Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC6197

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-03-2008
Datum publicatie
10-03-2008
Zaaknummer
09/530182-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belaging. Verdachte heeft zich in de periode van januari 2006 tot en met maart 2007 schuldig gemaakt aan belaging door opzettelijk en stelselmatig inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van haar buurman. Verdachte heeft het slachtoffer onder meer uitgescholden, beledigd en onterecht beschuldigd van diefstal. Straf gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, met aftrek, proeftijd van 2 jaar; bijzondere voorwaarde: de veroordeelde mag gedurende de proeftijd niet op eigen initiatief contact zoeken met het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/530182-07

's-Gravenhage, 6 maart 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 21 februari 2008.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. L.J.A. Sprenger, advocaat te Leiden, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. M. Bruining heeft gevorderd dat verdachte terzake van het haar bij dagvaarding telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, alsmede de bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal hebben of zoeken met het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 800,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 800,-, subsidiair 16 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer [slachto[slachtoffer].

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Ontvankelijkheidsverweer.

De raadsman van verdachte heeft ter zitting gemotiveerd gesteld dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

- De situatie waarin verdachte zich met haar buurman [slachtoffer] bevond, was er één van ernstige burenoverlast. Het gemeentelijk bestuur en de woningstichting hebben via de civielrechtelijke weg getracht deze situatie te beëindigen. Er zijn uiteindelijk na 11 november 2007 geen klachten over het gedrag van verdachte geweest. Het gemeentelijk bestuur en de woningstichting zijn aldus geslaagd in hun opzet. Onder deze omstandigheden staat het het openbaar ministerie niet meer vrij om tot vervolging over te gaan;

- Buiten medeweten van verdachte heeft overleg plaatsgevonden tussen de burgemeester, de wijkagent, de huisarts, de woningbouwcorporatie en de omwonenden. Omdat verdachte niets afwist van dit overleg heeft zij zich niet kunnen verdedigen. Haar klachten zijn voorts niet gehoord. Dit is in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De door de raadsman geformuleerde verwijten kunnen niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, omdat ze de vervolgingsbevoegdheid van het openbaar ministerie niet raken en derhalve geen betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Niet is gebleken dat door het openbaar ministerie een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde of dat het openbaar ministerie doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak te kort heeft gedaan. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewijsoverwegingen.

De raadsman heeft ter zitting gepleit voor vrijspraak van verdachte. Hij heeft daartoe gesteld dat de inbreuk die verdachte heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], niet wederrechtelijk en stelselmatig is, waardoor het telastgelegde niet kan worden bewezen en vrijspraak dient te volgen. De raadsman heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

- Verdachte kan niet worden tegengeworpen dat zij de hiergenoemde [slachtoffer] onterecht van diefstal heeft beschuldigd. Haar beschuldiging is niet wederrechtelijk, omdat zij in de oprechte veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer] onder andere steigerpijpen had gestolen;

- De gedragingen van verdachte hebben zich niet enkel tegen [slachtoffer] gericht, maar ook tegen andere buurtbewoners. De gedragingen van verdachte jegens anderen mogen niet bijdragen aan de bewezenverklaring van de onderhavige telastlegging. De weinige gedragingen die tegen [slachtoffer] zijn gericht, zijn voorts onvoldoende om te concluderen dat verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer;

- In het telastgelegde tijdvak zijn er perioden geweest waarin zich geen incidenten hebben voorgedaan, waardoor eveneens de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] niet als stelselmatig is aan te merken.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. De gedragingen van verdachte tegen [slachtoffer] dienen tezamen en in onderlinge samenhang te worden beoordeeld. Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de intensiteit van de inbreuk mede wordt bepaald door de omstandigheid dat verdachte en het slachtoffer buren van elkaar zijn en dat de inbreuken voornamelijk in de directe nabijheid van de eigen woning hebben plaatsgevonden. Het feit dat de incidenten niet een aaneengesloten reeks vormen, staat er niet aan in de weg om het complex van gedragingen als stelselmatig aan te merken. De duur en frequentie van de incidenten, in combinatie met de intensiteit daarvan en de - naar objectieve maatstaven bemeten - inbreuk op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer, maken dat de gedraging van verdachte te kwalificeren zijn als stelselmatig en wederrechtelijk. Verdachte heeft door haar handelen - waartoe ook de geuite beschuldiging behoort - welbewust een continue en controlerende druk op het slachtoffer [slachtoffer] uitgeoefend. De rechtbank is aldus van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van die [slachtoffer]. Mitsdien faalt het verweer van de raadsman.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van januari 2006 tot en met maart 2007 schuldig gemaakt aan belaging door opzettelijk en stelselmatig inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van haar buurman, [slachtoffer]. Verdachte heeft het slachtoffer onder meer uitgescholden, beledigd en onterecht beschuldigd van diefstal. Door een complex van gedragingen heeft verdachte een continue en controlerende druk op het slachtoffer uitgeoefend. Dit heeft gevoelens van angst en onrust veroorzaakt bij het slachtoffer en zijn vrouw en heeft hun woongenot aangetast.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan een psychologische en psychiatrische rapportage, waardoor de rechtbank geen nadere informatie heeft met betrekking tot de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, anders dan ter terechtzitting naar voren is gekomen. De rechtbank acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar. Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte zichzelf als slachtoffer heeft beschouwd en geen inzicht heeft getoond in de laakbaarheid van haar gedrag of de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 januari 2008, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van diefstal. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen verdachte ter zitting over haar justitieel verleden heeft verklaard.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer], woonachtig aan de [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.850,-.

De rechtbank acht deze vordering, voor zover deze betrekking heeft op een bedrag van € 500,-, als voorschot op een vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar en in zoverre eenvoudig vast te stellen, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

belaging;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in verzekering gesteld op : 22 maart 2007,

in vrijheid gesteld op : 23 maart 2007;

bepaalt, dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, alsmede onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd niet op eigen initiatief contact zal zoeken met het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 500,-;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,- ten behoeve van [slachtoffer];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

P.A.M. Hoek en M.P. van Harte, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.M.M. Schölvinck, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2008.

Mr. Van Harte is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.