Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7383

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
305381 / KG 08-254
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres' vordering tot ingebruikneming van het perceelgedeelte van gedaagde door eiseres voorafgaand aan het onherroepelijk worden van het eindvonnis in de onteigeningsprocedure. De eigendom van een perceel gaat ingevolge de Onteigeningswet eerst door inschrijving van een onteigeningsvonnis over op de onteigenaar. Deze inschrijving dient binnen twee maanden nadat het vonnis gezag van gewijsde heeft verkregen te geschieden, hetgeen hier niet is gebeurd. Overdracht van de eigendom van het perceel is, nu de inschrijving niet (tijdig) heeft plaatsgevonden, pas weer mogelijk nadat het eindvonnis van de rechtbank over de schadeloosstelling betreffende de onteigening gezag van gewijsde heeft verkregen.

Eiseres kan op dit moment de eigendom van het perceelgedeelte niet, althans niet zonder medewerking van gedaagden, verwerven. Toewijzing van de vordering komt daarom neer op een inbreuk op het eigendomsrecht van gedaagden, maar dat staat op zich zelf aan een belangenafweging niet in de weg, temeer nu als uitgangspunt heeft te gelden dat gedaagden de eigendom van het perceelgedeelte hoe dan ook zullen gaan verliezen aangezien in de voor deze rechtbank aanhangige onteigeningsprocedure uitsluitend nog de schadeloosstelling maar niet de onteigening zelf ter discussie staat. Uiteraard zullen wel, gezien de ernst van die inbreuk, enerzijds zware eisen gesteld dienen te worden aan de toetsing van de belangen van eiseres en moet anderzijds duidelijk zijn dat de belangen van gedaagden bij het voorkomen van de inbreuk op hun eigendomsrecht daar beduidend ondergeschikt aan zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 14 maart 2008,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer 305381 / KG 08-254 van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

De Provincie Zuid-Holland,

zetelende te Den Haag,

eiseres,

procureur mr. H.J.M. Besselink,

tegen:

1. [gedaagde sub 1],

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [G1],

gedaagden,

procureur mr. C.M.E. Verhaegh.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 7 maart 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Gedaagden hebben in eigendom het perceel kadastraal bekend gemeente [G1] sectie [sectie], nr. [nummer] (wonen, terrein (akkerbouw)).

1.2. Bij Koninklijk Besluit van 2 september 2005 is een aantal onroerende zaken ten algemenen nutte en ten name van de provincie Zuid-Holland ter onteigening aangewezen op grond van artikel 72a Onteigeningswet (hierna: OW), dit ten behoeve van de omleiding van de provinciale weg N[X] (hierna: de N[X]) in de gemeenten [G1] en [G2].

1.3. In dit Koninklijk Besluit is onder meer een perceelgedeelte ter grootte van 03.00.95 ha van het hiervoor onder 1.1 genoemd perceel van gedaagden ter onteigening ten algemenen nutte aangewezen (hierna: het perceelgedeelte).

1.4. Deze rechtbank heeft bij beschikking 11 augustus 2005 in het kader van een vervroegde plaatsopneming als bedoeld in artikel 54a e.v. OW een rechter-commissaris en drie deskundigen benoemd. De vervroegde plaatsopneming heeft plaatsgevonden op 8 september 2005.

1.5. Eiseres heeft gedaagden op 7 november 2005 doen dagvaarden voor deze rechtbank en gevorderd de vervroegde onteigening uit te spreken van het perceelgedeelte van gedaagden. Bij onteigeningsvonnis van 22 februari 2006 is de vordering tot onteigening toegewezen, waarbij het voorschot op de schadeloosstelling is bepaald op € 259.471,-- en de te stellen zekerheid op € 28.300,--.

1.6. De hiervoor onder 1.4. genoemde deskundigen hebben in het concept-deskundigenrapport van 2 maart 2006 geconcludeerd tot een bedrag aan schadeloosstelling ter grootte van € 270.850,-- te vermeerderen met rente.

1.7. Gedaagden hebben tegen het onder 1.5 genoemde onteigeningsvonnis cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft dit cassatieberoep bij arrest van 28 september 2007 verworpen. Het onteigeningsvonnis is daarmee in kracht van gewijsde gegaan.

1.8. Eiseres heeft verzuimd het vonnis tijdig te doen inschrijven in de openbare registers zoals bedoeld in artikel 54m OW.

1.9. Partijen hebben geen overeenstemming weten te bereiken over de hoogte van de door eiseres aan gedaagden te betalen schadeloosstelling. Eiseres heeft daarom de onteigeningszaak weer aan de rechtbank voorgelegd. Bij beschikking van 14 januari 2008 heeft voormelde rechter-commissaris van deze rechtbank onder meer bepaald dat het pleidooi van partijen zal worden gehouden op 19 mei 2008.

1.10. Het bestemmingsplan 'omleidingsweg N[X]' van de gemeente [G1] is op 17 mei 2005 goedgekeurd door de Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) heeft dit besluit op 28 juni 2006 vernietigd, omdat het besluit in strijd was met het Besluit luchtkwaliteit 2005. Gedeputeerde Staten hebben een hernieuwd besluit genomen. Tegen dit hernieuwde besluit is opnieuw beroep ingesteld bij de Raad van State. Een dergelijk beroep heeft geen schorsende werking.

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiseres vordert - zakelijk weergegeven - gedaagden te veroordelen om binnen één dag na betekening van dit vonnis het perceelgedeelte aan eiseres in gebruik te geven en te dulden dat dit perceelgedeelte door eiseres voorafgaand aan het onherroepelijk worden van het eindvonnis in de onteigeningsprocedure I) wordt gebruikt voor werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de N[X] en II) bij gereedkomen van de werkzaamheden als provinciale weg in gebruik wordt genomen, met bepaling dat eiseres aan gedaagden per direct het voorschotbedrag op de schadeloosstelling zal betalen, alsmede dat het bedrag aan zekerheid zal worden gesteld, zoals in het vonnis van 22 februari 2006 is bepaald. Alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2. Daartoe voert eiseres het volgende aan.

Gedaagden handelen onrechtmatig jegens eiseres door de start van de werkzaamheden voor de aanleg van de N[X] tegen te houden. Hoewel eiseres heeft nagelaten het onteigeningsvonnis tijdig in te schrijven, waardoor zij op dit moment de eigendom van het perceelgedeelte nog niet kan verkrijgen, hebben gedaagden geen redelijk belang bij voortgezet gebruik van het perceelgedeelte. De inschrijving heeft niet plaatsgevonden, omdat partijen in onderhandeling waren. Daarnaast is de ratio achter de inschrijvingstermijn dat er rechtszekerheid wordt gecreëerd voor de onteigende of de onteigening al dan niet wordt voortgezet. In dit geval is eiseres altijd duidelijk geweest dat de onteigening daadwerkelijk nodig is en zal worden gerealiseerd. Eiseres heeft daarenboven grote belangen bij realisering van de N[X] op korte termijn, nu zij, Rijkswaterstaat, bewoners in de omgeving en andere weggebruikers van de N[X] gebaat zijn bij verbetering van de huidige verkeersonveilige situatie ter plaatse van de N[X] bij de dorpskern [G1] en de aansluiting A[Y]/[G1] [G2]. Dorpbewoners zullen daarnaast verlost worden van geluids- en trillingshinder veroorzaakt door zwaar vrachtverkeer. Uit de bij dagvaarding overgelegde planning volgt dat de startdatum van de werkzaamheden begin maart 2008 is. Indien eiseres van het perceelgedeelte gebruik kan maken kan zij ook daadwerkelijk met de werkzaamheden beginnen, aangezien de overige benodigde percelen reeds daadwerkelijk onteigend zijn. Alvorens op het perceelgedeelte de N[X] aangelegd kan worden moet de grond eerst gedurende een lange periode voorbelast worden met zand, zodat de grond kan inklinken. Wachten tot het eindvonnis in kracht van gewijsde is gegaan, zal aanzienlijke vertraging met zich brengen en dit leidt tot extra financiële lasten voor eiseres en problemen in de coördinatie met de werkzaamheden van Rijkswaterstaat aan het Rijkswegennet. Ook indien vervroegde ingebruikname een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van gedaagden zou opleveren dan behoort deze op grond van zwaarwegende maatschappelijke belangen te worden geduld. Planologisch zijn de werkzaamheden toegestaan. Het ingestelde beroep bij de Raad van State heeft immers geen schorsende werking. Voor zover gedaagden schade lijden door verlies van inkomsten, dan is eiseres bereid die schade te vergoeden.

2.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Gedaagden hebben als verweer aangevoerd dat de vorderingen van eiseres spoedeisend belang ontberen. Anders dan gedaagden hebben betoogd, heeft eiseres voldoende gesteld ter onderbouwing van haar belang bij een voorziening in kort geding. Daartoe verwijst de voorzieningenrechter naar het hiervoor onder 2.2 weergegeven betoog van eiseres waartegen gedaagden onvoldoende hebben ingebracht. Dit verweer wordt daarom verworpen.

3.2. Vooropgesteld wordt dat ingevolge de OW de eigendom van een perceel eerst door inschrijving van een onteigeningsvonnis, dat gezag van gewijsde heeft verkregen, op de onteigenaar overgaat. Het onteigeningsvonnis van 22 februari 2006 heeft door het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2007 gezag van gewijsde verkregen. Voormelde inschrijving door eiseres had echter binnen twee maanden nadat het vonnis gezag van gewijsde heeft verkregen dienen te geschieden. Overdracht van de eigendom van het perceel is, nu de inschrijving niet (tijdig) heeft plaatsgevonden, pas weer mogelijk nadat het eindvonnis van de rechtbank over de schadeloosstelling betreffende de onteigening gezag van gewijsde heeft verkregen.

3.3. Uit het voorgaande volgt dat eiseres op dit moment de eigendom van het perceelgedeelte niet, althans niet zonder medewerking van gedaagden, kan verwerven. Toewijzing van de vordering komt daarom neer op een inbreuk op het eigendomsrecht van gedaagden, maar dat staat op zich zelf aan een belangenafweging niet in de weg, temeer nu als uitgangspunt heeft te gelden dat gedaagden de eigendom van het perceelgedeelte hoe dan ook zullen gaan verliezen aangezien in de voor deze rechtbank aanhangige onteigeningsprocedure uitsluitend nog de schadeloosstelling maar niet de onteigening zelf ter discussie staat. De omstandigheid dat eiseres door eigen nalaten in deze situatie is beland, doet hier niet aan af. De enkele omstandigheid dat eiseres hangende de onderhandelingen met gedaagden het hiervoor onder 1.5 bedoelde vonnis niet overeenkomstig de OW heeft ingeschreven betekent immers nog niet dat zij bij haar vorderingen geen rechtens te respecteren belang heeft. Uiteraard zullen wel, gezien de ernst van die inbreuk, enerzijds zware eisen gesteld dienen te worden aan de toetsing van de belangen van eiseres en moet anderzijds duidelijk zijn dat de belangen van gedaagden bij het voorkomen van de inbreuk op hun eigendomsrecht daar beduidend ondergeschikt aan zijn.

3.4. Voldoende aannemelijk is dat met het nieuwe tracé van de N[X] een aanzienlijk maatschappelijk en publiek belang is gemoeid. Het gaat om een omvangrijk project dat van groot belang is voor de verkeerssituatie in de gemeente [G1] en omgeving. Toetsing en erkenning van dat belang volgt ook uit de goedkeuring van het onteigeningsbesluit door de Kroon en uit de beslissing tot vervroegde onteigening van deze rechtbank. Indien met de voltooiing van het project gewacht dient te worden tot een eindvonnis dat enkel nog betrekking heeft op de hoogte van de schadeloosstelling gezag van gewijsde heeft verkregen, zal die voltooiing aanzienlijke vertraging oplopen. De overlast van het verkeer voor de dorpskern van [G1] zal daardoor worden verlengd. Het proberen in te korten van de duur van die overlast is eveneens een relevant maatschappelijk belang. Aannemelijk is ook dat Rijkswaterstaat problemen zal ondervinden in de coördinatie van de werkzaamheden aan overige Rijkswegen. Voorts is voldoende aangetoond, hetgeen overigens ook algemeen bekend is, dat vertraging van het project zal leiden tot aanzienlijke extra financiële lasten, onder meer bestaand uit renteverlies, verhoging van de verwervingskosten van het project en dergelijke. Die lasten zullen in belangrijke mate voor rekening van eiseres komen en zijn mede redengevend voor de vraag of gedaagden onrechtmatig handelen door hun beroep op hun eigendomsrecht.

Tegenover die belangen staat als eerste het recht van gedaagden om in beginsel over hun eigendom te beschikken zoals hun goeddunkt. Dat recht is echter door het onteigeningsvonnis niet meer absoluut. In feite kunnen zij die rechten nog maar beperkt uitoefenen nu onteigening onafwendbaar is. Ter zitting is gebleken dat zij het perceelgedeelte nog feitelijk als akkerland gebruiken nu het is ingezaaid met graan. Gedaagden hebben aangevoerd in dat verband een financieel belang te hebben. Eiseres heeft echter voor eventueel oogstverlies compensatie van de schade aangeboden. Het financieel belang van gedaagden zal dus worden gecompenseerd indien het perceel thans door eiseres in gebruik zou worden genomen. Als tweede belang geldt dat zij er vooralsnog van uitgaan dat de N[X] niet zal worden aangelegd, daar zij hun hoop hebben gevestigd op de uitspraak van de Raad van State in de beroepsprocedure tegen het hernieuwde goedkeuringsbesluit van Gedeputeerde Staten. Daar staat het volgende tegenover. Het beroep bij de Raad van State heeft geen schorsende werking. Gedaagden hebben bij de Raad van State geen schorsingsverzoek ingediend. Daarnaast is niet weersproken dat het beroep zoals thans aan de orde bij de Raad van State enkel nog ziet op de milieuberekeningen die in het eerste goedkeuringsbesluit onvoldoende inzicht boden in de invloed van het plan op de ter plaatse aanwezige concentratie stikstofdioxide. De voorzieningenrechter neemt dan ook tot voorlopig uitgangspunt dat de aanleg van de N[X] als zodanig is goed bevonden door de Raad van State. Voorts hebben gedaagden als derde belang aangevoerd dat de hoogte van de schadeloosstelling nog niet vaststaat en het in gebruik laten nemen van het perceelgedeelte zou kunnen leiden tot waardevermindering indien door toedoen van eiseres de grond zou worden vervuild. Dat is echter een niet te respecteren belang. De waardebepaling van het perceelgedeelte heeft immers al plaatsgevonden door de plaatsopneming van 8 september 2005. Niet aannemelijk is dat eiseres de ingebruikneming zou misbruiken om een lagere schadeloosstelling te kunnen bewerkstelligen. De onteigeningsprocedure biedt voor gedaagden op dat gebied ook voldoende waarborgen. Voorts spreekt het voor zich en dient ook uitgangspunt te zijn, dat de gevolgen van het gebruik van de grond door eiseres geheel voor haar rekening behoren te komen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat, zoals ook ter zitting besproken, eiseres dit uitgangspunt te allen tijde respecteert.

3.5. Naar voorlopig oordeel wegen, het voorgaande in aanmerking genomen, voorshands de belangen van eiseres in dit geval aanzienlijk zwaarder dan die van gedaagden. Dit leidt tot de conclusie dat gedaagden onder de hiervoor gegeven omstandigheden onrechtmatig handelen jegens eiseres door niet in te stemmen met de gevorderde ingebruikname. Dat betekent dat de vorderingen van eiseres zullen worden toegewezen. Eiseres heeft aangegeven dat zij contractueel gehouden is de gronden op uiterlijk 15 maart 2008 aan de aannemer ter beschikking te stellen. Dat is wel op heel korte termijn. Nu eiseres heeft aangegeven dat in deze termijn nog wel enige speling zit, zal de voorzieningenrechter gedaagden een termijn van twee weken gunnen. In de omschrijving van het perceelgedeelte waarom het hier gaat zal de voorzieningenrechter aansluiten bij de omschrijving in het hiervoor onder 1.5 bedoelde vonnis.

3.6. Voor toewijzing van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, nu gedaagden ter zitting hebben aangegeven zich te zullen conformeren aan de onderhavige beslissing.

3.7. Gedaagden zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt gedaagden om met ingang van de dag gelegen twee weken na betekening van dit vonnis het perceelgedeelte ter grootte van 3 hectare 95 centiare van het kadastrale perceel gemeente [G1] (wonen, terrein, [akkerbouw]), sectie [sectie], nr. [nummer], in totaal groot 12 hectare 49 are 90 centiare (grondplannummer 12), één en ander zoals weergegeven op de aan het onder 1.5 bedoelde vonnis gehechte kaartuitsnede, aan eiseres in gebruik te geven en te dulden dat dit perceelgedeelte door eiseres voorafgaand aan het onherroepelijk worden van het eindvonnis in de onteigeningsprocedure met rolnr. 05/3590:

I) wordt gebruikt voor werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van de N[X], en

II) bij gereedkomen van de werkzaamheden als provinciale weg in gebruik wordt genomen;

bepaalt dat eiseres aan gedaagden per omgaand de onder II en III van het dictum van het onder 1.5 bedoelde vonnis genoemde bedragen dient te betalen;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van eiseres begroot op € 1.155,44, waarvan € 816,-- aan salaris procureur, € 254,-- aan griffierecht en € 85,44 aan dagvaardingskosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.T. Nijhuis en uitgesproken ter openbare zitting van 14 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

nve