Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5853

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
AWB 07-5552 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reorganisatie, herplaatsing, tewerkstelling op andere afdeling.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en dat van het bestreden besluit niet gezegd kan worden dat verweerder hiertoe bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen. Beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

derde afdeling, enkelvoudige kamer

Reg. nr. AWB 07/5552 AW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Minister van Justitie, verweerder.

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij wordt geplaatst op de functie van medewerker dossierbehandeling bij de afdeling administratieve ondersteuning en te werk gesteld bij de sector administratie belasting.

Tegen dit besluit heeft eiseres een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 11 juli 2007 heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Bezwarenadviescommissie (de Commissie) van 11 mei 2007, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 23 juli 2007 beroep ingesteld. Zij heeft de gronden aangevuld en tevens aanvullende stukken toegezonden.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 6 december 2007 ter zitting behandeld. Eiseres is, bijgestaan door mr. J.Th. de Wit, ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.A.C. Theunissen. Voorts is namens verweerder verschenen drs. Ä. Rotscheid.

II, Motivering

1. De feiten

1.1 Eiseres heeft sinds 1 april 1989 een vaste aanstelling bij de Hoge Raad der Nederlanden als administratief medewerker bij de strafadministratie In het kader van een reorganisatie, mede samenhangend met inwerkingtreding van het administratieve automatiseringsprogramma C@sus, is haar functie opgeheven. De functie van administratief medewerker is gedifferentieerd naar “administratief inhoudelijke dossierbehandeling” en “postbehandeling, primaire registratie en dossiervorming”, te weten respectievelijk de functies medewerker dossierbehandeling (schaal 8 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, BBRA 1984) en medewerker postbehandeling en dossiervorming (schaal 5 BBRA 1984). De functie medewerker dossierbehandeling verschilt van de oude functie administratief medewerker ten aanzien van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de medewerker.

1.2 Via een belangstellingsregistratieformulier van 8 september 2006 heeft eiseres haar belangstelling kenbaar gemaakt voor de aanvankelijk ook in het nieuwe systeem opgenomen, maar niet daadwerkelijk gerealiseerde, functie assistent gerechtsecretaris en voor de functie medewerker dossierbehandeling, deze laatste als tweede voorkeur.

1.3 Bij brief van 16 november 2006 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat hij voornemens is eiseres te plaatsen op de functie medewerker dossierbehandeling bij de afdeling administratieve ondersteuning, met tewerkstelling bij de sector belasting, een functie met -in beginsel- schaal 8 BBRA. Verweerder heeft, desgevraagd door eiseres, per email toegelicht dat de plaatsing bij de sector belasting voortkomt uit verweerders wens tot het laten rouleren van medewerkers, de omstandigheid dat de ervaring en kwaliteiten van eiseres bruikbaar zijn op de administratie van de sector belasting en de omstandigheid dat daarmee tevens een conflict op de administratie van de sector straf wordt opgelost. Tegen dit voornemen heeft eiseres haar bedenkingen geuit.

1.4 Bij besluit van 20 december 2006 heeft verweerder, zonder nadere schriftelijke motivering, aan eiseres medegedeeld dat zij, met ingang van de datum waarop de eerste sector met C@sus gaat werken, wordt geplaatst in de functie van medewerker dossierbehandeling bij de afdeling administratieve ondersteuning, met tewerkstelling bij de sector administratie belasting. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.5 De Commissie heeft, nadat bleek dat eiseres en verweerder geen overeenstemming konden bereiken over een eventuele tijdelijke tewerkstelling bij de sector belasting, geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren wegens een gebrekkige motivering. De Commissie heeft voorts geadviseerd in heroverweging te beoordelen of de organisatie niet méér gebaat zou zijn met tewerkstelling van eiseres bij de sector straf dan wel met tijdelijke tewerkstelling bij de sector belasting. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Standpunten van partijen

2.1 Het beroep richt zich tegen de tewerkstelling bij de sector belasting. De plaatsing in de functie medewerker dossierbehandeling en de functiewaardering, zijn niet in geschil.

2.2 Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte niet heeft aangemerkt als herplaatsingskandidaat in de zin van artikel 49e van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en dat verweerder haar op basis van anciënniteit had moeten plaatsen in de sector straf. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd en dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar belangen. Een roulatieplicht was haar niet bekend toen zij haar belangstelling voor de functie kenbaar maakte. Voorts begrijpt eiseres niet waarom verweerder alleen eiseres onvrijwillig in een andere sectoradministratie heeft geplaatst. Eiseres heeft een passie voor de “strafmaterie” en zij heeft veel moeite met de verandering van werkplek. Zij stelt tevens dat zij met haar ervaring meer van nut is in de sector straf dan in de haar onbekende sector belasting. Eiseres weerspreekt betrokken te zijn geweest bij een conflict in de strafadministratie.

2.3 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Beoordeling

3.1 De status van herplaatsingskandidaat

3.1.1 Ingevolge artikel 49d ARAR wordt de ambtenaar die is aangesteld in vaste dienst, van wie de functie in verband met een reorganisatie is opgeheven, aangewezen als te herplaatsen ambtenaar.

Ingevolge artikel 49e, eerste lid, van het ARAR is sprake van overtolligheid indien binnen het te reorganiseren ministerie, of een onderdeel daarvan, meer ambtenaren een vergelijkbare of uitwisselbare functie vervullen en het totale aantal van die functies zodanig wordt verminderd dat onvoldoende van die functies voor de betrokken ambtenaren resteren.

Ingevolge artikel 49e, tweede lid, van het ARAR wordt de ambtenaar, aangesteld in vaste dienst, die in verband met een reorganisatie overtollig is, aangewezen als herplaatsingskandidaat, waarbij de ambtenaar die het geringste aantal jaren in overheidsdienst heeft doorgebracht het eerst als herplaatsingskandidaat wordt aangewezen.

3.1.2 De functie, waarin eiseres was aangesteld, is bij de reorganisatie vervallen. Op grond van het door verweerder vastgestelde organisatie- en formatieplan, kan worden vastgesteld dat het de bedoeling was dat de werkzaamheden, welke in de oude situatie door de administratief medewerkers werden verricht, na de reorganisatie zouden worden verdeeld over de functies assistent gerechtsecretaris, medewerker dossierbehandeling en medewerker postbehandeling en dossierbehandeling. In de praktijk zijn alleen de functies medewerker dossierbehandeling en medewerker postbehandeling en dossierbehandeling gerealiseerd.

Verder kan worden vastgesteld dat het verweerders uitdrukkelijke bedoeling was dat de taakomschrijving van functie medewerker dossierbehandeling de werkzaamheden bij alle sectoren (straf, civiel en belasting) zou omvatten en dat de op deze functies te plaatsen medewerkers uiteindelijk in staat zouden zijn over de verschillende sectoren te rouleren. Verweerder heeft zich gerealiseerd dat direct na de reorganisatie de op deze functie geplaatste medewerkers nog niet over voldoende kennis en ervaring zouden beschikken om deze functie in alle drie de sectoren te kunnen uitoefenen. Verweerder heeft daarom bepaald dat de voor deze functie beoogde schaal, schaal 8 van het BBRA 1984, eerst zou worden toegekend bij inzetbaarheid bij alle sectoren. Eiseres is geplaatst in de functie medewerker dossierbehandeling en tewerkgesteld bij de sector belasting.

3.1.3 De rechtbank is van oordeel dat eiseres onder deze omstandigheden geen herplaastingskandidaat in de zin van artikel 49e, tweede lid, van het ARAR is geworden. De functie, waarin eiseres is geplaatst, is gelet op haar oude functie, kennis en ervaring passend. Omdat de sector, waarin de medewerker dossierbehandeling te werk wordt gesteld, geen onderdeel van de functie is, stelt eiseres ten onrechte dat ten aanzien van de voormalig administratief medewerkers van sector straf sprake is van overtolligheid als bedoeld in artikel 49e, eerste lid, ARAR, omdat niet alle voormalig administratief medewerkers van die sector wederom bij de sector straf geplaatst (kunnen) worden. De stelling dat eiseres op grond van het bepaalde in artikel 49e, tweede lid, ARAR op basis van haar anciënniteit als medewerker dossierbehandeling bij de sector straf te werk gesteld diende te worden volgt de rechtbank dan ook niet.

3.2 De tewerkstelling bij de sector belasting

3.2.1 Tussen partijen is niet in geschil dat naar aanleiding van het standpunt van de OR aangaande het voorgenomen beleid ten aanzien van rouleren, door de directeur Bedrijfsvoering bij de Hoge Raad bepaalde toezeggingen zijn gedaan. Partijen verschillen van mening over de exacte inhoud van die toezeggingen. De commissie heeft hierover het volgende opgenomen in haar advies: ‘De Ondernemingsraad heeft in zijn advies van 12 oktober 2006 wel gesteld dat roulatie in beginsel alleen op vrijwillige basis mocht geschieden, maar de directeur heeft in zijn reactie van 8 november 2006 gezegd dat dit uitgangspunt alleen voor de periode na de invoering van de nieuwe structuur geldt. Bij de (initiële) plaatsing “behoudt de directeur zich het recht voor medewerkers bij een andere sectoradministratie te plaatsen dan waarop zij op dat moment werkzaam zijn”. Uit het vervolg van de reactie blijkt echter dat de belangrijkste reden hiervoor is dat de nieuwe unit postbehandeling, documentbeheer en archief (PDA) gevormd moet worden en dat het bij de start van deze nieuwe unit van groot belang is dat voldoende kennis en ervaring aanwezig is om die tot een succes te maken. Gelet hierop is de commissie van mening dat het niet onbegrijpelijk is dat bij een aantal medewerkers, waaronder in ieder geval mevrouw Berkhuijsen, de indruk bestaat dat het voorbehoud ten aanzien van de vrijwilligheid uitsluitend tijdelijke plaatsing in verband met de opbouw van de unit PDA betrof.’

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het eiseres voldoende duidelijk is geweest dat de directeur Bedrijfsvoering aan overplaatsing op vrijwillige basis restricties heeft verbonden.

De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval van een ongeclausuleerde toezegging dat slechts met instemming van de betrokken ambtenaar tewerkstelling bij een andere sector dan de sector van tewerkstelling vóór de reorganisatie zal volgen geen sprake is.

3.2.2 Verweerder heeft het besluit om eiseres te werk te stellen bij de sector belasting als volgt gemotiveerd. De plaatsing van eiseres in de sector belasting past in het door verweerder beoogde roulatiebeleid. De kennis en ervaring van eiseres zijn van belang voor het goed functioneren van de administratie van sector belasting. Door de plaatsing van eiseres in de sector belasting wordt de werksfeer bij de sector straf, welke door een conflict tussen verschillende medewerkers aldaar is verslechterd, verbeterd.

3.2.3 Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat eiseres de enige medewerker is die onvrijwillig en voor langere periode tewerkgesteld bij een andere sectoradministratie dan de administratie waar zij voor de reorganisatie werkzaam was. Eén medewerker is inmiddels, na vier maanden, teruggegaan naar haar voormalige werkplek. Het roulatiebeleid zoals verweerder dat voor ogen had ten tijde van de reorganisatie, is in de praktijk niet uitgevoerd. Het beleid is in het plan voor 2008 nogmaals onder de aandacht gebracht, waarbij geldt dat het vrijwillige karakter van roulatie niet altijd kan worden gehandhaafd.

Nu verweerder alleen eiseres onvrijwillig en voor langere periode heeft te werk gesteld in een andere sectoradministratie en verweerder het roulatiebeleid nog steeds niet volledig heeft geïmplementeerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de besluitvorming te veel gewicht heeft toegekend aan het belang van roulatie.

3.2.4 Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij vanaf 13 augustus 2007 werkzaam is in de sector belasting, maar dat zij daar tot op heden geen werkzaamheden heeft verricht op het niveau van dossiermedewerker. Zij mocht slechts klusjes doen en niemand heeft haar ingewerkt. Na elf weken is zij ziek geworden. Verweerder heeft deze stellingen niet weersproken.

In het licht van deze omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de plaatsing van eiseres in de sector belasting van belang was voor het goed functioneren van die administratie. Eiseres had immers geen ervaring met het rechtsgebied en de binnen de sector belasting gebruikelijke administratieve handelingen. Het vorenstaande klemt te meer nu niemand eiseres heeft ingewerkt.

3.2.5 Ten aanzien van het door verweerder aangevoerde oogmerk om de werksfeer binnen de sector straf te verbeteren, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft in haar bedenkingen een gedetailleerd relaas gegeven van de omstandigheden van het conflict en haar rol daarin. Zij stelt - in het kort - dat zij in de periode waarin het conflict speelde afwezig was in verband met ziekte en dat zij slechts zijdelings bij het conflict betrokken was. Ook deze zienswijze van eiseres heeft verweerder niet weersproken. Aan verweerders stelling dat tewerkstelling van eiseres in de sector belasting zou bijdragen aan verbetering van de werksfeer ontbreekt een feitelijke basis. Gelet op de bedenkingen van eiseres had het op de weg van verweerder gelegen nader onderzoek te doen naar de omstandigheden van het conflict en de rol van eiseres daarin. Nu verweerder noch naar aanleiding van de bedenkingen van eiseres noch in bezwaar nader onderzoek heeft verricht, kon verweerder aan het besluit eiseres te werk te stellen bij de sector belasting niet ten grondslag leggen dat dit de werksfeer ten goede zou komen.

3.3 De rechtbank komt op grond van het hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en dat van het bestreden besluit niet gezegd kan worden dat verweerder hiertoe bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en artikel 3:4, eerste lid, van de Awb.

3.4 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op het bezwaar en daarmee tevens op het verzoek van eiseres om vergoeding van de in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten op de voet van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

3.5 De rechtbank ziet aanleiding verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 644,00. Daarbij is in aanmerking genomen € 322,00 voor het indienen van het beroepschrift alsmede € 322,00 voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

III Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 11 juli 2007;

bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 11 juli 2007;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 143,00 aan eiseres vergoedt, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als de rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres moet vergoeden;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,00, onder aanwijzing van vorengenoemde rechtspersoon die dit bedrag aan eiseres dient te vergoeden.

IV Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mr. E. Kouwenhoven en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2008, in tegenwoordigheid van de griffier H. Pop.