Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6678

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
rekestnummers 305451 / HA RK 08-202 en 305507 / HA RK 08-205
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek ingevolge art. 513 Wetboek van Strafvordering. Rechter-commissaris gewraakt omdat zij de schijn van partijdigheid heeft gewekt door haar handelswijze tijdens het verhoor van een getuige aan wie dubbel verschoningsrecht toekwam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummers 2008/06 en 2008/07

rekestnummers: 305451 / HA RK 08-202 en 305507 / HA RK 08-205

parketnummers: 09/758105-07 (kabinet RC) en 09/758108-07 (kabinet RC)

datum beschikking: 7 maart 2008

BESCHIKKING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[AZ],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. N. Harlequin;

en het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[BZ],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. I.A. van Straalen;

tegen

mr. [X],

rechter-commissaris in de rechtbank te 's-Gravenhage.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1 Verzoekers zijn, als verdachten in het zogenaamde "[Y]-onderzoek", gedagvaard om ter terechtzitting van 17 december 2007 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer van deze rechtbank. Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de meervoudige kamer het onderzoek in beide zaken geschorst en de zaken verwezen naar de rechter-commissaris voor, onder meer, het horen van 23 getuigen.

1.2 Mr. [X] heeft als rechter-commissaris het door de rechtbank bevolen onderzoek ter hand genomen. Daarbij heeft zij de te horen personen - voor zover van toepassing - steeds eerst gehoord als getuige en daarna als verdachte.

1.3 Op 22 februari 2008 heeft mr. [X] de heer [CZ], eveneens verdachte in het "[Y]-onderzoek", gehoord. Bij het verhoor van [CZ] als getuige waren mr. Harlequin en mr. Van Straalen als raadslieden van verzoekers in hun hoedanigheid van verdachten aanwezig. Na afloop van het verhoor van [CZ] als verdachte, waarbij mr. Harlequin en mr. Van Straalen niet aanwezig waren, zou mr. [X] verzoeker [BZ] horen. Bij dat verhoor zou mr. Harlequin aanwezig zijn als raadsvrouwe van verzoeker [AZ] in zijn hoedanigheid van verdachte en zou mr. Van Straalen aanwezig zijn als raadsman van [BZ] in zijn hoedanigheid van getuige.

1.4 Voorafgaand aan het verhoor van [BZ] hebben mr. Harlequin en mr. Van Straalen mr. [X] aangesproken op de gang van zaken tijdens het verhoor van [CZ] als getuige. Daarbij heeft, blijkens het proces-verbaal van verhoor, mr. Van Straalen gevraagd opmerkingen te mogen maken over het verhoor van getuige [CZ]. Mr. [X] heeft daarop gezegd dat eventuele opmerkingen over het verhoor van [CZ] op schrift dienden te worden gesteld. Mr. Van Straalen heeft gezegd dat zijn opmerkingen in de weg konden staan aan het verhoor van [BZ] als getuige. Hij heeft daarbij aangegeven dat er wat hem betreft sprake was van een "drietrapsraket" met als laatste trap wraking van mr. [X]. Mr. [X] heeft het maken van opmerkingen vervolgens wederom niet toegestaan.

1.5 Een en ander heeft geresulteerd in de (mondelinge) wraking van mr. [X] door mr. Harlequin, waarvan de gronden zijn opgenomen in het proces-verbaal van verhoor. Mr. [X] heeft daarop haar werkzaamheden in het door de rechtbank bevolen onderzoek gestaakt, zodat [BZ] en de daarop volgende getuigen niet meer zijn gehoord.

1.6 Mr. Van Straalen heeft mr. [X] nog diezelfde dag schriftelijk gewraakt.

1.7 Mr. [X] heeft op 25 februari 2008 schriftelijk gereageerd op de wrakingsverzoeken.

2. De mondelinge behandeling van de wrakingsverzoeken

Op 3 maart 2008 zijn de wrakingsverzoeken ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Mr. Harlequin en mr. Van Straalen zijn namens verzoekers verschenen en hebben de wrakingsverzoeken aan de hand van door hen overgelegde pleitaantekeningen toegelicht. Voorts is mr. [X] verschenen.

3. Het standpunt van verzoekers

3.1 Verzoeker [AZ] stelt zich bij monde van mr. Harlequin op het standpunt dat mr. [X] de schijn van partijdigheid heeft gewekt door haar handelwijze tijdens het verhoor van getuige [CZ]. Volgens mr. Harlequin heeft mr. [X] haar na afloop van het voorlezen van de verklaring van de getuige belet een tweetal aanvullende vragen te stellen zonder dat mr. [X] de inhoud van die vragen kende. Desgevraagd heeft mr. [X] ook geweigerd de vragen op te nemen in het proces-verbaal van verhoor. Dit klemt volgens mr. Harlequin temeer omdat mr. [X] de verdediging tot op dat moment in het onderzoek steeds in de gelegenheid had gesteld vragen te stellen. Door tijdens het verhoor van [CZ] vragen te beletten zonder de inhoud daarvan te kennen en vervolgens ook te weigeren deze vragen op te nemen in het proces-verbaal van verhoor, heeft mr. [X] volgens mr. Harlequin het verdedigingsbelang geschonden en daarmee de schijn van partijdigheid en/of een gebrek aan onbevangenheid op zich geladen.

3.2 Verzoeker [BZ] stelt zich bij monde van mr. Van Straalen eveneens op het standpunt dat mr. [X] de schijn van partijdigheid heeft gewekt door haar handelwijze tijdens het verhoor van getuige [CZ]. Volgens mr. Van Straalen berust het wrakingsverzoek op een tweetal omstandigheden en de consequenties daarvan. In de eerste plaats heeft mr. [X] volgens mr. Van Straalen ten onrechte een (te) ruim verschoningsrecht aan [CZ] toegekend. In de tweede plaats heeft zij de verdediging na het stellen van enkele vragen ten onrechte belet om verdere vragen te stellen. Daarmee is de verdediging volgens mr. Van Straalen op onaanvaardbare wijze op achterstand gezet, hetgeen de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid heeft gewekt.

4. Het standpunt van mr. [X]

4.1 Mr. [X] heeft in haar schriftelijke reactie van 25 februari 2008 te kennen gegeven dat zij niet in de wraking berust. Daarbij heeft mr. [X] aangegeven dat aan [CZ] als getuige een dubbel verschoningsrecht toekwam, namelijk als verdachte in het "[Y]-onderzoek" en als familielid van de verdachten [AZ] en [BZ]. Tijdens het verhoor werd na het stellen van een aantal vragen duidelijk dat [CZ] - in aanvulling op hetgeen hij bij de politie had verklaard - geen nadere verklaring wenste af te leggen en vragen meer wenste te beantwoorden. Mr. [X] achtte het daarom niet opportuun om de getuige te blijven bevragen en heeft om die reden besloten dat er geen verdere vragen aan de getuige gesteld mochten worden. Dit gold evenzeer voor de aanvullende vragen die mr. Harlequin na voorlezing van de verklaring wilde stellen. Weliswaar heeft de verdediging haar ondervragingsrecht daardoor niet ten volle kunnen uitoefenen, maar dit werd volgens mr. [X] ingegeven door de wettelijke beperkingen van het (dubbele) verschoningsrecht.

4.2 Ter zitting van de wrakingskamer heeft mr. [X] er voorts nog op gewezen dat zij niet de vragen heeft belet, maar - ingevolge artikel 187b van het Wetboek van Strafvordering - slechts de antwoorden. De reden hiervoor was dat duidelijk was dat de getuige geen verdere vragen meer wilde beantwoorden, zodat het haar niet opportuun leek om de getuige desondanks te laten bevragen.

5. Beoordeling

5.1 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2 De kernvraag in de onderhavige zaak is of sprake is van (de schijn van) partijdigheid van mr. [X] doordat zij heeft besloten dat de verdediging geen verdere of aanvullende vragen mocht stellen tijdens het verhoor van getuige [CZ] en/of omdat zij heeft besloten die vragen niet - zoals verzocht door de verdediging - op te nemen in het proces-verbaal van verhoor. Daarbij is van belang dat de beide raadslieden de omvang van het aan de getuige toekomende verschoningsrecht en de rol van de verdediging tijdens het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris kennelijk anders uitleggen dan mr. [X] heeft gedaan.

5.3 De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter-commissaris de orde alsmede de gang van zaken tijdens het verhoor van een getuige bepaalt. Beslissingen dienaangaande tijdens het verhoor zijn derhalve voorbehouden aan de rechter-commissaris. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet in de mogelijkheid van hoger beroep tegen dergelijke door de rechter-commissaris genomen beslissingen. Dergelijke beslissingen - en de consequenties daarvan - kunnen eventueel tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting aan de orde worden gesteld. De zittingsrechter kan naar aanleiding daarvan de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomt.

5.4 De juistheid van genoemde beslissingen van de rechter-commissaris is derhalve niet aan het oordeel van de wrakingskamer onderworpen. Zelfs indien dus de beslissingen van mr. [X] voor onjuist moeten worden gehouden - zoals de beide raadslieden hebben betoogd - vormt zulks geen grond voor wraking.

5.5 Ter beoordeling van de wrakingskamer ligt derhalve slechts voor de vraag of mr. [X] door haar handelwijze blijk heeft gegeven van vooringenomenheid. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan geen sprake. Het enkele feit dat mr. [X] de raadslieden kennelijk onwelgevallige beslissingen heeft genomen, geeft geen blijk van (de schijn van) vooringenomenheid. De handelwijze van mr. [X] vormt daarom geen feit dat of omstandigheid die een objectieve vrees rechtvaardigt dat mr. [X] een vooringenomenheid jegens verzoekers of hun zaken koestert.

5.6 Naar het oordeel van de rechtbank doen zich overigens ook geen omstandigheden voor die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor een gebrek aan onpartijdigheid van mr. [X] dan wel de uiterlijke schijn daarvan, zodat de verzoeken dienen te worden afgewezen.

5.7 Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken tot wraking af;

bepaalt dat het onderzoek door de rechter-commissaris wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van de wrakingsverzoeken;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoekers p/a hun raadslieden mr. Harlequin en mr. Van Straalen;

• de officier van justitie mr. [Z];

• de rechter-commissaris mr. [X].

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 7 maart 2008 door mrs. H.S. Wiarda, C.J. Waterbolk en Y.J. Wijnnobel-van Erp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.L. Strop als griffier.