Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5165

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/45116
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AC-procedure / amv / frustreren onderzoek / besloten opvang / vermoeden van mensenhandel

Niet is in geschil dat eiser de Indiase nationaliteit heeft, minderjarig is en door verweerder besloten is opgevangen. De rechtbank stelt vast dat, hoewel (vooralsnog) geen vastomlijnde objectieve criteria zijn vastgesteld ten aanzien van de vraag welke minderjarigen kunnen worden aangemerkt als zogenoemde “risico-jongeren”, uit verweerders brief aan de Tweede Kamer van 18 oktober 2007 naar voren komt dat de besloten opvang bedoeld is voor minderjarige vreemdelingen die het risico lopen slachtoffer te worden van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit innerlijk inconsistent is doordat daarin enerzijds is overwogen dat tot op heden niet is gebleken dat eiser mogelijk slachtoffer is van mensenhandel en daarin anderzijds is overwogen dat het COA verzocht zal worden om eiser beschermd (besloten) op te vangen en verweerder dus blijkbaar van mening is dat eiser het risico loopt slachtoffer te worden van mensenhandel. De door verweerder gehanteerde nieuwe werkwijze om risico-jongeren drie maanden in de besloten opvang te plaatsen, is er blijkens de hiervoor genoemde brief aan de Tweede Kamer juist op gericht deze jongeren, die door druk van buitenaf (van de mensenhandelaar of uitbuiter) onwelwillend zijn om melding te doen van hun situatie, gedurende een bepaalde periode in een afgeschermde omgeving te “deprogrammeren” en hen te overtuigen van het belang hiervan alsnog aangifte te doen. Inherent aan deze situatie is dat vooraf niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er sprake is van mensenhandel, nu de minderjarige daarover zwijgt. Er bestaat in dit soort situaties aldus slechts een vermoeden dat de minderjarige slachtoffer van mensenhandel is. Zonder genoemde periode van drie maanden aan eiser te gunnen, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet vaststellen dat eiser toerekenbaar een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst frustreert. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het besluit tot het niet verlenen van een amv-vergunning aan eiser niet binnen 48 uur in de AC-procedure kunnen nemen. Het beroep is derhalve gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 07/45116

V-nr.: 271.862.9839

inzake:

[eiser], geboren op [geboortedatum] oktober 1991, van Indiase nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen:

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 27 november 2007 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 3 december 2007 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tevens is in dit besluit overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Op 3 december 2007 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2008 in aanwezigheid van eiser, zijn gemachtigde, S.P. Baksoellah, tolk in het Punjabi, en de gemachtigde van verweerder. Ter zitting was tevens aanwezig G.E. Liewes, verbonden als voogd aan de Stichting Nidos te Assen. Op eisers verzoek is de heer Liewes ter zitting gehoord als deskundige op het gebied van de zogeheten “besloten opvang” van onder meer Indiase minderjarigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit van 3 december 2007, in het licht van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden.

2. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser de gronden ten aanzien van verweerders weigering om eiser asiel te verlenen niet langer gehandhaafd. Het beroep richt zich, aldus de gemachtigde, uitsluitend nog tegen de afwijzing door verweerder van eisers verzoek om in het bezit te worden gesteld van een amv-vergunning.

3. Verweerder heeft ten aanzien van dit punt in het bestreden besluit overwogen dat eiser gegevens omtrent zijn identiteit, nationaliteit en/of opvang in het land van herkomst heeft verzwegen. Eiser frustreert daarmee een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst en kan gelet hierop geen geslaagd beroep doen op het bijzondere beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Voor zover eiser, zoals door diens gemachtigde is gesuggereerd, door derden is geïnstrueerd, valt niet in te zien dat hij hierin heeft moeten volharden, nu hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten heeft ingeroepen, aldus verweerder. Ten aanzien van de opmerking dat eiser mogelijk een slachtoffer van mensensmokkel of mensenhandel zou kunnen zijn is door verweerder overwogen dat na uitreiking van de beschikking, waarbij de eerder opgelegde maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 zal worden opgeheven, het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) zal worden verzocht eiser beschermde opvang te bieden.

4. Namens eiser is in beroep, nader toegelicht ter zitting, het volgende - kort weergegeven - naar voren gebracht. Eiser heeft de Indiase nationaliteit en is minderjarig. Dit is door verweerder niet betwist. Eisers zaak dient te worden bezien in het licht van de hierna vermelde omstandigheden. Gebleken is dat het veelvuldig voorkomt dat Indiase jongens vrij snel na aankomst in de opvang verdwijnen. Mogelijk is in veel van deze gevallen sprake van mensenhandel. Deze situatie is onder de aandacht van verweerder gebracht. Verweerder is hierover in overleg getreden met de Stichting Nidos en het COA. In de brief van 18 oktober 2007, gericht aan de Tweede Kamer (TK 2007-2008, 19 637, nr. 1174), heeft verweerder ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen die het risico lopen slachtoffer te worden van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting een nieuwe werkwijze in de vorm van een besloten opvang aangekondigd. Deze besloten opvang ziet op intensieve begeleiding en voorlichting van deze alleenstaande minderjarige vreemdelingen, het voorkomen van vermissingen door het nemen van maximale beschermingsmaatregelen en het ontwikkelen van een (nieuwe) methodiek die de minderjarigen helpt met “deprogrammeren” van de invloed van de handelaar/uitbuiter. De besloten opvang zal met ingang van 1 januari 2008 in werking treden, aldus verweerder in zijn brief van 18 oktober 2007.

Zoals blijkt uit hetgeen door de heer Liewes ter zitting is verklaard, bestaat deze wijze van besloten opvang reeds sinds juli 2007, maar is eerst op 1 januari 2008 geformaliseerd en als “pilot” van start gegaan. De duur van de besloten opvang is drie maanden. In deze periode wordt getracht het vertrouwen van de minderjarigen te winnen en hen ertoe te bewegen hun medewerking te verlenen aan politie en justitie en aangifte te doen tegen de handelaar of uitbuiter. De minderjarigen worden in de besloten opvang 24 uur in de gaten gehouden, hebben zo weinig mogelijk contact met de buitenwereld en afspraken met de IND of advocaten vinden in de opvang plaats.

In het onderhavige geval is zo goed als zeker dat ook eiser slachtoffer is van mensenhandel gelet op de overduidelijk ingestudeerde verklaringen die hij heeft afgelegd. Verweerder heeft terecht aanleiding gezien eiser in de besloten opvang te laten opnemen. Deze beslissing is echter onverenigbaar met de omstandigheid dat verweerder binnen 48 uur in de AC-procedure heeft geweigerd aan eiser een amv-vergunning te verlenen. Nu eiser volgens verweerder kennelijk voldoet aan het risico-profiel van een vermeend slachtoffer van mensenhandel dient aan deze constatering ook de consequentie te worden verbonden dat eiser een overgangsperiode van drie maanden moet worden gegund alvorens er op zijn aanvraag wordt beslist. Het bestreden besluit kan, aldus eiser, derhalve geen stand houden.

5. Verweerder heeft in reactie hierop ter zitting - kort samengevat - aangegeven geen aanleiding te zien het bestreden besluit niet te handhaven. Niet controleerbaar is of er sprake is van opvang in India. Er zijn geen objectieve criteria op basis waarvan kan worden vastgesteld dat iemand als een zogenoemde “risico-jongere” dient te worden aangemerkt. Vooralsnog is slechts sprake van vage vermoedens dat eiser slachtoffer is van mensenhandel. De omstandigheid dat eiser in de besloten opvang zit, brengt nog niet met zich dat hij aldaar drie maanden zou moeten verblijven. Eiser is beschermde opvang aangeboden omdat met minderjarigen zoals hij geen risico wordt genomen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. De rechtbank stelt vast dat, alhoewel, zoals door verweerder ter zitting vermeld, (vooralsnog) geen vastomlijnde objectieve criteria zijn vastgesteld ten aanzien van de vraag welke minderjarigen kunnen worden aangemerkt als zogenoemde “risico-jongeren”, uit de hiervoor genoemde brief van verweerder aan de Tweede Kamer van 18 oktober 2007 naar voren komt dat de besloten opvang bedoeld is voor minderjarige vreemdelingen die het risico lopen slachtoffer te worden van mensenhandel of andere vormen van uitbuiting. Gelet op de inhoud van het bestreden besluit heeft verweerder de besloten opvang van eiser klaarblijkelijk opportuun geacht en moet worden aangenomen dat verweerder van mening is dat eiser als een risico-jongere dient te worden aangemerkt.

8. De rechtbank is onder deze omstandigheden met eiser van oordeel dat het bestreden besluit innerlijk inconsistent is doordat daarin enerzijds is overwogen dat tot op heden niet is gebleken dat eiser mogelijk slachtoffer is van mensenhandel en daarin anderzijds is overwogen dat het COA verzocht zal worden om eiser beschermd (besloten) op te vangen en verweerder gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dus blijkbaar van mening is dat eiser het risico loopt slachtoffer te worden van mensenhandel. De door verweerder gehanteerde nieuwe werkwijze om risico-jongeren drie maanden in de besloten opvang te plaatsen, is er blijkens de hiervoor genoemde brief aan de Tweede Kamer juist op gericht deze jongeren, die door druk van buitenaf (van de mensenhandelaar of uitbuiter) onwelwillend zijn om melding te doen van hun situatie, gedurende een bepaalde periode in een afgeschermde omgeving te “deprogrammeren” en hen te overtuigen van het belang hiervan alsnog aangifte te doen. Inherent aan deze situatie is dat vooraf niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat er sprake is van mensenhandel, nu de minderjarige daarover zwijgt. Er bestaat in dit soort situaties aldus slechts een vermoeden dat de minderjarige slachtoffer van mensenhandel is.

9. In het bestreden besluit heeft verweerder voorts overwogen dat het in de zienswijze door eiser ingenomen standpunt dat het mogelijk niet aan hem is toe rekenen dat hij bepaalde zaken verzwijgt, niet wordt gevolgd en dat zelfs indien eiser door derden is geïnstrueerd niet valt in te zien dat hij daarin heeft moeten volharden nadat hij de bescherming van de Nederlandse autoriteiten heeft ingeroepen. Nu verweerder er gelet op de nieuwe werkwijze met betrekking tot risico-jongeren van uitgaat dat het tijd kost om het vertrouwen van risico-jongeren, waaronder eiser, te winnen en deze er toe te brengen hun zwijgen te doorbreken, ook nadat deze de bescherming van de Nederlandse autoriteiten hebben ingeroepen, is ook deze overweging naar het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk.

10. Verweerder gaat er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van uit dat een periode van in ieder geval drie maanden nodig is om risico-jongeren, waaronder eiser, er toe te brengen hun zwijgen te doorbreken en aangifte te doen tegen de mensenhandelaar of uitbuiter. Zonder die periode aan eiser te gunnen, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet vaststellen dat eiser toerekenbaar een mogelijk onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst frustreert. Gelet daarop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het besluit tot het niet verlenen van een amv-vergunning aan eiser niet binnen 48 uur in de AC-procedure kunnen nemen. De omstandigheid dat eiser vóór de officiële inwerkingtreding van verweerders nieuwe beleid besloten is opgevangen, doet hieraan niet af. Zoals door de heer Liewes van de Stichting Nidos ter zitting is verklaard, en door verweerder niet is weersproken, heeft verweerder deze methode van besloten opvang van risico-jongeren reeds sinds juli 2007 gehanteerd.

11. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en dient te worden vernietigd. Het beroep is derhalve gegrond.

12. De rechtbank ziet gelet hierop aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank.

III. BESLISSING

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit van 3 december 2007;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in tegenwoordigheid van drs. Y.H.F. van Veldhuizen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2008

De griffier,

De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: Yve

Coll:

Bp: -

D:b

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.