Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5873

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
AWB 06/5476 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Margeregeling. Verkoop motorjacht - na aankoop van particulier - door BV aan DGA niet belast omdat BV handelt als wederverkoper. Toepassing margeregeling niet verhinderd door feit dat de BV slechts incidenteel gebruikte goederen verkoopt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/34.2.5
FutD 2008-0512
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5476 OB

Uitspraakdatum: 7 februari 2008

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X.] B.V., gevestigd te [Z.], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te [P.], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag ([aanslagnummer]) omzetbelasting ten bedrage van € 50.243 opgelegd, alsmede bij beschikking een boete van € 1.129.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 6 mei 2006 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 9 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 12 juni 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007 te 's-Gravenhage.

Namens eiseres is daar verschenen [gemachtigde]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigden]

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1. De activiteiten van eiseres omvatten het verwerven, bezitten en vervreemden van aandelen in andere vennootschappen; het verkrijgen, exploiteren, beheren en vervreemden van onroerende goederen, effecten, opties, edele metalen, edelgesteenten en andere vermogenswaarden; het ter leen opnemen en ter leen verstrekken van gelden, al of niet onder hypothecair verband; zomede al hetgeen met het vorenstaande verband houdt of daartoe behoorlijk kan zijn.

De aandelen in eiseres zijn voor 100% in handen van [X.] Beheer BV, in welke BV [A.] 100% van de aandelen houdt.

2.2. Eiseres heeft op 5 juli 1997 een stalen motorjacht, [type] met de [naam] (hierna: het jacht) gekocht. Het aankoopbedrag was fl. 615.000. Ter zake van deze aankoop is geen omzetbelasting in rekening gebracht, evenmin heeft eiseres ter zake hiervan aftrek van voorbelasting geclaimd.

2.3. Het jacht is op 25 oktober 2003 door eiseres verkocht en geleverd aan [A.] voor een bedrag van € 205.000. Bij die verkoop is geen omzetbelasting in rekening gebracht. Ter zake van deze transactie is een koopovereenkomst opgemaakt en is een factuur uitgeschreven. Kopieën van die bescheiden behoren tot de gedingstukken.

2.4. In 2002 is bij eiseres een boekenonderzoek uitgevoerd waarvan met dagtekening

18 november 2005 een rapport is opgemaakt. Een kopie van dat rapport behoort tot de gedingstukken.

2.5. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder een naheffingsaanslag opgelegd die als volgt is samengesteld:

1. belasting over de verkoop van het jacht € 38.950

2. belasting wegens de verhuur van een jacht met [naam 2] € 9.107

3. belasting wegens privégebruik € 2.186

totaal € 50.243

Verweerder heeft over de correcties 2 en 3 een verzuimboete opgelegd van € 1.129 (10%).

3. Geschil

3.1. In geschil is de vraag of ter zake van de verkoop van het jacht terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting is nageheven.

3.1.1. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt zich daarbij primair op het standpunt dat zij heeft gehandeld als wederverkoper in de zin van de zogenoemde margeregeling. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat het jacht is onttrokken aan het ondernemingsvermogen, welke onttrekking ingevolge overweging 41 van het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2001, C-415/98 (Laszlo Bakcsi), alleen met een levering onder bezwarende titel kan worden gelijkgesteld ingeval met betrekking tot het jacht recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de omzetbelasting is ontstaan.

3.1.2. Verweerder beantwoordt de vraag onder 3.1. bevestigend. Hij stelt daartoe dat het jacht door eiseres is verkocht en geleverd in het kader van haar onderneming, dat de levering om die reden is belast met omzetbelasting en dat eiseres geen wederverkoper is in de zin van de zogenoemde margeregeling.

3.2. Ter zitting heeft eiseres meer subsidiair aangevoerd dat het jacht voor de omzetbelasting nooit onderdeel heeft uitgemaakt van haar ondernemingsvermogen, de verkoop niet in het kader van de onderneming heeft plaatsgevonden en dat de levering buiten de heffing van omzetbelasting dient te blijven. Voorts heeft eiseres ter zitting aangevoerd dat indien de levering van het jacht wel moet worden belast met omzetbelasting, de aanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd omdat ten onrechte is uitgegaan van een vergoeding exclusief omzetbelasting.

Ten slotte heeft eiseres ter zitting gesteld dat de plaats van dienst voor de verhuur van het jacht Ambrogius IV niet in Nederland is gelegen zodat hierover geen Nederlandse omzetbelasting is verschuldigd en dat de correctie wegens privégebruik ten onrechte heeft plaatsgevonden nu van privégebruik geen sprake is en overigens het BUA in strijd is met de Europese regelgeving.

3.3. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat ten onrechte is nageheven over de vergoeding exclusief omzetbelasting. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij is geschaad in zijn processuele belangen nu eiseres eerst ter zitting de overige bestanddelen van de naheffingsaanslag ter discussie heeft gesteld terwijl zij deze noch in het bezwaarschrift noch in het beroepschrift heeft bestreden.

3.4. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping dan wel vermindering van de belastingaanslag en de boetebeschikking. Verweerder concludeert ter zitting tot gegrondverklaring van het beroep en vermindering van de naheffingsaanslag met een bedrag van € 6.219 (€ 38.950 - € 32.731).

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 zoals deze wet luidde ten tijde van de verkoop van het jacht (hierna: Wet OB), is de overdracht van goederen ingevolge een overeenkomst een levering ter zake waarvan ingevolge artikel 1, letter a, van de Wet OB omzetbelasting wordt geheven.

4.1.2. Artikel 2a, eerste lid, letter k, van de Wet OB bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder het begrip "wederverkoper" wordt verstaan: de ondernemer wiens activiteiten geheel of ten dele bestaan uit de wederverkoop van gebruikte goederen. Artikel 2a, eerste lid, letter l, van de Wet OB definieert het begrip "gebruikte goederen" als, voor zover hier van belang, alle roerende lichamelijke zaken die, in de staat waarin zij verkeren of na herstelling daarvan, opnieuw kunnen worden gebruikt.

4.1.3. In afdeling 5 van de Wet OB (artikel 28b en volgende) is een bijzondere regeling getroffen voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten (hierna: de margeregeling).

4.1.4. Artikel 28b, van de Wet OB bepaalt, voor zover hier van belang, dat ingeval een wederverkoper gebruikte goederen levert de belasting in afwijking van het bepaalde in artikel 8, van de Wet OB wordt berekend over de winstmarge. De winstmarge is in dit kader het verschil tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van het gebruikte goed aan de wederverkoper door hem is voldaan.

4.2. Aan de verkoop van het jacht in 2003 ligt een koopovereenkomst ten grondslag zodat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een levering in de zin van artikel 3, eerste lid, letter a, van de Wet OB.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het jacht moet worden beschouwd als een gebruikt goed in de zin van artikel 2a, van de Wet OB. Evenmin is tussen partijen in geschil dat terzake van de aankoop van het jacht in 2003 geen omzetbelasting in rekening of in aftrek is gebracht. Ook de rechtbank gaat hier van uit.

4.4. Eiseres stelt dat het jacht aan haar is geleverd door een particulier. Verweerder heeft dit niet weersproken doch heeft ter zitting slechts gesteld dat hij geen nader onderzoek heeft kunnen doen bij gebreke van een door de leverancier ondertekende inkoopverklaring afkomstig van die leverancier. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Ten tijde van de aankoop van het jacht in 1997 was de margeregeling nog niet in werking getreden zodat voor eiseres geen aanleiding bestond een dergelijke inkoopverklaring van haar leverancier te vragen. Afgezien daarvan was de naam van de verkopende partij van meet af aan bekend zodat verweerder ruimschoots de tijd heeft gehad nader onderzoek te doen maar daar kennelijk geen aanleiding toe heeft gezien. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het jacht in 1997 is ingekocht van een particulier. Gesteld noch gebleken is dat die particulier het jacht zonder berekening van omzetbelasting heeft verkregen dan wel dat hij de aan hem in rekening gebrachte omzetbelasting op enige wijze heeft terugontvangen.

4.5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet kan worden beschouwd als een wederverkoper in de zin van de margeregeling omdat zij slechts incidenteel een gebruikt goed heeft verkocht. Voorts stelt hij dat eiseres het jacht niet heeft gekocht met het oogmerk dit te zijner tijd weer te verkopen maar met het oogmerk het te gaan verhuren. Nu het de bedoeling was het jacht als bedrijfsmiddel te gebruiken, kan volgens verweerder de margeregeling niet worden toegepast.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit artikel 28b, van de Wet OB in samenhang met de definities uit artikel 2a, van de Wet OB en de daaraan ten grondslag liggende bepalingen van de Zesde Richtlijn niet worden afgeleid dat slechts sprake is van een wederverkoper in de zin van de margeregeling indien de ondernemer meer dan incidenteel een gebruikt goed verkoopt. Evenmin kan daaruit naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de margeregeling uitsluitend kan worden toegepast indien de ondernemer van meet af aan het oogmerk heeft gehad het door hem ingekochte gebruikte goed weer te verkopen. Ook indien een goed dat aanvankelijk is ingekocht als bedrijfsmiddel maar naderhand, zonder daadwerkelijk als bedrijfsmiddel te zijn gebruikt, voor de verkoop wordt bestemd, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van de wederverkoop van een gebruikt goed en kan de margeregeling worden toegepast.

De beperkingen van de toepassing van de margeregeling die verweerder voorstaat, stroken naar het oordeel van de rechtbank niet met doel en strekking van de margeregeling, te weten het voorkomen van de belastingcumulatie, én de met die cumulatie gepaard gaande uitschakeling van de normale handelskanalen, die zich - zonder bijzondere regeling - zou voordoen indien consumptief gebruikte goederen die via de handel worden (weder)verkocht, op de normale wijze in de heffing zouden worden betrokken.

4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is eiser een wederverkoper in de zin van de margeregeling. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de overige voorwaarden voor toepassing van de margeregeling is voldaan. De rechtbank sluit zich aan bij die eenparige opvatting van partijen, waarvan niet is gebleken dat zij op een juridisch onjuist uitgangspunt rust. Derhalve dient de belastingheffing te worden berekend over de winstmarge. Eiseres heeft het jacht in 1997 aangeschaft voor een bedrag van fl 615.000 (€ 279.075) en in 2003 verkocht voor een bedrag van € 205.000. De winstmarge als bedoeld in artikel 28b, van de Wet OB is mitsdien nihil zodat terzake van deze transactie geen omzetbelasting is verschuldigd. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard.

4.8. Na het vorenoverwogene behoeven de overige stellingen van eiseres met betrekking tot de levering van het jacht geen behandeling meer.

4.9. Voor zover de beroepsgronden de overige correcties betreffen is de rechtbank van oordeel dat een goede procesorde meebrengt dat de rechtbank, nu deze beroepsgronden eerst ter zitting zijn aangevoerd, daaraan voorbij gaat. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Niets belette eiseres om de eerst ter zitting aangevoerde beroepsgronden (mede) aan haar bezwaar ten grondslag te leggen en/of in haar beroepschrift naar voren te brengen. Ter zitting heeft eiseres geen verklaring gegeven voor het eerst dan aanvoeren van deze beroepsgronden. Verweerder stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat, indien de rechtbank de eerst ter zitting aangevoerde beroepsgronden in haar oordeel betrekt, hij daardoor in zijn processuele positie wordt geschaad, nu hij zich daartegen niet deugdelijk voorbereid kan verweren.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding, zoals door eiseres verzocht, ziet de rechtbank geen reden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar behoudens voor zover deze de boetebeschikking betreft;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 11.293;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 7 februari 2008 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. G.J. Ebbeling en mr. K.M. Braun in tegenwoordigheid van mr. L.M. Holdert, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.