Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5719

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-02-2008
Datum publicatie
05-03-2008
Zaaknummer
AWB 08/5239
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / overdracht naar België negen dagen na claimakkoord onvoldoende voortvarend

De rechtbank ziet niet in waarom verweerder in het geval van eiser een termijn van negen dagen nodig heeft gehad om eiser over te dragen aan de Belgische autoriteiten nadat die zich akkoord hebben verklaard met het verzoek tot overname van eiser. Zij is van oordeel dat deze termijn zich niet verdaagt met de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid. Hoewel evident is dat na ontvangst van een claimakkoord nog een aantal handelingen dienen te worden verricht ter voorbereiding van de daadwerkelijke overdracht van een vreemdeling, en hierbij diverse diensten van verweerder betrokken (zullen) zijn, volgt uit de door verweerder verstrekte gegevens niet dat - en waarom - daarmee een termijn van negen dagen moest zijn gemoeid. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder - behoudens de feitelijke uitzetting - na 13 februari 2008 geen handelingen meer heeft verricht teneinde de overdracht op 20 februari 2008 te laten plaatsvinden. Evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden die de duur van de overdacht negatief hebben beïnvloed. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet inzichtelijk geworden waarom de overdracht van eiser eerst op 20 februari 2008 heeft kunnen plaatsvinden. De maatregel is onrechtmatig vanaf 12 februari 2008, de dag na ontvangst van het claimakkoord van de Belgische autoriteiten.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/5239 VRONTN

Uitspraak in het geding tussen de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

[eiser]

geboren op 19 april 1964,

van Marokkaanse nationaliteit,

voorheen verblijvende in uitzetcentrum Zestienhoven te Rotterdam,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. H.P. Ruysink, advocaat te Maastricht,

en

de Staatssecretaris van Justitie

verweerder,

gemachtigde: mr. F.H. Postma, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Eiser heeft tegen het voortduren van de bewaring op 13 februari 2008 beroep ingesteld.

Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 20 februari 2008. De gemachtigde van eiser is daarbij verschenen. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Op 21 februari 2008 is een nadere reactie ontvangen van de zijde van verweerder. Eiser heeft hierop bij schrijven van

21 februari 2008 gereageerd.

Partijen hebben toestemming gegeven om een nadere zitting achterwege te laten, zoals bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder op 21 februari 2008 verstrekte informatie is gebleken dat de bewaring van eiser op 20 februari 2008 is opgeheven na de overdracht van eiser op die datum aan de Belgische autoriteiten.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de rechtbank, indien zij opheffing van de maatregel beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. Daartoe dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de bewaring (op enig moment) onrechtmatig is geweest.

De rechtbank stelt voorop dat het beroep tegen de maatregel van bewaring, opgelegd op 25 januari 2008, bij uitspraak van 13 februari 2008 (AWB 08/3497) ongegrond is verklaard. Thans staat met inachtneming van het bepaalde in artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 uitsluitend ter beoordeling of het voortduren van de bewaring sedert het sluiten van het onderzoek in die procedure rechtmatig is geweest.

2.2 Met betrekking tot eisers betoog dat de maatregel voor onrechtmatig moet worden gehouden, omdat verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn uitzetting heeft gewerkt, overweegt de rechtbank het volgende.

2.3 Nu de inbewaringstelling van een vreemdeling ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000 slechts is geoorloofd met het oog op de uitzetting, is die maatregel onrechtmatig indien verweerder na inbewaringstelling van een vreemdeling geen uitzettingshandelingen verricht, dan wel bij de uitzetting onvoldoende voortvarendheid betracht.

2.4 De rechtbank stelt vast dat op 29 januari 2008 een claimverzoek aan de Belgische autoriteiten is verzonden, en dat deze autoriteiten op 11 februari 2008 hebben meegedeeld akkoord te zijn met overname van eiser. Uit de door verweerder ter zitting en in de schriftelijke reactie van 21 februari 2008 verstrekte informatie blijkt dat Bureau Dublin van verweerder, na ontvangst van het claimakkoord van de Belgische autoriteiten, op 11 februari 2008 een voorstel heeft gedaan om eiser op 20 februari 2008 aan de Belgische autoriteiten over te dragen. Dit is op 12 februari 2008 kenbaar geworden bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) van verweerder. Op 13 februari 2008 is eiser in het kader van zijn overdracht overgeplaatst naar Uitzetcentrum Zestienhoven en is vervoer aangevraagd voor de daadwerkelijke overdracht, die op 20 februari 2008 heeft plaatsgevonden.

2.5 Verweerder heeft zijn reactie van 21 februari 2008 het volgende opgemerkt. De Belgische autoriteiten wensen ten minste drie werkdagen voor de daadwerkelijke overdracht te worden geïnformeerd omtrent die overdracht. Daarnaast dienen na het claimakkoord meerdere acties te worden verricht alvorens daadwerkelijk kan worden overgedragen. Derhalve is de overdrachtsdatum niet enkele dagen na het claimakkoord. Rekening houdend met de eerdergenoemde drie werkdagen en het feit dat de overige te verrichten handelingen eveneens tijd in beslag nemen, stelt verweerder zich op het standpunt dat een daadwerkelijke overdracht negen dagen na het claimakkoord wel degelijk redelijk is te achten. In dit verband merkt verweerder nog op dat vanaf het moment van claimen van een vreemdeling tot aan de daadwerkelijke overdracht, meerdere afdelingen zich bezig houden met de overdracht, hetgeen tijd in beslag neemt. Daarnaast is eiser niet de enige vreemdeling die overgedragen dient te worden. Het zou zo kunnen zijn dat in een individueel geval het lijkt dat de overdracht sneller geregeld had kunnen worden, maar gezien de gehele workload van Bureau Dublin en DT&V zijn de termijnen zoals in onderhavige zaak zijn gehanteerd wel degelijk redelijk te achten volgens verweerder.

2.6 De rechtbank overweegt dat uit voormelde reactie van verweerder volgt dat de Belgische autoriteiten in het algemeen tenminste drie werkdagen tevoren geïnformeerd wensen te worden omtrent de daadwerkelijke terugkeer van de vreemdeling, zodat van de zijde van deze autoriteiten klaarblijkelijk rekening wordt gehouden met een spoedige overdracht van de vreemdeling. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder in het geval van eiser een termijn van negen dagen nodig heeft gehad om eiser over te dragen aan de Belgische autoriteiten nadat die zich akkoord hebben verklaard met het verzoek tot overname van eiser. Zij is van oordeel dat deze termijn zich niet verdaagt met de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid. Hoewel evident is dat na ontvangst van een claimakkoord nog een aantal handelingen dienen te worden verricht ter voorbereiding van de daadwerkelijke overdracht van een vreemdeling, en hierbij diverse diensten van verweerder betrokken (zullen) zijn, volgt uit de door verweerder verstrekte gegevens niet dat - en waarom - daarmee een termijn van negen dagen moest zijn gemoeid. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder blijkens voormelde reactie - behoudens de feitelijke uitzetting - na 13 februari 2008 geen handelingen meer heeft verricht teneinde de overdracht op

20 februari 2008 te laten plaatsvinden. Evenmin is gebleken van bijzondere omstandigheden die de duur van de overdacht negatief hebben beïnvloed. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet inzichtelijk geworden waarom de overdracht van eiser eerst op 20 februari 2008 heeft kunnen plaatsvinden.

2.7 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerders handelwijze zich niet verdraagt met de bij iedere uitzetting vereiste voortvarendheid, terwijl de rechtbank niet is gebleken van een aanvaardbare reden daarvoor, als gevolg waarvan de maatregel naar het oordeel van de rechtbank vanaf 12 februari 2008 voor onrechtmatig moet worden gehouden.

2.8 Het beroep is derhalve gegrond.

2.9 Met betrekking tot de toekenning van schadevergoeding ex artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 overweegt de rechtbank dat er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn om eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een schadevergoeding toe te kennen van € 70,-- per dag voor de dagen dat de maatregel in een huis van bewaring ten uitvoer is gelegd. Dit betekent dat eiser een schadevergoeding van € 560,-- toekomt.

2.10 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een schadevergoeding toe van € 560,--;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-- te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van Arrondissement 547 Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer.

Aldus gegeven door mr. R.G.J. Welbergen en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2008 in tegenwoordigheid van mr. M.C. Korevaar als griffier.

De voorzitter van de rechtbank ’s-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding van € 560,--.

Aldus gedaan op 26 februari 2008 door mr. R.G.J. Welbergen, fungerend voorzitter.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op: