Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5605

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2008
Datum publicatie
04-03-2008
Zaaknummer
300017 - KG 07-1457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eenzijdige ontslagname statutair directeur? Rechtsgeldig ontslagbesluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders (AVA)? Opzegverbod tijdens arbeidsongeschiktheid?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629a
Burgerlijk Wetboek Boek 7 670
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2008/87
AR-Updates.nl 2008-0152
JAR 2008, 87

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 3 maart 2008,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer 300017 / KG 07-1457 van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. W. Heemskerk,

advocaat mr. J.H. Vegter te Utrecht,

tegen:

de naamloze vennootschap SnowWorld Leisure N.V., voorheen de besloten

vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SnowWorld Beheer B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

gedaagde,

procureur mr. E. Grabandt,

advocaat mr. P.M. Klinckhamers te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk ‘[eiser]' en ‘SnowWorld'.

1. Het procesverloop

[eiser] heeft SnowWorld op 12 december 2007 doen dagvaarden om op 11 januari 2008 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is vóór die datum pro forma aangehouden tot 8 maart 2008, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. Nu partijen geen regeling hebben bereikt, is de zaak op 21 februari 2008 behandeld. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 februari 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. De aandelen in SnowWorld worden voor ongeveer 53% gehouden door de heer [A] (hierna: [A]) en voor ongeveer 47% door de heer [B] (hierna: [B]).

2.2. Begin april 2006 heeft [A] [eiser], destijds nog werkzaam voor TMF Capital B.V., verzocht hem te adviseren over de situatie bij SnowWorld. De advisering had voornamelijk te maken met het naar de beurs begeleiden van SnowWorld (hierna: de IPO (plaatsing van aandelen)). Per 1 december 2006 heeft [eiser] zijn werkzaamheden op verzoek van de aandeelhouders als zelfstandige gecontinueerd.

2.3. Op 1 april 2007 is [eiser] in de functie van Statutair Algemeen Directeur/Chief Executive Officer van SnowWorld onder meer de beursbegeleiding van SnowWorld gaan verrichten op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het basissalaris van [eiser] bedroeg € 15.000,-- bruto per maand, te vermeerderen met diverse emolumenten.

2.4. De aandeelhouders van SnowWorld en [eiser] hebben op 22 oktober 2007 de voortgang van de IPO besproken. In dit gesprek hebben de aandeelhouders [eiser] meegedeeld verrast te zijn over de hogere kosten van de IPO en over de lagere waardering van de aandelen voor de beursgang dan volgens hen was geprognosticeerd en hun tot dusver steeds was voorgehouden. [eiser] is na afloop van dit gesprek naar huis gegaan. Partijen twisten of hij tijdens dit gesprek (zelf) ontslag heeft genomen.

2.5. Bij brief van 22 oktober 2007 heeft [B], mede namens [A], het volgende aan [eiser] meegedeeld:

“Hierbij bevestigen wij het gesprek van heden tussen u, de heer [A] en ondergetekende.

In dit gesprek is de voortgang van de IPO besproken, besloten is om hier niet mee door te gaan. Hieruit voortvloeiend heeft u besloten uw dienstverband met SnowWorld Leisure N.V. te beëindigen. Er is besproken om uw werkzaamheden tot het einde van het jaar af te bouwen, echter gaf u de voorkeur om per direct uw dienstverband te beëindigen.

De heer [B] en de heer [A] gaan met uw keuze akkoord en verzoeken u vriendelijk om alle in uw bezit zijnde eigendommen van SnowWorld Leisure N.V., zoals auto, de bijbehorende sleutels en papieren, mobiele telefoon (…) voor 25 oktober a.s. te retourneren.

Wij zullen uw eindafrekening opmaken (…)”.

2.6. [eiser] heeft zich op of omstreeks 22 oktober 2007 ziek gemeld bij SnowWorld.

2.7. Partijen hebben op 26 oktober 2007 een vervolg gesprek gehad over de voortgang van de IPO. Voorafgaand aan dit gesprek heeft [eiser] diverse zakelijke spullen ingeleverd, waaronder zijn mobiele telefoon en zijn auto.

2.8. In een e-mail van 30 oktober 2007 gericht aan mevrouw [C], Hoofd Personeel & Organisatie bij SnowWorld, heeft [eiser] zich verzet tegen de brief van 22 oktober 2007, weergegeven hiervoor onder 2.5. Bij brief van 19 november 2007 heeft [eiser] via zijn advocaat zich nogmaals verzet tegen de brief van 22 oktober 2007 en zich beschikbaar gehouden voor werkzaamheden, zodra hij weer arbeidsgeschikt is.

2.9. Commit, de arbodienst van SnowWorld, heeft bij brief van 26 november 2007 aan [eiser] meegedeeld, hetgeen zij aan SnowWorld in het voortgangsverslag heeft gemeld. Commit schrijft, voor zover relevant, het volgende:

“Volgens de afspraken die met Commit zijn gemaakt begeleiden wij het verzuim van uw medewerkers. Op basis hiervan informeer ik u over de begeleiding van Hr. [eiser]. De eerste verzuimdag van deze medewerker is 22 oktober 2007.

Hieronder volgt een puntsgewijze terugkoppeling van het gesprek [werkhervattingsgesprek van 26 november 2007; voorzieningenrechter].

- Aard verzuim: conflict op de werkvloer (aandeelhouders en mededirekteur.)

(…)

Een time out van vier weken is mogelijk voor het oplossen van de problemen op de werkvloer.

Commit staakt de behandeling.

(…)”.

2.10. De advocaat van SnowWorld heeft bij brief van 6 december 2007 [eiser] uitgenodigd voor de buitengewone vergadering van aandeelhouders op 21 december 2007 (hierna: de vergadering). In die brief staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

De agenda voor deze vergadering is als volgt:

1. Opening

2. Aanwijzing voorzitter en notulist

3. Het voornemen de heer [eiser] (al dan niet voorwaardelijk) te ontslaan als bestuurder van de vennootschap: uitbrengen raadgevende stem

4. Rondvraag

5. Sluiting

U zult tijdens de vergadering de gelegenheid krijgen uw zienswijze te geven op het voornemen u (voorwaardelijk) te ontslaan en uw raadgevende stem uit te brengen. U kunt zich daarbij laten bijstaan door uw advocaat.

(…)”.

2.11. Op de vergadering waren aanwezig: [eiser], vergezeld van diens advocaat, de heer [D] (hierna: [D]), commissaris van SnowWorld, als gevolmachtigde van - kort gezegd - de aandeelhouders van SnowWorld, en de advocaat van SnowWorld. Aan het eind van de vergadering is het ontslag aan [eiser] aangezegd voor zover er nog een arbeidsrechtelijke betrekking bestaat. De motivering van het besluit is in de conceptnotulen, die nog niet door [eiser] zijn goedgekeurd, als volgt omschreven:

“(…) de aandeelhouders zijn niet adequaat ingelicht over de kosten van de beursgang en de explosieve ontwikkeling daarvan. Evenmin heeft de heer [eiser] adequaat geopereerd en gecommuniceerd ten aanzien van het verloop en de resultaten van de beursgang en de waardering van de onderneming in dat kader. De hele gang van zaken heeft ertoe geleid dat de aandeelhouders het noodzakelijke vertrouwen in de heer [eiser] hebben verloren en er geen basis meer is voor welke samenwerking dan ook.

(…)”.

2.12. In het voortgangsverslag van 27 december 2007 heeft Commit aan SnowWorld een tussen hen gemaakte afspraak bevestigd, inhoudende dat SnowWorld aan Commit zal aangeven wanneer er actie gewenst is met betrekking tot [eiser].

2.13. Bij brief van 28 december 2007 heeft de raadsman van SnowWorld aan [eiser] het volgende meegedeeld:

“Op 21 december jl. is tijdens de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van SnowWorld Leisure N.V. onder meer het besluit genomen dat:

“onder de voorwaarde dat komt vast te staan dat ten tijde van de vergadering nog een arbeidsovereenkomst bestond is besloten deze met inachtneming van de opzegtermijn van één maand te beëindigen met ingang van 1 februari 2008”.

(…)”.

2.14. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 4 januari 2008 de nietigheid, dan wel de vernietigbaarheid van het ontslagbesluit van 21 december 2007 ingeroepen.

2.15. Commit heeft in haar brief van 12 februari 2008 het volgende, voor zover relevant, aan SnowWorld meegedeeld:

“(…)

Het feit dat we niet expliciet vermelden in de terugkoppeling dat de heer [eiser] wel of geen medische beperkingen had, wil niet zeggen dat er dienaangaande geen vaststelling heeft plaatsgevonden.

De arts heeft geconcludeerd dat er sprake is van een arbeidsconflict en heeft de richtlijn dienaangaande toegepast. Dit in het kader van demedicaliseren, dat wil zeggen als er geen medische indicatie is, we de begeleiding stopzetten. U vindt dat laatste ook vermeld in de terugkoppeling. Het is vervolgens aan werkgever en werknemer het conflict op te lossen. Met het van toepassing verklaren van de Stecr richtlijn is impliciet aangegeven dat er geen uitsluitingscriteria van welke aard dan ook waren.

(…)”.

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – om SnowWorld te veroordelen om aan hem binnen 24 uur na dit vonnis het achterstallige salaris van € 15.000,-- bruto per maand te betalen vanaf 22 oktober 2007, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente, alsmede de onkostenvergoeding van € 225,-- netto per maand. Voorts vordert [eiser] dat SnowWorld aan hem ter beschikking stelt een auto en mobiele telefoon.

3.2. Daartoe voert [eiser] het volgende aan.

SnowWorld schiet te kort in de nakoming van haar verplichting om het loon van [eiser] (tijdig) aan hem te voldoen, nu zij zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de arbeidsovereenkomst eenzijdig door [eiser] is beëindigd. [eiser] betwist tijdens het gesprek van 22 oktober 2007 ontslag te hebben genomen. Hij is na afloop van dat gesprek naar huis gegaan en heeft zich ziek gemeld vanwege onaanvaardbaar opgelopen spanningen. Diezelfde middag heeft hij [B] gebeld om hem mee te delen dat hij beschikbaar bleef om zijn werkzaamheden voort te zetten. De kritiek op zijn functioneren kwam onverwachts, aangezien de aandeelhouders tijdens de laatste bespreking op 25 september 2007 nog zo tevreden waren. De op 22 oktober 2007 gedateerde brief van SnowWorld heeft [eiser] pas op 25 oktober 2007 ontvangen. Hij was verrast door de inhoud van die brief en heeft daartegen geprotesteerd. Het inleveren van zijn persoonlijke spullen heeft [eiser] onder dwang gedaan en heeft niets te maken met een eenzijdig genomen ontslag. Op 26 oktober 2007 hebben partijen nogmaals gesproken over de IPO, maar dat gesprek verliep op zeer agressieve wijze. [eiser] heeft daar nogmaals de inhoudelijke juistheid van het financiële beleid uiteengezet. De omstandigheid dat SnowWorld [eiser] heeft ziek gemeld bij Commit en hij geen eindafrekening heeft ontvangen, geeft al aan dat SnowWorld ook niet uitgaat van een door [eiser] eenzijdig genomen ontslag. Daarnaast is op de vergadering van 21 december 2007 besloten de dienstbetrekking met [eiser] tegen 1 februari 2008 op te zeggen. [eiser] heeft tijdens deze vergadering aangevoerd dat het voorgenomen ontslagbesluit nietig is, vanwege schending van het beginsel van hoor en wederhoor. [eiser] was vóór de vergadering niet op de hoogte van de argumenten waarop het voorgenomen ontslagbesluit was gebaseerd. Bovendien waren de aandeelhouders niet op de vergadering, waardoor een goede informatie-uitwisseling niet mogelijk was. Het besluit is voorts in strijd met de redelijkheid en billijkheid, nu de aan dit besluit ten grondslag liggende argumenten niet op waarheid berusten. [eiser] heeft vanaf het begin de aandeelhouders volledig en duidelijk geïnformeerd over de (voortgang van de) IPO. De vertegenwoordiging van de aandeelhouders door [D] op de vergadering is in de gegeven omstandigheden onredelijk. Ook arbeidsrechtelijk gezien is het gegeven ontslag nietig, nu [eiser] ten tijde van de opzegging arbeidongeschikt was.

3.3. SnowWorld voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. SnowWorld heeft als verweer aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, nu hij bij zijn loonvordering geen verklaring van een deskundige, als bedoeld in artikel 7:629a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), heeft overgelegd omtrent zijn verhindering (passende) arbeid te verrichten. [eiser] stelt immers arbeidsongeschikt te zijn en vraagt doorbetaling van zijn loon op grond van artikel 7:629 BW, aldus SnowWorld. Deze eis geldt weliswaar in beginsel niet voor een procedure in kort geding, maar in de visie van SnowWorld heeft [eiser] thans voldoende tijd gehad – vanaf 22 oktober 2007 tot heden – om een dergelijke verklaring over te kunnen leggen.

4.2. Een verklaring als bedoeld in artikel 7:629a BW is inderdaad vereist indien de vordering tot loondoorbetaling is gestoeld op artikel 7:629 BW. De discussie tussen partijen betreft echter niet de vraag of [eiser] al dan niet arbeidsgeschikt is om zijn of andere passende arbeid te verrichten, maar of er tussen partijen na 22 oktober 2007 nog een arbeidsovereenkomst bestaat. De grondslag van de vordering van [eiser] is immers dat SnowWorld ten onrechte ervan uitgaat dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd. De omstandigheid dat [eiser] naar eigen zeggen arbeidsongeschikt is, doet daar in dit geval niet aan af. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het ontvankelijkheidsverweer van SnowWorld faalt.

4.3. Partijen houdt in de eerste plaats verdeeld of [eiser] op 22 oktober 2007 zelf ontslag heeft genomen. Voor de beantwoording van die vraag dient als uitgangspunt te worden genomen dat de eisen van de goede trouw in verband met de ingrijpende gevolgen die een eenzijdige ontslagneming op staande voet in beginsel voor een werknemer heeft, kunnen meebrengen dat een werkgever, hoezeer hij de betreffende uitingen als een ontslagneming heeft opgevat en mocht opvatten, zich ervan moet vergewissen of de werknemer werkelijk onvoorwaardelijk ontslag wilde nemen. De omstandigheid dat hier de werknemer een statutair directeur is, leidt niet tot een ander toetsingskader. Daarnaast is het aan de werkgever om in ieder geval aannemelijk te maken dat de werknemer werkelijk onvoorwaardelijk ontslag heeft genomen.

4.4. Vaststaat dat SnowWorld op 22 oktober 2007 kritiek heeft geuit jegens [eiser] over zijn functioneren met betrekking tot de IPO. Hoewel [eiser] op de hoogte was van het onderwerp van het gesprek, kwam de kritiek op zijn functioneren als donderslag bij heldere hemel. SnowWorld heeft de stelling van [eiser], dat zij tot en met 25 september 2007 positief was over de voortgang van de IPO, niet weersproken. [eiser] was dan ook niet voorbereid op een dergelijke wending in dat gesprek. Op welke wijze [eiser] op die kritiek heeft gereageerd – behoudens het naar eigen zeggen weerleggen van de argumenten – is tussen partijen in geschil. Zo de uitlatingen van [eiser] op 22 oktober 2007 al als een eenzijdige ontslagname geduid kunnen worden, is voorshands genoegzaam gebleken dat SnowWorld zich niet ervan heeft vergewist of [eiser] daadwerkelijk dat ontslag wilde nemen, terwijl zij dat onderzoek, gegeven het hiervoor onder 4.3 weergegeven toetsingskader, wel had behoren te doen. Dat SnowWorld een dergelijk onderzoek niet heeft verricht volgt uit de omstandigheid dat de ontslagname nog dezelfde dag per brief door haar is bevestigd aan [eiser]. De oorzaak waarom de brief pas op 25 oktober 2007 bij [eiser] is bezorgd, kan hier buiten beschouwing blijven, nu SnowWorld ook ter zitting heeft volhard die brief direct te hebben verstuurd. Overigens is voor het vaststellen van hetgeen over en weer is gezegd tijdens het gesprek van 22 oktober 2007, nader onderzoek nodig en daarvoor is in het beperkte kader van deze procedure geen ruimte. Hieruit volgt dat SnowWorld voorshands niet aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] eenzijdig ontslag heeft genomen. Een en ander leidt tot het voorlopig oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en SnowWorld ook na 22 oktober 2007 nog voortduurt.

4.5. Partijen twisten vervolgens over het antwoord op de vraag of het ontslagbesluit op de vergadering rechtsgeldig tot stand is gekomen, op basis waarvan de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2008 is komen te beëindigen.

4.6. Het beroep van [eiser] op de nietigheid dan wel de vernietigbaarheid van het ontslagbesluit is in de eerste plaats gebaseerd op de stelling dat het beginsel van hoor en wederhoor door SnowWorld is geschonden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting, is gebleken dat [eiser] en SnowWorld op 22 oktober 2007 en 26 oktober 2007 uitvoerig met elkaar hebben gesproken over de argumenten die voor SnowWorld aanleiding hebben gegeven tot de kritiek op het functioneren van [eiser]. Daarnaast is niet weersproken dat op 3 december 2007 en nogmaals op 19 december 2007 de ontslaggronden met toelichting aan de advocaat van [eiser] bekend zijn gemaakt. Ook uit de conceptnotulen van de vergadering blijkt dat [eiser] uitvoerig met SnowWorld heeft gedebatteerd over die argumenten. Die omstandigheden tezamen wettigen naar voorlopig oordeel de conclusie dat [eiser] voorafgaande aan de vergadering voldoende op de hoogte was van de gronden voor het ontslag en hij op de vergadering voldoende gelegenheid heeft gekregen zijn standpunt te bepleiten. Onvoldoende is gebleken dat [D] te weinig kennis van zaken had, waardoor de informatie-uitwisseling tijdens de vergadering te wensen overliet. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

4.7. In de tweede plaats heeft [eiser] aangevoerd dat SnowWorld in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld. [eiser] heeft noch in de gesprekken van 22 oktober 2007 en 26 oktober 2007, noch op de vergadering de onvrede bij SnowWorld weg kunnen nemen. Ook ter zitting staan partijen nog lijnrecht tegenover elkaar ten aanzien van de informatie die [eiser] aan SnowWorld zou hebben verschaft. Voor de vaststelling van de juistheid van de over en weer geponeerde stellingen zal verdere bewijslevering, zoals het doen horen van getuigen en deskundigen, noodzakelijk zijn. Een kort geding is daarvoor evenwel niet de aangewezen procedure. Nu het aan [eiser] is om de onjuistheid van de aangevoerde argumenten aan te tonen, leidt het voorgaande tot de slotsom dat SnowWorld in redelijkheid tot het ontslagbesluit heeft kunnen komen. De omstandigheid dat de aandeelhouders zich op de vergadering hebben laten vertegenwoordigen door [D], doet niets af aan de rechtsgeldigheid van dat ontslagbesluit, nu gesteld noch gebleken is dat in de statuten van de vennootschap of op andere wijze van deze bevoegdheid is afgeweken.

4.8. Nu niet is gebleken van de nietigheid dan wel de vernietigbaarheid van het ontslagbesluit, is dit besluit voorshands rechtsgeldig genomen.

4.9. [eiser] heeft zich voorts beroepen op het verbod, neergelegd in artikel 7:670 BW, om de arbeidsovereenkomst gedurende zijn arbeidsongeschiktheid op te zeggen. Niet gebleken is dat [eiser] ten tijde van de vergadering of daaraan voorafgaand arbeidsongeschikt was. [eiser] heeft zich weliswaar ziek gemeld, maar uit de voortgangsverslagen van Commit, weergegeven onder 2.9 en 2.15, volgt dat er aan de zijde van [eiser] geen medische beperkingen zijn geconstateerd en dat de ziekmelding is voortgekomen uit een conflict tussen de aandeelhouders en [eiser]. Uit de brief van 26 november 2007 blijkt ook dat de behandeling door Commit is gestaakt. [eiser] heeft geen andere medische gegevens overgelegd waaruit zijn ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid blijkt. Dit beroep wordt daarom verworpen.

4.10. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bij brief van 28 december 2007 gedane opzegging van de vennootschapsrechtelijke relatie tussen [eiser] en SnowWorld tegen 1 februari 2008, rechtsgeldig is. Een rechtsgeldige opzegging in vennootschapsrechtelijke zin heeft tot gevolg dat ook de arbeidsrechtelijke relatie wordt beëindigd, zodat de loonvordering toewijsbaar is tot 1 februari 2008.

4.11. Nu geen afzonderlijk verweer is gevoerd tegen de gevorderde onkostenvergoeding van € 225,-- netto per maand is deze vergoeding eveneens toewijsbaar. De gevorderde wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW zal worden gematigd tot 10%.

4.12. De vordering om een auto en mobiele telefoon aan [eiser] ter beschikking te stellen zal worden afgewezen, nu de voorzieningenrechter voorshands ervan uitgaat dat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2008 is beëindigd, zodat [eiser] geen recht meer heeft op die zaken.

4.13. SnowWorld zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt SnowWorld tot betaling aan [eiser] van het achterstallige salaris van € 15.000,-- bruto per maand vanaf 22 oktober 2007 tot 1 februari 2008, te vermeerderen met 10% ter zake van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente vanaf de respectieve datum van verschuldigdheid tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede betaling van de onkostenvergoeding van € 225,-- netto per maand vanaf 22 oktober 2007 tot 1 februari 2008;

veroordeelt SnowWorld in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.240,31, waarvan € 816,-- aan salaris procureur, € 1.340,-- aan griffierecht en € 84,31 aan dagvaardingskosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en uitgesproken ter openbare zitting van 3 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

nve