Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5104

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 06/14608
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Schadevergoedingsuitspraak
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige overheidsdaad / schadevergoeding / onrechtmatige uitzetting / relativiteitsvereiste / beoordeling schadeposten

Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met onrechtmatige besluitvorming dient, aangezien de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen materiële criteria geeft ter bepaling van de schade, aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en de jurisprudentie van de burgerlijke rechter over de gevolgen van, met name, door de bestuursrechter vernietigde overheidsbeslissingen. Daaruit komen onder meer de volgende criteria naar voren:

- er moet sprake zijn van een daad van de overheid;<br<

- deze moet onrechtmatig zijn, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm;

- de daad moet aan de overheid zijn toe te rekenen;

- de geschonden norm moet er toe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste);

- er moet schade zijn;

- en er moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schade veroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.

Nu deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 29 september 2003 (AWB 03/28835) het beroep van eiser gegrond heeft verklaard en het besluit van 22 april 2003 heeft vernietigd staat daarmee de onrechtmatigheid van dat besluit en de toerekening ervan aan het bestuursorgaan vast (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 1992, AB 1992, 290 (Van Gog/Nederweert)). Hiermee staat derhalve ook vast dat de uitzetting van eiser naar Turkije onrechtmatig was. Verweerder heeft in dit verband nog betoogd dat van onrechtmatigheid van de uitzetting geen sprake kan zijn nu ten tijde van de uitzetting de beslissing op bezwaar reeds was genomen en het verzoek om voorlopige voorzieningen was afgewezen. Volgens verweerder kan de naderhand gewezen uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, er niet toe leiden dat de aanvankelijk rechtmatige uitzetting achteraf alsnog onrechtmatig wordt. Dit standpunt van verweerder is niet juist. Weliswaar is juist dat de uitzetting destijds rechtmatig heeft plaatsgevonden gezien de beslissing op bezwaar en de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorzieningen. Nu het besluit van 22 april 2003 vervolgens is vernietigd geldt evenwel dat gezien de terugwerkende kracht van een dergelijke vernietiging de uitzetting achteraf onrechtmatig is geweest. Dat het verzoek om voorlopige voorzieningen is afgewezen doet daaraan niet af. De beslissing op een verzoek om voorlopige voorzieningen betreft immers slechts een voorlopig oordeel dat de rechter in de bodemzaak niet bindt. Een uitzetting op basis van een niet-onherroepelijk besluit geschiedt voor risico van verweerder. Ook aan het relativiteitsvereiste is naar het oordeel van de rechtbank voldaan, nu de bescherming tegen verwijdering naar het land waar een vreemdeling vervolging vreest, fundamenteel onderdeel uitmaakt van de (inter)nationale vluchtelingrechtelijke regelgeving. De geschonden norm – bescherming tegen uitzetting - strekt er immers toe een vreemdeling niet bloot te stellen aan vervolging in het land van herkomst.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door eiser opgevoerde schadeposten aannemelijk zijn gemaakt, en of deze schadeposten een rechtstreeks gevolg zijn van de onrechtmatige uitzetting en daaraan in redelijkheid kunnen worden toegerekend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 108
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2008, 62
JV 2008/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudige kamer

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 06/14608 OVERIN

Inzake : [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer], woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. G.E.M. Later, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

Eiser, geboren op [geboortedatum] 1951, bezit de Turkse nationaliteit. Bij brief van 7 augustus 2003 heeft hij verweerder verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade als gevolg van zijn uitzetting naar Turkije en zijn terugkeer naar Nederland. Op dit verzoek is door verweerder op 9 december 2003 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Op 27 januari 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 maart 2006 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 10 januari 2008. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte zijn oordeel, dat eiser niet in aanmerking komt voor schadevergoeding, heeft gehandhaafd.

3. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de ingediende stukken op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde schadevergoeding in aanmerking komt. Primair stelt verweerder zich op het standpunt dat geen sprake is van toerekenbaar onrechtmatig handelen. Subsidiair betoogt verweerder dat er geen sprake is van uit toerekenbare onrechtmatigheid voortvloeiende schade.

4. De rechtbank gaat bij haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

4.1. Eiser heeft op 10 april 2000 een aanvraag gedaan om toelating als vluchteling en verlening van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Beide aanvragen zijn door verweerder bij besluit van 28 november 2000 afgewezen. Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft eiser op 6 mei 2001 de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het verweerder hangende de bezwaarprocedure niet is toegestaan eiser uit te zetten. Bij uitspraak van 13 september 2002 (AWB 01/19800 OVERIO) heeft de voorzieningenrechter bovengenoemd verzoek afgewezen.

Bij besluit van 22 april 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 28 november 2000 ongegrond verklaard.

4.2. Eiser is op 4 juni 2003 door verweerder uitgezet naar Turkije.

Op 5 juni 2003 is eiser – direct na aankomst - gearresteerd door de Turkse autoriteiten en in verzekerde bewaring gesteld.

4.3. Bij faxbericht van 16 juni 2003 heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder de last tot uitzetting alsnog intrekt en eiser alsnog in de gelegenheid stelt om de beslissing op zijn beroepschrift in Nederland af te wachten.

Bij uitspraak van 29 september 2003 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam (AWB 03/28835), het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit van 22 april 2003 vernietigd en bij wijze van voorlopige voorziening verweerder opgedragen eisers terugkeer naar Nederland te faciliteren door middel van het verstrekken van noodzakelijke documenten alsmede het vergoeden van de reiskosten.

4.4. Op 7 augustus 2003 heeft eiser om vergoeding van de door hem ten gevolge van de uitzetting geleden schade verzocht.

Dit verzoek is bij besluit van 9 december 2003 afgewezen. Hiertegen heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

4.5. In januari 2004 is eiser – met medewerking van de Nederlandse autoriteiten – Nederland opnieuw ingereisd.

4.6. Bij besluit van 27 januari 2006 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit om geen schadevergoeding te verlenen, ongegrond verklaard.

Tegen laatstgenoemd besluit richt zich het onderhavige beroep.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5. 1. Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met onrechtmatige besluitvorming dient, aangezien de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen materiële criteria geeft ter bepaling van de schade, aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en de jurisprudentie van de burgerlijke rechter over de gevolgen van, met name, door de bestuursrechter vernietigde overheidsbeslissingen. Daaruit komen onder meer de volgende criteria naar voren:

- er moet sprake zijn van een daad van de overheid;

- deze moet onrechtmatig zijn, dat wil zeggen in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsnorm;

- de daad moet aan de overheid zijn toe te rekenen;

- de geschonden norm moet er toe strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste);

- er moet schade zijn;

- en er moet voldoende causaal verband bestaan tussen de schade veroorzakende gebeurtenis en de geleden schade.

5.2. Nu deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 29 september 2003 (AWB 03/28835) het beroep van eiser gegrond heeft verklaard en het besluit van 22 april 2003 heeft vernietigd staat daarmee de onrechtmatigheid van dat besluit en de toerekening ervan aan het bestuursorgaan vast (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 1992, AB 1992, 290 (Van Gog/Nederweert)).

5.3. Hiermee staat derhalve ook vast dat de uitzetting van eiser naar Turkije onrechtmatig was.

5.4. Verweerder heeft in dit verband nog betoogd dat van onrechtmatigheid van de uitzetting geen sprake kan zijn nu ten tijde van de uitzetting de beslissing op bezwaar reeds was genomen en het verzoek om voorlopige voorzieningen was afgewezen. Volgens verweerder kan de naderhand gewezen uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, er niet toe leiden dat de aanvankelijk rechtmatige uitzetting achteraf alsnog onrechtmatig wordt. Dit standpunt van verweerder is niet juist. Weliswaar is juist dat de uitzetting destijds rechtmatig heeft plaatsgevonden gezien de beslissing op bezwaar en de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorzieningen. Nu het besluit van 22 april 2003 vervolgens is vernietigd geldt evenwel dat gezien de terugwerkende kracht van een dergelijke vernietiging de uitzetting achteraf onrechtmatig is geweest. Dat het verzoek om voorlopige voorzieningen is afgewezen doet daaraan niet af. De beslissing op een verzoek om voorlopige voorzieningen betreft immers slechts een voorlopig oordeel dat de rechter in de bodemzaak niet bindt. Een uitzetting op basis van een niet-onherroepelijk besluit geschiedt voor risico van verweerder.

5.5. Ook aan het relativiteitsvereiste is naar het oordeel van de rechtbank voldaan, nu de bescherming tegen verwijdering naar het land waar een vreemdeling vervolging vreest, fundamenteel onderdeel uitmaakt van de (inter)nationale vluchtelingrechtelijke regelgeving. De geschonden norm – bescherming tegen uitzetting - strekt er immers toe een vreemdeling niet bloot te stellen aan vervolging in het land van herkomst.

5.6. Vervolgens dient beoordeeld te worden of de door eiser opgevoerde schadeposten aannemelijk zijn gemaakt, en of deze schadeposten een rechtstreeks gevolg zijn van de onrechtmatige uitzetting en daaraan in redelijkheid kunnen worden toegerekend.

Eiser heeft de volgende schadeposten opgevoerd:

- (illegale) reiskosten € 1.500,--

- kosten advocaat Turkije € 10.000,--

- tolk- en vertaalkosten € 984,44

- schadevergoeding detentie € 30.400,-- (t.w. € 400,-- per dag).

Totaal: € 42.884,44

De rechtbank overweegt terzake als volgt.

5.7. Ten aanzien van de illegale reiskosten ad € 1.500,-- heeft verweerder niet bestreden dat deze een rechtstreeks gevolg zijn van de uitzetting, maar heeft verweerder betoogd dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat eiser geen bewijsstukken heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij Turkije niet op legale wijze kon verlaten en derhalve was aangewezen op illegaal transport. In een dergelijke situatie kan eiser niet in redelijkheid worden tegengeworpen dat hij geen bewijsstukken heeft overgelegd. Nu verweerder de hoogte van het bedrag van het illegale transport niet heeft bestreden, komt het gevorderde bedrag van € 1.500,-- voor toewijzing in aanmerking.

5.8. Ten aanzien van de kosten van de door eiser ingeschakelde advocaat ten behoeve van in Turkije aan eiser verleende rechtsbijstand ad € 10.000,-- heeft verweerder betoogd dat eiser deze kosten toch had moeten maken zodra hij weer zou terugkeren naar Turkije, zodat een causaal verband tussen de uitzetting en deze schadepost ontbreekt. Verweerder miskent evenwel dat eiser in dezelfde situatie dient te worden gebracht als waarin hij zou hebben verkeerd als de onrechtmatige uitzetting niet zou hebben plaatsgevonden. In dat geval zou eiser niet naar Turkije zijn uitgezet en zou eiser niet als gevolg van zijn aanhouding in Turkije advocaatkosten hebben moeten maken. Eiser heeft voorafgaand aan zijn uitzetting op het risico dat hij in Turkije gearresteerd zou worden gewezen. De advocaatkosten zijn een rechtstreeks en voorzienbaar gevolg van de uitzetting, en kunnen in redelijkheid aan verweerder worden toegerekend. Nu verweerder de hoogte van het bedrag niet gemotiveerd heeft weersproken komt het gevorderde bedrag van € 10.000,-- voor vergoeding in aanmerking.

5.9. Ten aanzien van de gevorderde vertaal- en tolkkosten van in totaal € 984,44 geldt dat verweerder het causale verband met de uitzetting heeft betwist, stellende dat eiser deze kosten ook zonder de uitzetting had dienen te maken. De rechtbank overweegt dat deze kosten rechtstreeks samenhangen met de procedure, uitmondend in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 29 september 2003, waarbij het besluit van 22 april 2003 is vernietigd. Blijkens rechtsoverweging 6 van de uitspraak van 29 september 2003 van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft de rechtbank evenwel geen uitspraak gedaan over de door eiser gevorderde schadevergoeding, aangezien verweerder zich hierover eerst (in bezwaar) diende uit te laten. Derhalve dient in de onderhavige schadevergoedingsprocedure te worden beoordeeld of de gevorderde vertaal- en tolkkosten voor vergoeding in aanmerking komen.

5.10. Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt tussen de tolkkosten enerzijds en de vertaalkosten anderzijds.

Ten aanzien van de tolkkosten geldt, dat deze als voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn aangemerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu het besluit van 22 april 2003, in welk kader de tolkkosten zijn gemaakt, is vernietigd, komen de tolkkosten voor vergoeding in aanmerking. Verweerder heeft niet bestreden dat eiser tolkkosten heeft moeten maken, en heeft ook de door eiser overgelegde rekening onvoldoende gemotiveerd bestreden. De blijkens de rekening gehanteerde tarieven voor de tolkwerkzaamheden en de bijbehorende reiskosten zijn in overeenstemming met de in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, welk besluit ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht op de tolkkosten van toepassing is, neergelegde tarieven voor tolkwerkzaamheden en reiskosten. De gevorderde telefoonkosten ad € 18,-- komen gezien het Besluit tarieven in strafzaken 2003 niet voor vergoeding in aanmerking.

Gezien het voorgaande komen conform de overgelegde rekening de navolgende tolkkosten van € 97,20, € 29,26 en € 48,60, zijnde in totaal € 175,06 exclusief BTW, zijnde € 208,32 inclusief BTW, voor vergoeding in aanmerking.

5.11. Ten aanzien van de gevorderde vertaalkosten van € 634,--, exclusief BTW, geldt dat vertaalkosten niet worden genoemd in de limitatieve opsomming van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten komen derhalve niet voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking. De vertaalkosten kunnen ook niet met toepassing van artikel 8:73 van de Awb worden vergoed, omdat aan artikel 8:73 van de Awb niet de strekking kan worden toegekend om die proceskosten voor vergoeding in aanmerking te brengen die in het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn uitgesloten (zie in deze zin Centrale Raad van Beroep, 25 juni 1997, RSV 1998, 86).

5.12. Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding voor de detentie die eiser in Turkije heeft ondergaan heeft verweerder betoogd dat hij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor handelen van de Turkse overheid en dat deze schade geen gevolg is van de uitzetting. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de uitzetting en de detentie in Turkije. Zou eiser niet zijn uitgezet, dan zou hij ook niet onmiddellijk na zijn aankomst in Turkije zijn gearresteerd en gedetineerd. Nu eiser voorafgaand aan zijn uitzetting erop heeft gewezen dat hij in Turkije werd gezocht en dat hij het risico liep om bij terugkeer gedetineerd te worden was de detentie voor verweerder ook niet onvoorzienbaar. Het handelen van de Turkse overheid doorbreekt in dit geval derhalve niet het causaal verband tussen de uitzetting en de detentie. De schade die eiser als gevolg van de detentie heeft geleden dient redelijkerwijs aan verweerder te worden toegerekend. De rechtbank verwerpt het betoog van verweerder dat eiser geen immateriële schade heeft geleden door de detentie in Turkije. Het is vaste rechtspraak dat in geval van vrijheidsbenemingen sprake is van aantasting van de benadeelde in zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Ter begroting van de schade heeft eiser, naar ter zitting is toegelicht, aansluiting gezocht bij de dagvergoeding die werd gevorderd in de zaak Mullah Krekar terzake van zijn detentie in de EBI te Vught. De door eiser gevorderde dagvergoeding van € 400,-- per dag omvat mede de door eiser gevorderde schadevergoeding voor immateriële schade.

Ingevolge artikel 6:106 van het BW heeft eiser aanspraak op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Gezien de onrechtmatigheid van het handelen van verweerder ziet de rechtbank aanleiding om geen aansluiting te zoeken bij de forfaitaire dagvergoeding van € 70,-- respectievelijk € 95,-- in geval van beperkingen die wordt gehanteerd in de gevallen dat de artikelen 89 e.v. van het Wetboek van Strafvordering van toepassing zijn, maar zal de rechtbank de schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 200,-- per dag, zijnde voor 76 dagen in totaal een bedrag van € 15.200,--.

6. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien.

7. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de schadevergoeding als volgt vaststellen:

- (illegale) reiskosten € 1.500,--

- kosten advocaat Turkije € 10.000,--

- tolkkosten € 208,32

- schadevergoeding detentie € 15.200,-- (t.w. € 200,-- per dag).

Totaal: € 26.908,32

De rechtbank zal de Staat der Nederlanden als rechtspersoon veroordelen tot betaling van bovengenoemd bedrag aan eiser.

8. De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

4. veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiser van de door eiser geleden schade ten bedrage van in totaal € 26.908,32, te betalen door de Staat der Nederlanden;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,--, te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

6. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 138,--.

Aldus gedaan door mr. M.M.F. Holtrop, mr. G.P. Kleijn en mr. B. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2008, in tegenwoordigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: