Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC5101

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 08/4176
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / tijdsverloop na eerdere inbewaringstelling / beoordeling zicht op uitzetting

Eisers eerdere inbewaringstelling is op 16 januari 2007 opgeheven mede in verband met het ontbreken van reëel zicht op uitzetting binnen korte tijd. Vaststaat dat het tijdsverloop in het onderhavige geval tussen de opheffing van de eerdere bewaring en de oplegging van de huidige bewaring één jaar en twee weken behelst. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 oktober 2006 (JV 2006/449) en van 27 november 2007 (JV 2008/45) van oordeel dat er geen aanleiding is om de reden voor opheffing van de eerdere bewaring bij de beoordeling van het zicht op uitzetting te betrekken, nu sindsdien een zodanig lange periode is verstreken dat verweerder heeft kunnen stellen dat de feiten of omstandigheden die eerder grond vormden voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbrak, ten tijde van het opnieuw opleggen van de maatregel hun betekenis hebben verloren. Bijzondere omstandigheden waarom niettemin nader onderzoek naar de eerdere bewaring had moeten worden verricht, zijn niet naar voren gebracht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/4176 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 22 februari 2008

inzake

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1952, gesteld staatloos, dan wel van Syrische nationaliteit, eiser,

verblijvende in het Huis van Bewaring te Zaandam,

gemachtigde: mr. R.T.P. Jacobs, advocaat te Amsterdam,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 1 februari 2008 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

1.2 Eiser heeft hiertegen op 5 februari 2008 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge artikel 94, eerste lid, van de Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 18 februari 2008. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

1.4 Tijdens de behandeling ter zitting is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee het onderzoek ter zitting met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschorst, teneinde verweerder naar aanleiding van een verzoek van de rechtbank in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten. Op 18 februari 2008 heeft verweerder de bevindingen van dit onderzoek aan de rechtbank doen toekomen. Vervolgens heeft de gemachtigde van eiser daarop, bij faxbericht van 20 februari 2008, een reactie gegeven. Nadat beide partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij reeds eerder in bewaring heeft verbleven, welke is opgeheven wegens het ontbreken van zicht op uitzetting, en dat aan de onderhavige maatregel geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Volgens eiser kan dan ook niet worden betoogd dat nu wel sprake is van zicht op uitzetting.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Niet bestreden is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten. Evenmin is bestreden dat er voldoende gronden zijn om eiser in bewaring te kunnen stellen.

2.5 Ten aanzien van de voorgedragen beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt. Eiser is eerder van 7 december 2005 tot en met 16 januari 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. Deze bewaring is, blijkens de uitspraak van deze rechtbank van 16 januari 2007 (AWB 07/449), opgeheven mede in verband met het ontbreken van reëel zicht op uitzetting binnen korte tijd.

2.6 Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 mei 2005, JV 2005/282), behoort de rechtbank, indien een eerdere bewaring is opgeheven omdat geen zicht op uitzetting bestaat, bij een volgende inbewaringstelling te onderzoeken of, anders dan ten tijde van de opheffing van de eerdere bewaring, sprake is van feiten en omstandigheden, waaruit blijkt dat zulk zicht nu niet ontbreekt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2006 (JV 2006/449) blijkt dat er geen aanleiding is om op die wijze de reden voor opheffing van de eerdere bewaring bij de beoordeling van het zicht op uitzetting te betrekken, indien sinds het tijdstip van de opheffing van die eerdere bewaring een zodanig lange periode is verstreken dat, behoudens bijzondere omstandigheden, verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de feiten of omstandigheden die eerder grond vormden voor het oordeel dat het zicht op uitzetting ontbrak, ten tijde van het opnieuw opleggen van de maatregel van bewaring hun betekenis hebben verloren. In de uitspraak van 27 november 2007 (JV 2008/45) heeft de Afdeling gezien het relevante tijdsverloop in dat geval van één jaar en drie weken geoordeeld dat sprake is van een lange periode als hiervoor bedoeld.

2.7 Vaststaat dat het tijdsverloop in het onderhavige geval tussen de opheffing van de eerdere bewaring en de oplegging van de huidige bewaring één jaar en twee weken behelst. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een lange periode als hiervoor bedoeld. Bijzondere omstandigheden waarom niettemin nader onderzoek naar de eerdere bewaring had moeten worden verricht, zijn niet naar voren gebracht. Er bestond derhalve geen aanleiding om zodanig onderzoek te doen.

2.8 Voorts volgt de rechtbank niet het betoog van eiser dat geen zicht op uitzetting bestaat. Verweerder heeft ter zitting gewezen op de telefoonnotitie van 15 februari 2008 betreffende een gesprek tussen verweerders gemachtigde en een medewerker van de Dienst Terugkeer & Vertrek. Die notitie vermeldt dat op 11 februari 2008 een laissez-passeraanvraag naar de afdeling LP van die Dienst is verzonden. Aldus is het traject voor uitzetting van eiser naar Syrië in gang gezet. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder vooralsnog in de gelegenheid worden gesteld om het resultaat af te wachten van de bij de Syrische autoriteiten in te dienen laissez-passeraanvraag. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat in dit geval zicht op uitzetting ontbreekt.

2.9 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser in strijd is met de Vw. Evenmin is gebleken dat bij afweging van alle daarbij betrokken belangen de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2.10 Het beroep dient derhalve ongegrond verklaard te worden. De opheffing van de maatregel van bewaring wordt niet bevolen. Gelet hierop bestaat evenmin grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

2.11 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M.P. Glerum en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2008.

De griffier:

mr. A. Bouteibi

De rechter:

mr. M.P. Glerum

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 van de Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.

Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.