Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC7069

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
19-03-2008
Zaaknummer
AWB 08-6546
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / EU-onderdaan / art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw 2000

Eiser heeft aangevoerd dat hij de Poolse nationaliteit heeft en dat hij derhalve EU-onderdaan is. Op grond hiervan heeft hij vrijelijk toegang tot Nederland, voor zover hij zich beroept op het vrije verkeer van burgers. Verwijdering van eiser is slechts mogelijk indien er sprake is van actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Uit artikel 27 van de Richtlijn 2004/38 alsmede artikel 3 van de Richtlijn 64/221 EEG volgt dat strafrechtelijke veroordelingen als zodanig geen reden voor verwijdering vormen. Gebleken is dat verweerder bij beschikking van 21 februari 2008 eisers verblijfsrecht op grond van artikel 27, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG heeft beëindigd en eiser ongewenst heeft verklaard. Eiser heeft tegen deze beschikking bij verweerder bezwaar gemaakt alsmede de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal op 18 maart 2008 worden behandeld. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige procedure niet de rechtmatigheid van het genoemde besluit tot beëindiging van eisers verblijf aan de orde kan worden gesteld. Die beoordeling dient plaats te vinden in de bezwaarschriftprocedure en de procedure ter beoordeling van het ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De argumenten die eiser in dat verband onder verwijzing naar de artikelen 27 en 28 van de Richtlijn 2004/38/EG heeft aangevoerd zullen dan ook in die procedures beoordeeld moeten worden. Het EU-burgerschap staat op zich niet aan de maatregel van bewaring in de weg. Met name artikel 31 van de Richtlijn 2004/38/EG vormt daartoe geen belemmering, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op korte termijn zal worden behandeld. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten. Gelet op het voorgaande wordt de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 rechtmatig geoordeeld. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNVR 2008/77

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 08/6546

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2008

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1986,

van Poolse nationaliteit,

verblijvende te Rotterdam in de penitentiaire inrichting (detentieboot),

eiser,

gemachtigde mr. M. van Olffen,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. A. Zeeman.

Procesverloop

Op 22 februari 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 22 februari 2008 is namens eiser tegen zijn inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 4 maart 2008, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

2. Namens eiser is – kort weergegeven – aangevoerd dat eiser de Poolse nationaliteit heeft en dat hij derhalve EU onderdaan is. Op grond hiervan heeft eiser vrijelijk toegang tot Nederland, voor zover hij zich beroept op het vrije verkeer van burgers. Verwijdering van eiser is slechts mogelijk indien er sprake is van actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Uit artikel 27 van de Richtlijn 2004/38 alsmede artikel 3 van de Richtlijn 64/221 EEG volgt dat strafrechtelijke veroordelingen als zodanig geen reden voor verwijdering vormen.

3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder bij beschikking van 21 februari 2008 eisers verblijfsrecht op grond van artikel 27, eerste lid, van Richtlijn 2004/38/EG heeft beëindigd en eiser ongewenst heeft verklaard. Eiser heeft tegen deze beschikking bij verweerder bezwaar gemaakt alsmede de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal op 18 maart 2008 worden behandeld.

4. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige procedure niet de rechtmatigheid van het genoemde besluit tot beëindiging van eisers verblijf aan de orde kan worden gesteld. Die beoordeling dient plaats te vinden in de bezwaarschriftprocedure en de procedure ter beoordeling van het ingediende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. De argumenten die eiser in dat verband onder verwijzing naar de artikelen 27 en 28 van de Richtlijn 2004/38/EG heeft aangevoerd zullen dan ook in die procedures beoordeeld moeten worden. Het EU-burgerschap staat op zich niet aan de maatregel van bewaring in de weg. Met name artikel 31 van de Richtlijn 2004/38/EG vormt daartoe geen belemmering, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op korte termijn zal worden behandeld.

5. Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

6. Gelet op het voorgaande moet de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

7. Het namens eiser ingediende verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu ingevolge artikel 106 van de Vw 2000 een dergelijk verzoek slechts kan worden toegewezen indien de rechtbank de opheffing van de bewaring beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van de maatregel wordt opgeheven, hetgeen in casu niet het geval is.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

9. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek om de Staat der Nederlanden te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van G.C.A. Dingemans Wierts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2008.