Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5355

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-02-2008
Datum publicatie
28-02-2008
Zaaknummer
09/754116-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte verdacht van medeplegen dubbele moord (de zogenoemde Metselmoorden). Een daadwerkelijke betrokkenheid van verdachte bij de uitvoering van het misdrijf kan niet worden bewezen. Niettemin kan verdachte als medepleger worden aangemerkt als sprake zou zijn van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op de dood van de slachtoffers. Verdachte kan als medepleger worden aangemerkt, ook als hij niet bij de uitvoering aanwezig is geweest, als sprake is geweest van een zo nauwe samenwerking, die op niets anders dan op de dood van de slachtoffers gericht kon zijn. Er is onvoldoende bewijs voor een vooropgezet plan om de slachtoffers van het leven te beroven. Een bewuste en nauwe samenwerking in het kader van een dergelijk plan kan dan ook niet worden aangenomen. Er is ook overigens op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting geen moment aan te wijzen voor of tijdens het plaatsvinden van de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van de slachtoffers, waarvan kan worden gezegd, dat verdachte toen in nauwe en bewuste samenwerking met zijn vader en zijn broer aan die levensberoving heeft meegewerkt. Er zijn aanwijzingen van betrokkenheid van verdachte bij de meedogenloze en volstrekt respectloze wijze waarop met de lichamen van de slachtoffers is omgegaan: het inpakken, het wegbrengen en inmetselen van de lichamen van de slachtoffers en het wegmaken van sporen. De officier heeft evenwel aan verdachte niet de overtreding van artikel 151 Sr (onttrekking van een lijk aan nasporing) en/of artikel 189 Sr (begunstiging) ten laste gelegd. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

parketnummer 09/754116-04

's-Gravenhage, 28 februari 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden,

PCS Huis van Bewaring, Unit 1,

te ’s-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 21 augustus 2007, 6 november 2007, 4 januari 2008 en 19, 20 en 21 februari 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr M.L. Groeneveld, advocaat te Rotterdam, is ter terechtzittingen van 4 januari 2008 en 19 en 20 februari 2008 verschenen en gehoord.

Er hebben zich twee benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr P. Spoon heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding impliciet primair ten laste gelegde - medeplegen van moord, meermalen gepleegd - wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest en uitleveringsdetentie in India doorgebracht.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ten bedrage van € 3.300,00.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.300,00, subsidiair 66 dagen hechtenis, ten behoeve van [benadeelde partij 1].

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ten bedrage van € 2.606,95.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.606,95, subsidiair 52 dagen hechtenis, ten behoeve van [benadeelde partij 2].

De officier van justitie heeft tenslotte gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als B aan dit vonnis is gehecht) genoemd pand [adres 1] zal worden teruggegeven aan de verdachte.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De raadsvrouwe van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat het openbaar ministerie het recht op vervolging heeft verloren en niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij heeft daar vijf redenen toe aangevoerd, welke verband houden met

1. overschrijding van de redelijke termijn;

2. het bewaren van geheimhoudersgesprekken;

3. de vernietiging van kleding van slachtoffers, waardoor de verdediging is beknot in haar rechten;

4. het verstrekken van onderzoeksgegevens aan een journalist;

5. het achterhouden en het verdwijnen van informatie.

De rechtbank overweegt het volgende.

1. Redelijke termijn.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de redelijke termijn, waarbinnen de behandeling van een zaak dient plaats te vinden, ernstig is overschreden. Zij stelt daartoe dat de zaak normaliter binnen 16 maanden na aanvang van de redelijke termijn dient te zijn afgerond. Uitgaande van alleen de detentie van verdachte zijn er 8 maanden overschreden, doch volgens de raadsvrouw is sprake van schending van de redelijke termijn nu het openbaar ministerie een verzoek tot uitlevering heeft gedaan, waardoor verdachte meer dan 15 maanden in uitleveringsdetentie in India heeft gezeten. Dit was niet nodig geweest, nu het emailadres van verdachte bij de politie bekend was, aldus de raadsvrouw.

De officier van justitie heeft aangegeven dat er sprake was van een complex onderzoek, de uitleveringsprocedure in India aanzienlijke tijd heeft gekost - hetgeen niet te wijten is aan het openbaar ministerie - en er op verzoek van de verdediging nog een groot aantal getuigen zijn gehoord.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad een zaak, waarbij verdachte in voorlopige hechtenis zit, in beginsel in eerste aanleg binnen 16 maanden behoort te zijn afgedaan. Verdachte is op 25 augustus 2004 als verdachte aangemerkt. Op 16 november 2004 is er een verzoek tot opsporing en aanhouding aan de Indiase autoriteiten gedaan. Verdachte is op 30 januari 2006 in India aangehouden en pas op 10 mei 2007 uitgeleverd aan Nederland.

De rechtbank merkt op dat het voornamelijk aan het gedrag van verdachte te wijten is geweest dat voornoemde termijn is overschreden. Verdachte is immers op 22 augustus 2004 naar het buitenland vertrokken en heeft zijn verblijfplaats niet bekend gemaakt. Het feit dat in een ander onderzoek zijn emailadres bekend was, doet hieraan niets af, nu hiermee op geen enkele wijze zijn werkelijke verblijfplaats te traceren was. Het is vervolgens niet aan het openbaar ministerie toe te rekenen dat de uitleveringsprocedure met India dermate lang heeft geduurd. Aan verschillende rechtshulpverzoeken is door de Indiase autoriteiten geen medewerking verleend en verdachte heeft zich bovendien in eerste instantie verzet tegen uitlevering. Na uitlevering van verdachte aan Nederland heeft de verdediging in augustus 2007 nog diverse onderzoekswensen ingediend, waaronder het horen van verschillende getuigen. Gelet op voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding van een redelijke termijn van 16 maanden in dit geval niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

2. Geheimhoudersgesprekken.

De raadsvrouw heeft betoogd dat het verschoningsrecht is geschonden doordat in strijd met het "Besluit en Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders" een groot aantal gesprekken met geheimhouders zeer lange tijd is bewaard en eerst na bijna een jaar is vernietigd. Deze schending dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank stelt vast dat het dossier vernietigingsbevelen bevat betreffende geheimhoudersgesprekken, niet zijnde gesprekken die met machtiging van de rechter-commissaris aan het dossier zijn toegevoegd. In het dossier bevinden zich meerdere bevelen tot vernietiging van 24 en 27 oktober 2005, meerdere processen-verbaal van vernietiging van 28 oktober 2005 en een proces-verbaal van verwijdering uit het Reliant systeem (auditieve opname). De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat dit is gebeurd naar aanleiding van een extra uitgevoerde zoekslag in het systeem Octopus teneinde te controleren in hoeverre alle gesprekken met geheimhouders zijn vernietigd. Deze werkwijze is bevestigd door inspecteur [A] van de politie Haaglanden.

Uit de vernietigingsbevelen blijkt dat de gesprekken niet terstond zijn vernietigd, zoals voorgeschreven. De vraag is of deze constatering, waarbij in een aantal gevallen sprake is van een tijdsverloop van meerdere maanden tussen het opnemen en het bevel tot vernietigen van deze gesprekken, tot gevolg heeft dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat niet gesproken kan worden van een zelfde situatie als in het proces tegen de “Hells Angels” zoals door de raadsvrouw gesteld. Uit de uitspraak in die strafzaak blijkt dat er sprake was van ernstige, grootschalige en herhaaldelijke inbreuken op regelgeving ter waarborging van het verschoningsrecht, onder meer bestaande uit het, zonder machtiging van de rechter-commissaris, toevoegen aan het procesdossier van gesprekken die vallen onder het verschoningsrecht. Verder waren gesprekken met verschoningsgerechtigden gebruikt bij het aanvragen van een bevel tot stelselmatige observatie en verzoeken tot het afluisteren van telefoongesprekken. Van een dergelijke grove en grootschalige inbreuk op het verschoningsrecht is in de onderhavige zaak niet gebleken. De officier van justitie heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat de bewuste gesprekken niet in het dossier zijn gevoegd en ook verder niet zijn gebruikt in het opsporingsonderzoek. De rechtbank is daarvan ook niet gebleken. De rechtbank gaat er in deze zaak vanuit dat de te late vernietiging het gevolg is van onvoldoende zorgvuldig handelen. Aangezien dit onzorgvuldig handelen betrekking heeft op een elementair grondrecht, kan dit handelen wel consequenties hebben, doch niet de meest vergaande consequentie van niet-ontvankelijkheid, zoals de raadsvrouw heeft betoogd.

3. Vernietigde kleding.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat door het vernietigen van de kleding van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zij ernstig beknot is in haar verdedigingsmogelijkheden. De verdediging beroept zich op ernstige schending van artikel 6 EVRM, hetgeen dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de kleding destijds volledig op sporen is onderzocht. Aangezien op de kleding geen bruikbare sporen zijn aangetroffen en verder geen onderzoek aan de kleding kon worden verricht, is de kleding vernietigd. Voorts heeft de officier van justitie verwezen naar het standpunt van de rechtbank hierover in de zaak van de medeverdachten.

De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een dermate ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan, nu immers de kleding eerst is vernietigd nadat die volledig op sporen is onderzocht. Hierover zou anders geoordeeld kunnen worden indien de kleding zou zijn vernietigd nadat door de verdediging een verzoek tot nader onderzoek zou zijn gedaan, hetgeen hier niet het geval is.

4. Verstrekken onderzoeksinformatie door politie aan een journalist.

De raadsvrouw heeft betoogd dat de politie - onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie - heeft getracht de rechtsgang te beïnvloeden door cruciale informatie te lekken aan journalist [journalist] over een (gemaakte) afspraak tussen verdachte en de slachtoffers op 12 augustus 2004, die vervolgens een artikel over de zaak heeft gepubliceerd in de Nieuwe Revu. Van een eerlijk proces is daardoor geen sprake, zodat dat dient te leiden tot niet- ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank is niet gebleken van enige beïnvloeding van de rechtsgang zoals door de raadsvrouw gesteld[journalist] heeft zich in de procedure steeds beroepen op zijn verschoningsrecht ter bescherming van zijn bron(nen). Door de rijksrecherche is onderzoek gedaan naar een mogelijk lek bij de politie, maar heeft een dergelijk lek niet kunnen vaststellen. Het betoog van de raadsvrouw faalt derhalve.

5. Achterhouden en verdwenen informatie.

De raadsvrouw heeft betoogd dat essentiële informatie, te weten het emailadres van verdachte dat bij rechercheur [B] bekend was en een telefoongesprek tussen [B] en verdachte, lange tijd buiten het dossier is gehouden, waardoor onder andere de Indiase autoriteiten op het verkeerde been zijn gezet. Gevolg is schending van artikel 3 EVRM, nu de verdachte onnodig en in ieder geval langer dan nodig in India gedetineerd is geweest onder verschrikkelijke omstandigheden, aldus de raadsvrouw.

Voorts heeft zij aangevoerd dat aan de verdediging de mogelijkheid is ontnomen om de aanleiding van de zaak, betreffende bedreigingen en afpersingen, in te kleuren doordat de cd-rom met daarop voicemailberichten van door [slachtoffer 1] geuite bedreigingen, er kennelijk niet meer is of is kwijtgeraakt.

De officier heeft hiertoe aangevoerd dat nimmer informatie is achtergehouden en er niet is gebleken dat de voicemailberichten op cd-rom zijn opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat het in een later stadium toevoegen aan het dossier van informatie uit een ander onderzoek betreffende het emailadres van verdachte er niet toe heeft geleid dat het openbaar ministerie in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door een aanhoudings- en uitleveringsverzoek in India in te dienen, nu immers uit voornoemde informatie op geen enkele wijze inzicht wordt gegeven over de verblijfplaats van verdachte.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de bewuste cd-rom geen onderdeel uitmaakt van het dossier. Of deze is gemaakt en zo ja al dan niet bewust is kwijtgeraakt, doet naar het oordeel van de rechtbank er niet aan af dat uit het dossier en met name uit de aangiften van verdachte en de vader van verdachte en de diverse getuigenverklaringen genoegzaam is gebleken van bedoelde bedreigingen en afpersing. De rechtbank is derhalve ook op dit onderdeel van oordeel dat er geen ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde en de verdediging niet in haar belangen is geschaad.

De rechtbank ziet dan ook geen belemmeringen voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het bewijs.

1. Inleiding.

Op 12 augustus 2004 zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanuit [Z] naar Den Haag vertrokken. Zij zijn in de loop van die dag telefonisch onbereikbaar gebleken en op 13 augustus 2004 is aangifte gedaan van hun verdwijning. De auto waarin zij naar Den Haag waren gereden is twee weken later aangetroffen. Op 23 september 2004 zijn in een pand aan de [adres 2] met behulp van bloed- en lijkhonden de lichamen van beide mannen aangetroffen. Zij bleken op een gewelddadige manier om het leven te zijn gebracht, [slachtoffer 1] met 43 tot 45, [slachtoffer 2] met 33 steek- en snijverwondingen.

In het politieonderzoek, op gang gekomen na de verdwijning van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], is komen vast te staan dat er een verband bestaat tussen gebeurtenissen in de periode van 15 april 2004 en 4 augustus 2004, op welke laatstgenoemde datum verdachte aangifte heeft gedaan van bedreiging, mishandeling en zijn ontvoering door ene [T]. Later blijkt dat het om [slachtoffer 1] ging. Een en ander hield verband met een geldbedrag dat [slachtoffer 1] meende te goed te hebben van een zwager van verdachte.

Vast is komen te staan dat [slachtoffer 1] en anderen in genoemde periode maar ook ná 4 augustus 2004 op zoek waren naar verdachte en daarbij gewelddadigheid niet vermeden, ook niet jegens personen in de omgeving van verdachte.

Na de lugubere vondst van de lichamen van de slachtoffers op 23 september 2004 is een grootschalig politieonderzoek gestart, waarbij verdachte, zijn broer [broer verdachte], zijn vader en twee anderen uiteindelijk als de hoofdverdachten zijn aangemerkt. Verdachte was inmiddels op 22 augustus 2004 naar India gereisd. Zijn vader en broer zijn in september 2004 aangehouden. Bijna drie maanden later heeft [broer verdachte] een bekennende verklaring afgelegd. Ook verdachtes vader (verder vader D) heeft verklaringen afgelegd. Volgens deze beide verdachten zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 12 augustus 2004 in de woning aan de [adres 1] in gevecht geraakt met [broer verdachte], die daar met vader D aanwezig was. In dat gevecht zou [broer verdachte] een van beide mannen een mes hebben kunnen ontfutselen, waarna hij, in een hevige strijd, beide slachtoffers een aantal keren heeft gestoken, waarna zij ter plaatse zijn overlede.

[Broer verdachte] en vader D zijn bij vonnis van 4 september 2007 schuldig bevonden aan het medeplegen van moord, meermalen gepleegd. Twee andere verdachten zijn veroordeeld voor het medeplegen van begunstiging (artikel 189 Sr).

De rechtbank staat thans voor de vraag of ook verdachte als medepleger van dubbele moord moet worden aangemerkt.

2. Voorbedachte raad.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van voorbedachte rade en dus van moord, omdat sprake was van een vooropgezet plan van verdachte en zijn medeverdachten om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Dat sprake was van een vooropgezet plan vindt volgens de officier steun in

a) verklaringen van medeverdachten en getuigen,

b) verklaringen van getuigen, waaruit blijkt dat er een afspraak was tussen [slachtoffer 1] en verdachte om elkaar op 12 augustus 2004 te ontmoeten, en voorts uit

c) een analyse van telefonische gegevens en cell-id gegevens, die wijzen op een geplande actie, alsmede in het feit

d) dat er in totaal zes personen van de zijde van verdachte aanwezig waren, zonder dat een plausibele reden voor hun aanwezigheid kan worden gegeven.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ad a) getuigenverklaringen over een vooropgezet plan.

De officier van justitie heeft gewezen op een verklaring van vader D, welke hij kort na zijn aanhouding op 30 september 2004 heeft afgelegd. Vader D verklaart onder meer dat verdachte zou hebben gezegd dat hij de mannen wel terug zou pakken en dat verdachte verantwoordelijk is voor de moorden op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De rechtbank is van oordeel dat aan deze verklaring niet veel waarde kan worden gehecht. Deze medeverdachte ontkende toen elke betrokkenheid. Later is vader D gaan verklaren over zijn betrokkenheid en heeft hij hetgeen hij op 30 september 2004 heeft verklaard teruggetrokken.

Voorts heeft de officier van justitie gewezen op een verklaring van getuige [E], afgelegd op 6 november 2004, dat hij verdachte heeft horen zeggen dat hij de mannen naar de [adres 1] zou lokken en dat die mannen moesten worden opgeknapt. Getuige [F] heeft bevestigd dat zij dat van [E] heeft gehoord. Ook is gewezen op verklaringen van getuige/medeverdachte [G] en getuige [H].

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze verklaringen niet meer worden afgeleid, dan dat verdachte heeft gesproken over wat er zou moeten gebeuren als de politie niets aan het probleem zou doen. In de situatie waarin verdachte op dat moment verkeerde, nadat hij zelf én zijn vader aan den lijve de vasthoudendheid van [slachtoffer 1] hadden ondervonden, is het niet onbegrijpelijk als zou zijn overwogen zelf maatregelen te treffen. Daarmede is niet gezegd dat het voornemen bestond ‘de mannen’ van het leven te beroven. [H] heeft verklaard over een kromzwaard dat vader [D] zou hebben willen laten slijpen en ook dat hij later een beitel zou hebben klaargelegd in zijn auto. Er is geen enkel technisch bewijs dat een kromzwaard of zwaard uiteindelijk is gebruikt.

Ad b) de afspraak.

De officier heeft gewezen op de verklaringen van de getuige [J], de getuige [K] en de getuige [journalist].

De getuige [J], moeder van slachtoffer [slachtoffer 2], heeft wat zij weet over een afspraak, zo moet uit haar verklaringen worden afgeleid, gehoord van de getuige [K], een vriend van [slachtoffer 1], die ook betrokken is geweest bij de activiteiten van [slachtoffer 1] in de periode na 15 april 2004. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze laatste getuige niet consistent over een afspraak verklaard. Op 4 oktober 2004 heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij op woensdagavond (11 augustus 2004) van [slachtoffer 1] hoorde dat hij enkele nieuwe adressen had en dat hij die de volgende dag samen met [slachtoffer 2] zou gaan bekijken. Eerst op 24 augustus 2006 verklaart deze getuige dat hij op woensdag 11 augustus 2004 van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] heeft gehoord dat zij op 12 augustus 2004 om 12 uur in Den Haag moesten zijn voor die afspraak. Tegenover de rechter-commissaris heeft de getuige op 7 november 2007 aangegeven dat [slachtoffer 1], als hij een klusje had, ook wel het woord ‘afspraak’ gebruikte.

Vervolgens is er de getuige [journalist], die in augustus 2006 in een artikel in 'Nieuwe Revu' schrijft over een telefonische afspraak tussen [slachtoffer 1] en verdachte. Deze getuige heeft zich steeds beroepen op zijn recht om als journalist zijn bronnen te beschermen. De rechtbank heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld, dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder moet wegen dan dit recht op verschoning. Om uiteenlopende redenen heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging om deze getuige door middel van gijzeling te dwingen zijn bron(nen) bekend te maken afgewezen. Zonder de bron te kennen, kan aan de stelling dat er een telefonische afspraak was geen waarde worden gehecht. Daarbij komt dat het al eerder genoemde onderzoek, dat de Rijksrecherche heeft uitgevoerd, naar aanleiding van het vermoeden van mogelijk een lek binnen de politie naar deze journalist, geen resultaat heeft gehad. In dit onderzoek zijn alle beschikbare tapgesprekken en printgegevens uit verschillende onderzoeken opnieuw onderzocht. Hieruit blijkt niets omtrent een afspraak op 12 augustus 2004.

Het dossier bevat ook overigens geen enkele aanwijzing dat sprake is geweest van een telefonisch gemaakte afspraak voor 12 augustus 2004 tussen [slachtoffer 1] en verdachte. Uit afgeluisterde gesprekken die [slachtoffer 1] heeft gevoerd met de buurman op de [adres 1], [naam buurman], blijkt bovendien dat [slachtoffer 1] op woensdagavond op zoek was naar verdachte. Dit wijst niet op het bestaan van een afspraak op dat moment, integendeel.

De officier van justitie heeft er nog op gewezen dat de verklaringen van [K] en [journalist] worden ondersteund door verklaringen van [L], waaruit kan worden afgeleid dat verdachte op 12 augustus 2004 kennelijk mensen verwachtte: hij vroeg [L] of er mensen in de straat liepen en hij keek telkens om. In het licht van het feit dat [slachtoffer 1] al geruime tijd op zoek is naar verdachte, om welke reden verdachte niet in zijn eigen auto rijdt en zelfs een pruik zou dragen, kan wellicht steun worden gevonden voor het bestaan van een afspraak maar evenzeer voor het streven een ontmoeting juist te voorkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen bewijs voor het bestaan van een op 11 augustus 2004 gemaakte afspraak tussen verdachte en [slachtoffer 1] voor 12 augustus 2004.

Of er op 12 augustus 2004, bijvoorbeeld in een gesprek tussen [slachtoffer 1] en getuige [M], een afspraak voor die dag zou zijn tot stand gekomen, is slechts speculatie.

Ad c) analyse van telefoongegevens en cell-id gegevens.

Blijkens de telefoongegevens heeft [slachtoffer 1] in de ochtend van 12 augustus 2004 gebeld met het nummer van [M], ook een doelwit van [slachtoffer 1]. Er kan slechts worden gespeculeerd over wat in dat telefonisch contact is besproken. Speculatie is ook de analyse van de cell-id gegevens, waarin wordt gesuggereerd, dat [M] na dit telefoongesprek een ontmoeting heeft gehad met verdachte en zijn broer in de woning van zijn broer aan de [adres 3]. Dat [M] geen alibi heeft en dat zijn telefoon in het zelfde gebied is als waar de telefoons van verdachte en zijn broer zich bevinden doet aan het speculatieve karakter niet af.

In het dossier en door de officier wordt, er van uitgaande dat een ontmoeting tussen verdachte, zijn broer en [M] heeft plaatsgevonden, aangenomen, dat er tijdens of na deze ontmoeting afstemming heeft plaatsgevonden tussen [broer verdachte], vader D en getuige/medeverdachte [N]. Daarbij wordt in het dossier en door de officier gewezen op de uit de telefoongegevens blijkende contacten van het mobiele nummer [broer verdachte] met dat van [N] en de ex van vader D. Door medeverdachten en andere betrokkenen zijn daarover tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Deze tegenstrijdigheden ontnemen naar het oordeel van de rechtbank echter niet het speculatieve karakter aan de aanname.

Ad d) aanwezigheid op de [adres 1].

Maar dan rijst toch de vraag of verdachte en zijn medeverdachten [broer verdachte], vader D, [G] en [N] met het oog op een confrontatie met de slachtoffers naar de [adres 1] zijn gegaan.

Verdachte en zijn medeverdachten hebben dit oogmerk ontkend. Niettemin is het opvallend, dat de verklaringen van de verdachte en van zijn medeverdachten met betrekking tot de reden van hun komst naar de [adres 1] en de wijze waarop ze zijn gekomen uiteenlopen en onderling tegenstrijdig zijn. Deze tegenstrijdigheden bieden weliswaar steun voor de aannames rond de cell-id, zoals hiervoor beschreven, doch het blijft speculatie. De tegenstrijdigheden alleen vormen onvoldoende bewijs voor een geplande actie om de slachtoffers op te wachten. Ook al zijn er redenen denkbaar waarom rekening moest worden gehouden met de komst van [slachtoffer 1] of anderen, niet is komen vast te staan, dat verdachte en zijn medeverdachten met het oog op een confrontatie naar de [adres 1] zijn gegaan. En zelfs al zou dat oogmerk wél hebben bestaan, dan zou daarmee nog geenszins vaststaan, dat met een dergelijke confrontatie de dood van de slachtoffers werd beoogd.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat sprake was van een vooropgezet plan van verdachte en zijn medeverdachten om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

3. Betrokkenheid van verdachte, medeplegen.

In het vonnis van de rechtbank in de zaken tegen [broer verdachte] en vader D heeft de rechtbank in andere samenstelling geoordeeld dat de slachtoffers zijn doodgestoken op de eerste verdieping van de woning [adres 1], waarbij in elk geval directe betrokkenheid van [broer verdachte] kan worden vastgesteld.

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, in tegenstelling tot [broer verdachte] en vader D, verdachte niet daadwerkelijk betrokken is geweest bij de uitvoering van het misdrijf. Ook de rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting een daadwerkelijke betrokkenheid niet kan worden bewezen.

Niettemin kan verdachte als medepleger worden aangemerkt als sprake zou zijn van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op de dood van de slachtoffers. In het licht van de jurisprudentie rond het leerstuk van het medeplegen, kan verdachte als medepleger worden aangemerkt, ook als hij niet bij de uitvoering aanwezig is geweest, als sprake is geweest van een zo nauwe samenwerking, die op niets anders dan op de dood van de slachtoffers gericht kon zijn.

Hiervoor onder 2. heeft de rechtbank aangegeven dat er onvoldoende bewijs is voor een vooropgezet plan om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Een bewuste en nauwe samenwerking in het kader van een dergelijk plan kan dan ook niet worden aangenomen.

Er is ook overigens op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting geen moment aan te wijzen voor of tijdens het plaatsvinden van de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van de slachtoffers, waarvan kan worden gezegd, dat verdachte toen in nauwe en bewuste samenwerking met zijn vader en zijn broer aan die levensberoving heeft meegewerkt.

De officier heeft in dit verband nog gewezen op de handelingen, verricht na het doden van de slachtoffers, die het bewijs van voorbedachte rade en de betrokkenheid van verdachte ondersteunen.

Bij het ontbreken van een vooropgezet plan en directe betrokkenheid van verdachte ziet de rechtbank hierin geen steun voor de voorbedachte rade. Zonder tenminste een aanwijsbaar moment van nauwe en bewuste samenwerking voor en tijdens de levensberoving dragen deze handelingen ook niet bij aan het bewijs voor medeplegen.

Hieraan doet niet af dat er aanwijzingen zijn van betrokkenheid van verdachte bij de meedogenloze en volstrekt respectloze wijze waarop met de lichamen van de slachtoffers is omgegaan: het inpakken, het wegbrengen en inmetselen van de lichamen van de slachtoffers en het wegmaken van sporen. De officier heeft evenwel aan verdachte niet de overtreding van artikel 151 Sr (onttrekking van een lijk aan nasporing) en/of artikel 189 Sr (begunstiging) ten laste gelegd.

4. Conclusie.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot geen andere conclusie dan dat niet wettig en overtuigend is bewezen, hetgeen verdachte is ten laste gelegd. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

[benadeelde partij 1], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.300,00.

Voorts heeft [benadeelde partij 2], [adres], zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.553,95.

De rechtbank zal beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

Door de verdediging is aangevoerd, dat teruggave van de inbeslaggenomen woning met het oog op eventuele onderzoeken in het kader van een hoger beroep in de onderwerpelijke zaak, dan wel de zaken van de medeverdachten, ongewenst is.

De rechtbank volgt de raadsvrouwe hierin niet. Het oordeel van de rechtbank over verdachte laat geen andere beslissing toe dan dat wordt beslist tot teruggave en de rechtbank zal de teruggave, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, aan verdachte gelasten van de woning [adres 1].

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partijen:

[benadeelde partij 1],

en

[benadeelde partij 2],

niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat zij die slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

gelast de teruggave aan [verdachte] van de op de beslaglijst vermelde woning [adres 1];

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

De Haan en Berendsen, rechters,

in tegenwoordigheid van Van den Bosch, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 februari 2008.