Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7439

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-02-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
301918 HA/RK 08-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking politierechter ingevolge art. 513 Wetboek van Strafvordering. Verzoek toegewezen. Tijdens de zitting waarop de strafzaak tegen verzoeker inhoudelijk werd behandeld heeft de politierechter verzoeker meegedeeld dat hij zijn verklaring niet geloofde en dat hij het jegens verzoeker fair vond om dit gevoelen uit te spreken en daarmee verzoeker uit te nodigen een meer aannemelijke verklaring af te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de opmerkingen van de politierechter zo dicht aanliggen tegen - eerst na het onderzoek ter terechtzitting te beantwoorden - schuldvraag, dat sprake is van een object gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Dit betekent dat, nu iedere schijn van partijdigheid of vooringenomenheid dient te worden vermeden, het verzoek tot wraking dient te worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnr. 2008/1

rekestnummer: 301918 HA/RK 08-20

parketnummer: 09/655842-06

datum beschikking: 11 februari 2008

BESCHIKKING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

raadsvrouwe: mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam;

tegen

Mr. [X],

rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector strafrecht.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoeker is gedagvaard om ter terechtzitting van 01 juni 2007 te verschijnen voor de politierechter in deze rechtbank. Op de terechtzitting is verzoeker niet verschenen en is het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst, omdat de toenmalige raadsman van verzoeker verhinderd was om op de zitting aanwezig te zijn.

De inhoudelijke behandeling van de zaak is vervolgens in aanwezigheid van verzoeker aangevangen op de terechtzitting van 12 december 2007. Tijdens deze inhoudelijke behandeling heeft de raadsvrouwe van verzoeker de wraking van behandelend politierechter mr. [X] verzocht.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 28 januari 2008 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Namens verzoeker is verschenen mr. Slijters voormeld, die het wrakingsverzoek aan de hand van de door haar overgelegde pleitnotities heeft toegelicht. Officier van justitie mr. [Y] is verschenen en heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Mr. [X] voormeld is niet verschenen, maar heeft bij schrijven van 21 december 2007 zijn zienswijze ten aanzien van het wrakingsverzoek uiteengezet, zoals hierna onder 4. - zakelijk weergegeven - vermeld.

3. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker stelt zich bij monde van mr. Slijters op het standpunt dat mr. [X] door herhaaldelijk op de zitting mee te delen dat hij de verklaring, die verzoeker op de zitting had afgelegd, ongeloofwaardig achtte en door verzoeker vervolgens uit te nodigen tot het afleggen van een meer aannemelijke verklaring blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker of op zijn minst de objectieve schijn heeft gewekt dat hij zich reeds een oordeel over die verklaring had gevormd, waardoor bij verzoeker de vrees dat de politierechter jegens hem een vooringenomenheid koesterde objectief gerechtvaardigd is.

4. Het standpunt van mr. [X]

Mr. [X] heeft bij schrijven van 21 december 2007 te kennen gegeven dat hij niet in de wraking berust.

Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij verzoeker met zijn mededeling dat hij diens verklaring ongeloofwaardig vond, aan de tand wilde voelen en dat het zijns inziens niet in overeenstemming met een goede procesorde is om daarvan in voorkomende gevallen geen mededeling te doen en verdachte in de waan te laten dat zijn verklaring geen twijfel oproept. Hoewel de bewoordingen wat minder confronterend gekozen hadden kunnen worden, zou de strekking dezelfde gebleven zijn. Zelfs indien zijn opmerking ongenuanceerd zou zijn, zou daaruit geen vooringenomenheid jegens verzoeker kunnen worden afgeleid.

5. Beoordeling

5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonder-lijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 De rechtbank stelt voorop dat het een strafrechter vrijstaat om een verdachte te confronteren met bewijsmateriaal dat niet strookt met de verklaring van verdachte en dat de strafrechter zich daarbij mag bedienen van een scherpe en kritische vraagstelling.

In het onderhavige geval heeft de politierechter zich echter, zoals blijkt uit het proces-verbaal, niet van een confronterende en kritische ondervraging bediend, maar heeft hij verzoeker meegedeeld dat hij zijn verklaring niet geloofde en dat hij het jegens verzoeker fair vond om dit gevoelen uit te spreken en daarmee verzoeker uit te nodigen een meer aannemelijke verklaring af te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de opmerkingen van de politierechter zo dicht aanliggen tegen - eerst na het onderzoek ter terechtzitting te beantwoorden - schuldvraag, dat sprake is van een object gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid. Dit betekent dat, nu iedere schijn van partijdigheid of vooringenomenheid dient te worden vermeden, het verzoek tot wraking dient te worden toegewezen.

5.3 Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking toe;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde in artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

* de verzoeker p/a zijn raadsvrouwe mr. A.N. Slijters;

* mr. [X];

* mr. [Y].

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 11 februari 2008 door

mrs D.H. von Maltzahn, J.G.J. Brink en Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechters, in tegenwoordigheid van mr M. Gest als griffier.