Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6610

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
13-03-2008
Zaaknummer
09/753874-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zie ook LJN BC6551. Verdachte heeft in de woonkamer van de woning waar zij verbleef een wapen voorhanden gehad.

Het voorhanden hebben van vuurwapens kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen. De ervaring leert immers dat een dergelijk wapen uiteindelijk ook wordt gebruikt. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47 van het Wetboek van Strafrecht; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair eerste en tweede alternatief/cumulatief en 1 subsidiair eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; wettig en overtuigend bewezen medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III. Gevangenisstraf van 2 maanden onvoorwaardelijk met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/753874-07

's-Gravenhage, 12 maart 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 2]

geboren te [plaats] op [datum] 1978,

verblijfadres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 februari 2008.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. A.Th.P.A. Brink, advocaat te Noordwijk, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie, mr. A.C. Kramer, heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar onder 1 primair eerste en tweede alternatief/cumulatief en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair eerste en tweede alternatief/cumulatief en

1 subsidiair eerste en tweede alternatief/cumulatief is ten laste gelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte op [datum] 2008 met twee mannen, zijnde de beide medeverdachten onder wie haar partner, naar [plaats] is gereden, waar een ontmoeting heeft plaatsgevonden met, naar wat later is gebleken, het slachtoffer. Vervolgens is zij met de twee medeverdachten meegereden naar een bungalowpark in [plaats 2]. Het latere slachtoffer is achter hen aangereden. Er zou vervolgens tegen verdachte gezegd zijn, dat zij kon vertrekken. De twee medeverdachten zijn met het slachtoffer naar een afgelegen plek gelopen, alwaar hij is bestolen en afgeperst. Verdachte is daar niet bij aanwezig geweest.

Vaststaat dat kort na het gebeuren met het mobiele telefoonnummer [nummer] naar verdachtes ouders in [land] is gebeld. Vast staat ook, dat dit telefoonnummer is gebruikt ten tijde van de diefstal/afpersing. Daaruit kan op grond van het onderzoek ter terechtzitting worden afgeleid dat het nummer op dat moment bij de partner van verdachte in gebruik is geweest. De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de partner van verdachte naar de ouders van verdachte heeft gebeld, te meer nu hij heeft verklaard geen contact te hebben met de ouders van verdachte, behalve op feestdagen. De rechtbank acht het eveneens onwaarschijnlijk dat 'per ongeluk' met mobiele telefoon naar de ouders van verdachte is gebeld, zoals door de raadsman is gesteld, omdat het gesprek ruim 4 minuten heeft geduurd.

Op grond van het vorenstaande is het aannemelijk dat verdachte zelf heeft gebeld naar haar ouders. Dit zou kunnen worden verklaard door aan te nemen, dat verdachte in de auto op de mannen heeft gewacht en aldus haar medeverdachten na de diefstal/afpersing een vluchtmogelijkheid heeft geboden. Deze aanname is uitsluitend gebaseerd op dit telefoongesprek en wordt overigens niet gestaafd door enig wettig bewijsmiddel.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel, dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachten, gericht op de diefstal/afpersing. Ook voor medeplichtigheid is aldus onvoldoende bewijs, nu niet kan worden vastgesteld, dat verdachte heeft geweten wat zich heeft afgespeeld.

Verdachte zal dan ook bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank wettig bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Door de raadsman is betoogd dat verdachte van het haar onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat zij zich niet bewust was van de aanwezigheid van het wapen.

De rechtbank overweegt het volgende. Het wapen is door de politie bij verdachte in de woonkamer aangetroffen.

Het wapen is door haar partner en medeverdachte aldaar neergelegd, nadat deze het vuurwapen, kort nadat zij samen de woning hadden betrokken, op de zolder heeft gevonden. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat de partner van verdachte haar niet op de hoogte zou hebben gesteld van deze opmerkelijke vondst en acht het feit onder 2 ten laste gelegde bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de woonkamer van de woning waar zij verbleef een wapen voorhanden gehad.

Het voorhanden hebben van vuurwapens kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen. De ervaring leert immers dat een dergelijk wapen uiteindelijk ook wordt gebruikt.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 22 november 2007 waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten wordt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 2 maanden gehanteerd, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een passende reactie vormt.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair eerste en tweede alternatief/cumulatief en 1 subsidiair eerste en tweede alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

MEDEPLEGEN VAN HANDELEN IN STRIJD MET ARTIKEL 26, EERSTE LID, VAN DE WET WAPENS EN MUNITIE EN HET FEIT BEGAAN MET BETREKKING TOT EEN VUURWAPEN VAN CATEGORIE III;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN 2 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op: 21 november 2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op: 23 november 2007,

welke voorlopige hechtenis werd opgeheven met ingang van: 3 maart 2008.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Eisses, voorzitter,

Poustochkine en Segers, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Dekker, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2008.

mr. Segers is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.