverband', maar ook om meer externe relaties, zoals overige familie, vriendjes, school en sport. De rechtbank acht het noodzakelijk dat naar het vorenstaande nader onderzoek wordt verricht. Hetgeen de vader en de minderjarige hieromtrent hebben verklaard wijst weliswaar in de richting van worteling, maar is onvoldoende om ten gronde te kunnen vaststellen dat hiervan sprake is. De rechtbank acht dit onderzoek te meer van belang gelet op de gebeurtenissen die na de eerste terechtzitting hebben plaatsgevonden - zoals hieronder beschreven - die er op zouden kunnen wijzen dat de band tussen de vader en de minderjarige weliswaar sterk is doch dat de stabiliteit van het leven van de minderjarige in zijn huidige woonomgeving en school nog te wensen overlaat. De rechtbank acht het derhalve noodzakelijk dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek verricht naar de vraag of er sprake is van worteling als bedoeld in artikel 12 lid 2 van het Haagse Verdrag.

Op grond van artikel 13 lid 2 van het Haagse Verdrag kan terugkeer van het kind voorts geweigerd worden indien het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De rechtbank is er bij haar voorlopig oordeel, gelet op de leeftijd van de minderjarige, voorshands van uit gegaan dat er sprake is van voldoende rijpheid die rechtvaardigt dat er met het verzet van de minderjarige tegen terugkeer naar Zuid-Afrika rekening wordt gehouden. Thans dient zij ook op dit punt ten gronde te oordelen. Na de eerste behandeling ter terechtzitting heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan.

Gebleken is dat de vader, tegen de uitdrukkelijke afspraken in, aanwezig is gebleven bij de ontmoeting tussen de moeder en de minderjarige. De moeder heeft ter terechtzitting verklaard dat het weerzien met de minderjarige zeer prettig verliep en dat de minderjarige blij was haar te zien. Voorts heeft zij verklaard dat de minderjarige in het bijzijn van de vader terughoudend was in het contact maar dat hij, toen de vader even uit beeld was, naar haar toe kwam om haar hand vast te houden. Zij heeft aangegeven dat zij en de minderjarige lekker hebben gekletst over school en zijn vriendjes en dat de minderjarige zelfs heeft gevraagd over Zuid-Afrika. Volgens de moeder was de minderjarige erg enthousiast en heeft hij aangegeven Zuid-Afrika te willen bezoeken. De minderjarige wilde ook graag de volgende dag op haar verjaardag komen, doch dit mocht niet van de vader, aldus de moeder.

De vader heeft de minderjarige direct na het contact met de moeder meegenomen naar een vakantiehuisje om uit te rusten en daarmede van school gehouden. Namens de vader is weliswaar verklaard dat dit is gebeurd op aanwijzing van de psychologe, doch blijkens de overgelegde e-mail van de psychologe heeft deze slechts geadviseerd om 'de komende dagen samen met [minderjarige] rust te nemen, zodat zij beiden, de voor hun noodzakelijke afstand kunnen nemen van de voor hun zeer emotionele situatie'.

De rechtbank leidt uit deze mededelingen van de psychologe af dat dit advies kennelijk niet alleen was ingegeven door de emotionele toestand van de minderjarige, maar ook door die van de vader. Uit de e-mail valt evenwel niet af te leiden dat het noodzakelijk was om [minderjarige] voor een aantal dagen van school te halen en mee te nemen naar een vakantiehuisje en - voor de vader - om weg te blijven van de voortgezette behandeling ter terechtzitting.

De rechtbank krijgt op grond van het vorenstaande de indruk dat de vader de minderjarige onvoldoende ruimte geeft en niet kan toestaan aan de minderjarige om contact te hebben met de moeder. De rechtbank heeft voorts de indruk gekregen dat er sprake is van een zeer ernstig loyaliteitsconflict bij de minderjarige. Om deze reden acht de rechtbank het noodzakelijk dat er door de Raad voor de Kinderbescherming tevens onderzoek gedaan wordt naar de vraag of er in het onderhavige geval sprake is van voldoende geestelijke rijpheid bij de minderjarige die rechtvaardigt dat er met zijn in raadkamer geuite mening - inhoudende dat hij niet terug wil naar zijn moeder in Zuid-Afrika - rekening wordt gehouden.

De rechtbank acht het voorts van belang dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek verricht naar de vraag of een beschermingsmaatregel geïndiceerd is. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de leerplichtambtenaar in verband met schoolverzuim van de minderjarige een melding heeft gedaan bij het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) en dat ook de vader zich heeft gewend tot het AMK in verband met de psychische problemen van de minderjarige. Op de voortzetting van de terechtzitting heeft de moeder gesteld dat het AMK het onderzoek naar aanleiding van deze meldingen - dat inmiddels was gesloten - weer heeft heropend naar aanleiding van het verslag dat de moeder aldaar heeft gedaan van het contact met de minderjarige op 12 februari 2008. Het baart de rechtbank zorgen dat de vader de minderjarige weghoudt van de moeder en dat de vader door zijn vertrek met de minderjarige naar een vakantiepark de minderjarige van school heeft gehouden.

Ten slotte acht de rechtbank het van belang dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoekt, voor het geval de rechtbank de teruggeleiding van de minderjarige naar Zuid-Afrika zal weigeren en daarmede bevoegd zal zijn te beslissen omtrent de verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling, welke omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige in het belang is van de minderjarige.

Voor het onderzoek ten aanzien van de omgangsregeling is het volgende van belang.

Als omgangsregeling heeft de moeder voorgesteld vast te stellen dat de minderjarige gedurende de volledige zomervakantie, alsmede gedurende de helft van de meivakantie en de helft van de kerstvakantie dan wel deze laatste twee vakanties om en om bij haar in Zuid-Afrika verblijft.

Bij monde van zijn advocaat heeft de vader te kennen gegeven dat een dergelijke omgangsregeling niet bespreekbaar is. De vader meent dat wanneer de minderjarige naar Zuid-Afrika gaat hij de minderjarige nooit meer zal zien. Volgens de vader heeft dit zijn weerslag op de relatie tussen hem en de minderjarige, hetgeen niet in het belang is van de minderjarige. De vader heeft voorgesteld dat de moeder voor bijvoorbeeld twee weken naar Nederland komt. De moeder kan de minderjarige dan een paar dagen per week zien, zonder dat de vader daarbij aanwezig is.

Partijen zijn het er wel over eens dat de moeder wekelijks telefonisch of per e-mail contact met de minderjarige zal hebben. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen hieraan reeds uitvoering zullen geven en dat de vader zich niet met dit contact tussen de moeder en de minderjarige zal bemoeien.

Op grond van het vorengaande verzoekt de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming gelet op de aard van de zaak met spoed een onderzoek te verrichten naar de volgende vragen:

- in hoeverre is sprake van worteling van de minderjarige in zijn nieuwe omgeving? Bij worteling gaat het zowel om de fysieke als emotionele band met de nieuwe omgeving. Het gaat niet alleen om het nieuwe 'gezinsverband', maar ook om meer externe relaties, zoals overige familie, vriendjes, school en sport;

- in hoeverre kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, uitgegaan worden van een leeftijd en mate van rijpheid van de minderjarige, die rechtvaardigt dat met zijn mening, i.c. zijn verzet tegen een terugkeer naar Zuid-Afrika, rekening wordt gehouden;

- zijn er redenen om een beschermingsmaatregel te treffen;

- en indien de rechtbank het verzoek tot teruggeleiding naar Zuid Afrika afwijst: welke omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige is in het belang van de minderjarige.

De rechtbank verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming daarover te rapporteren en te adviseren en zij zal de zaak daartoe aanhouden als na te melden.

BESLISSING

De rechtbank:

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming met spoed een onderzoek te verrichten ter fine als hierboven overwogen en daarover te rapporteren en te adviseren uiterlijk twee dagen vóór na te melden zittingsdatum;

bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de gedingstukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;

bepaalt dat de behandeling ter terechtzitting, ná ontvangst van het rapport en advies, op vrijdag 18 april 2008 om 9.30 uur zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs R.G. de Lange-Tegelaar, C.F. Mewe en A.C. Olland, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2008.