Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7073

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
AWB 08-6551
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / gedwongen uitzetting naar Iran / geen originele documenten / geen zicht op uitzetting

Namens eiser is betoogd dat gedwongen terugkeer naar Iran uitsluitend mogelijk is indien eiser in het bezit is van documenten. Eiser – hij is een uitgeprocedeerde asielzoeker – bezit deze niet en verkeert ook niet in de mogelijkheid om daarvan in het bezit te komen, nu zijn ouders in Canada wonen en zijn broer in Zweden. Kans op afgifte van een LP is derhalve gering. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat eiser heeft geweigerd om een laissez passer-formulier in te vullen en dat in verband daarmee de laissez passer-aanvraag door de regievoerder is ingevuld. Verweerder heeft erop gewezen dat in 2007 weliswaar geen Iraniërs zonder documenten zijn uitgezet, doch dat uitzetting niet onmogelijk is. Eind 2007 zijn er afspraken gemaakt met de Iraanse autoriteiten. De rechtbank heeft het onderzoek m.t.v. art. 8:68 Awb heropend. Verweerder heeft vervolgens verklaard dat gedwongen terugkeer naar Iran mogelijk is wanneer een Iraniër beschikt over een origineel document waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijkt, bijvoorbeeld een identiteits (geboorte)boekje, rijbewijs, verlopen paspoort of militaire afzwaaikaart. Iraniërs worden op deze documenten gedwongen naar Iran verwijderd. Sedert 2001 zijn aldus 40 Iraniërs teruggegaan. In 2007 zijn geen Iraniërs met origineel document verwijderd, aldus verweerder. Met betrekking tot de afspraken die met de Iraanse autoriteiten zijn gemaakt heeft verweerder erop gewezen dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) werkafspraken heeft gemaakt met de Iraanse ambassade. Deze afspraken zien enkel op de wijze van presentatie van (gestelde) Iraanse onderdanen. Namens verweerder is niet weersproken dat de identiteit van eiser op het moment van inbewaringstelling bekend was. Eiser heeft immers enkele jaren rechtmatig verblijf gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met l van de Vw 2000 en eiser is vanwege diverse gevangenisstraffen geruime tijd binnen de macht van verweerder geweest. Verder was verweerder op het moment van inbewaringstelling ervan op de hoogte – althans verweerder had dit kunnen en derhalve moeten zijn – dat verwijdering naar Iran uitsluitend met originele documenten kan plaatsvinden en dat er in 2007 geen Iraniërs – kennelijk ook geen Iraniërs met originele documenten – gedwongen zijn verwijderd. Aldus kan niet worden gezegd dat zicht op uitzetting bestaat. De omstandigheid dat eiser niet aan zijn uitzetting wil meewerken doet hieraan niet af. In dat verband is van belang dat eiser heeft gesteld dat zijn ouders in Canada en zijn broer in Zweden woonachtig zijn, waardoor hij van die zijde geen hulp kan krijgen bij het verkrijgen van documenten. Weliswaar valt daarmee niet met zekerheid te zeggen dat uitgesloten moet worden geacht dat hij de vereiste documenten kan verkrijgen, maar bij het ontbreken van concrete aanwijzingen in een andere richting kan evenmin worden gezegd dat het louter van eisers medewerking afhankelijk is dat of hij al dan niet over de benodigde documenten kan beschikken. Een vreemdeling als eiser kan onder deze omstandigheden niet in bewaring worden gehouden totdat hij heeft aangetoond dat reële pogingen tot het verkrijgen van documenten vruchteloos zijn gebleken. Beroep gegrond. Ophefffing bewaring. Toekenning schadevergoeding vanaf aanvang bewaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/6551

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2008

inzake

[eiser] dan wel [alias],

geboren op [geboortedatum] 1964,

van Iraanse nationaliteit,

verblijvende in het DTC te Alpen aan de Rijn,

eiser,

gemachtigde mr. D.G. Metselaar,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Zeeman.

Procesverloop

Op 22 februari 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 22 februari 2008 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank op 5 maart 2008 met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere vragen te beantwoorden.

Verweerder heeft bij brief van 10 maart 2008 gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft hierop bij brief van diezelfde datum gereageerd.

Partijen hebben toestemming verleend om uitspraak te doen zonder nadere zitting als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is – kort weergegeven – dat de identiteit van eiser bij verweerder reeds bekend was. Gedwongen terugkeer naar Iran is uitsluitend mogelijk indien eiser in het bezit is van documenten. Eiser – hij is een uitgeprocedeerde asielzoeker – bezit deze niet en verkeert ook niet in de mogelijkheid om daarvan in het bezit te komen, nu zijn ouders in Canada wonen en zijn broer in Zweden. Nu de Iraanse autoriteiten terughoudend zijn met het terugnemen van vreemdelingen, is de kans op afgifte van een laissez-passer gering.

3. Verweerder heeft erop gewezen dat eiser heeft geweigerd om een laissez passer-formulier in te vullen. In verband hiermee is de laissez passer-aanvraag door de regievoerder ingevuld. Verweerder wijst erop dat in 2007 weliswaar geen Iraniërs zonder documenten zijn uitgezet, doch dat uitzetting niet onmogelijk is. Eind 2007 zijn er afspraken gemaakt met de Iraanse autoriteiten.

4. Desgevraagd heeft verweerder schriftelijk medegedeeld dat gedwongen terugkeer naar Iran mogelijk is wanneer een Iraniër beschikt over een origineel document waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijkt, bijvoorbeeld een identiteits (geboorte)boekje, rijbewijs, verlopen paspoort of militaire afzwaaikaart. Iraniërs worden op deze documenten gedwongen naar Iran verwijderd. Sedert 2001 zijn aldus 40 Iraniërs teruggegaan. In 2007 zijn geen Iraniërs met origineel document verwijderd, aldus verweerder. Met betrekking tot de afspraken die met de Iraanse autoriteiten zijn gemaakt heeft verweerder erop gewezen dat de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) werkafspraken heeft gemaakt met de Iraanse ambassade. Deze afspraken zien enkel op de wijze van presentatie van (gestelde) Iraanse onderdanen.

5. Namens verweerder is niet weersproken dat de identiteit van eiser op het moment van inbewaringstelling bekend was. Eiser heeft immers enkele jaren rechtmatig verblijf gehad op grond van artikel 8, onder a tot en met l van de Vw 2000 en eiser is vanwege diverse gevangenisstraffen geruime tijd binnen de macht van verweerder geweest. Verder was verweerder op het moment van inbewaringstelling ervan op de hoogte – althans verweerder had dit kunnen en derhalve moeten zijn – dat verwijdering naar Iran uitsluitend met originele documenten kan plaatsvinden en dat er in 2007 geen Iraniërs – kennelijk ook geen Iraniërs met originele documenten – gedwongen zijn verwijderd. Aldus kan niet worden gezegd dat zicht op uitzetting bestaat. De omstandigheid dat eiser niet aan zijn uitzetting wil meewerken doet hieraan niet af. In dat verband is van belang dat eiser heeft gesteld dat zijn ouders in Canada en zijn broer in Zweden woonachtig zijn, waardoor hij van die zijde geen hulp kan krijgen bij het verkrijgen van documenten. Weliswaar valt daarmee niet met zekerheid te zeggen dat uitgesloten moet worden geacht dat hij de vereiste documenten kan verkrijgen, maar bij het ontbreken van concrete aanwijzingen in een andere richting kan evenmin worden gezegd dat het louter van eisers medewerking afhankelijk is dat of hij al dan niet over de benodigde documenten kan beschikken. Een vreemdeling als eiser kan onder deze omstandigheden niet in bewaring worden gehouden totdat hij heeft aangetoond dat reële pogingen tot het verkrijgen van documenten vruchteloos zijn gebleken.

6. Gelet op het voorgaande moet de bewaring, wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, van aanvang af onrechtmatig worden geacht en dient het beroep gegrond te worden verklaard.

7. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

8. Uitgangspunt bij de vaststelling van de schadevergoeding vormt de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak betreffende de vergoeding van immateriële schade bij inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, die uitgaat van een schadevergoeding van € 95,00 voor elke dag die in een politiecel is doorgebracht en van € 70,00 voor elke dag die in een huis van bewaring is doorgebracht.

9. Nu de bewaring blijkens het voorgaande van aanvang af onrechtmatig is, acht de rechtbank gronden van billijkheid aanwezig om eiser schadevergoeding toe te kennen.

10. Overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 10 maart 2008, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding, zodat eiser over de periode van 22 februari 2008 tot en met 9 maart 2008 schadevergoeding toekomt. In totaal bedraagt de schadevergoeding 17 x € 95,00 is € 1615,00.

11. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

12. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 10 maart 2008;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe, ten laste van de Staat der Nederlanden, ten bedrage van € 1615,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van G.C.A. Dingemans Wierts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2008.

Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1615,00 (ZEGGE: ÉÉNDUIZENDZESHONDERDVIJFTIEN EURO)

Aldus gedaan op 10 maart 2008 door mr. A.B.M. Hent.