Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4916

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-01-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/30085, 07/41831
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring in het belang van de internationale betrekkingen / art. 67 lid 1 aanhef en onder e Vw 2000 / belangenafweging / art. 3 EVRM

De voorzieningenrechter acht het beleid, zoals opgenomen in paragraaf A5/2 van de Vc 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, niet in strijd met de wettelijke voorschriften. Evenmin kan worden gezegd dat verweerder met dit beleid niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven. Bij onherroepelijke uitspraak van 16 januari 2007 is geoordeeld dat verweerder terecht artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing heeft geacht. Daarmee is komen vast te staan dat er ten aanzien van verzoeker ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in artikel 1 (F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag en dat sprake is van ‘personal and knowing participation’. Hierbij is in aanmerking genomen dat verzoeker als lid van de bevolkingsgroep der Hema op 17 en 18 januari 2001 in zijn woonplaats Bunia in de Democratische Republiek Congo (DRC) heeft deelgenomen aan gevechten tegen de bevolkingsgroep der Lendu, waarbij hij met gebruikmaking van een machete en een geweer tussen de vijf en tien personen heeft gedood. Daarbij is tevens geconcludeerd dat de door verzoeker gestelde dwang van de zijde van de Oegandese militairen niet de conclusie rechtvaardigt dat verzoeker niet individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor het begane misdrijf. Gelet op de conclusies in de uitspraak van 16 januari 2007 was verweerder bevoegd om verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. De handelingen waarvoor verzoeker verantwoordelijk kan worden gehouden zouden immers ook naar Nederlands recht zware misdrijven opleveren. Dat verzoeker ten aanzien van deze feiten en omstandigheden nimmer strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een andersluidend oordeel. Nu verweerder voorts op goede gronden heeft geconcludeerd dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico te lopen om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, heeft verweerder de belangenafweging in redelijkheid in het nadeel van verzoeker kunnen laten uitvallen en derhalve in redelijkheid kunnen besluiten tot ongewenstverklaring van verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers:

AWB 07/30085

AWB 07/41831

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 januari 2008

inzake

[verzoeker],

geboren op [geboorteplaats] 1979,

burger van de Democratische Republiek Congo (DRC),

verblijvende te Luttelgeest,

verzoeker,

gemachtigde mr. B.J. Manspeaker,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M.E. Disselkamp.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2007, heeft verweerder verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), ongewenst verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.

Op 26 juli 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van deze rechtbank, wegens het aan het bezwaar onthouden van schorsende werking, verzocht om hangende de bezwaarschriftprocedure een voorlopige voorziening te treffen.

Bij besluit van 1 november 2007 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 5 november 2007 beroep aangetekend. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 07/41831.

Tevens heeft verzoeker op 5 november 2007 verzocht het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (tevens) betrekking te laten hebben op het door hem ingestelde beroep.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 13 december 2007, waar verzoeker is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter is verzocht om hangende het beroep in de procedure met zaaknummer AWB 07/41831 een voorlopige voorziening te treffen totdat op het beroepschrift is beslist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek. Hierbij is van belang dat verzoeker op grond van het besluit van 1 november 2007 uit Nederland kan worden verwijderd en dat is verzocht om een verbod tot uitzetting hangende het beroep tegen dit besluit. De beoordeling van dat verzoek dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter los te worden gezien van de vraag of verzoeker met toewijzing van het verzoek rechtmatig verblijf in Nederland kan krijgen. Dit heeft evenzeer te gelden voor de beoordeling van verzoekers stelling dat verwijdering uit Nederland strijd oplevert met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aangenomen dient dan ook te worden dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende beroep.

3. Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep is ingesteld bij de rechtbank en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek niet meer kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak doen. Daarbij wordt opgemerkt dat partijen in de uitnodiging voor de zitting op de bevoegdheid van de voorzieningenrechter zijn gewezen om tevens uitspraak te doen in de aan het verzoek om voorlopige voorziening ten grondslag liggende hoofdzaak. Voorts zijn partijen op zitting gevraagd zich hierover uit te laten.

4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, geregistreerd onder nummer AWB 07/41831.

5. Aan de orde is de vraag of het besluit van 1 november 2007 in rechte stand kan houden.

6. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling van voornoemde vraag uit van het volgende. Verzoeker is op 11 juni 2001 Nederland binnengekomen en heeft op diezelfde datum een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 8 april 2004 afgewezen. Deze beslissing is bekrachtigd bij uitspraak van 16 januari 2007 (AWB 04/17332) van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, waarbij het beroep ongegrond is verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker geen hoger beroep aangetekend, zodat deze uitspraak in rechte vast staat. Op 26 april 2007 is aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om hem ongewenst te verklaren. Bij schrijven van 22 mei 2007 heeft verzoeker gebruik gemaakt van de hem geboden mogelijkheid om zijn zienswijze op dit voornemen naar voren te brengen. Op 2 juli 2007 is verzoeker in de gelegenheid gesteld zijn schriftelijke zienswijze mondeling toe te lichten. Bij besluit van 23 juli 2007 heeft verweerder verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, ongewenst verklaard. Het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder bij besluit van 1 november 2007 ongegrond verklaard.

7. Verweerder heeft met betrekking tot de ongewenstverklaring van eiser geconcludeerd dat bij onherroepelijke uitspraak van 16 januari 2007 is geoordeeld dat verweerder terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag. De toepasselijkheid van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag leidt volgens verweerder tot het oordeel dat verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde op grond waarvan hij ongewenst kan worden verklaard. Daarbij acht verweerder van belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 9 juni 2004 (200401181/1, JV 2004/347) heeft geoordeeld dat toepassing van artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag geen beslissing vereist van het Openbaar Ministerie. Voor het tegenwerpen van artikel 1 (F) is een (buitenlands) strafvonnis niet noodzakelijk omdat vervolging van deze misdaden niet altijd kan plaatsvinden, aldus verweerder. De stelling van verzoeker dat hij nimmer is veroordeeld en dat er geen strafrechtelijke procedures tegen hem zouden lopen, maakt volgens verweerder niet dat daarmee is aangetoond dat verzoeker niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de hier bedoelde gedragingen in de zin van artikel 1 (F) van het vluchtelingenverdrag. Bij de toepassing van artikel 67 van de Vw 2000 worden de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend. Verweerder heeft in dit verband – voor zover hier van belang – een beoordeling gemaakt in het kader van artikel 3 van het EVRM. Volgens verweerder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico te lopen om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft verweerder in de eerste plaats verwezen naar de beoordeling van artikel 3 van het EVRM zoals deze is verwoord in het besluit van 8 april 2004, welk besluit inmiddels onherroepelijk is geworden door voornoemde uitspraak van deze rechtbank van 16 januari 2007. Daarnaast heeft verweerder zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hetgeen door en namens verzoeker in de zienswijze en tijdens het gehoor is aangevoerd met betrekking tot artikel 3 van het EVRM, niet leidt tot een andere conclusie. De stelling van verzoeker dat hij in zijn land bij vervolging geen zicht heeft op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM, gelet op de in de ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken beschreven algemene mensenrechtensituatie, maakt de zaak volgens verweerder niet anders. Niet is immers gebleken dat verzoeker daadwerkelijk wordt gezocht door de autoriteiten in zijn land van herkomst en voorts is deze stelling enkel gebaseerd op een onzekere toekomstige gebeurtenis, die niet door middel van concrete en objectief verifieerbare informatie is onderbouwd. Met inachtneming van het voorgaande is volgens verweerder niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle aan de orde komende belangen, toch aanleiding bestaat de ongewenstverklaring van verzoeker achterwege te laten. Naar aanleiding van al het vorenstaande is verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ongewenst verklaard

8. Verzoeker heeft in de gronden van het verzoek en beroep onder meer aangevoerd dat verweerder in zijn besluitvorming onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit het belang van de internationale betrekkingen van Nederland bestaan om verzoeker ongewenst te verklaren. Naar de mening van verzoeker is de beoordeling van verweerder in het kader van artikel 3 van het EVRM in strijd met de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, onder andere Jabari, JV 2000/240, aangezien door verweerder op basis van aannames met betrekking tot door verzoeker gepleegde mensenrechtenschendingen tot ongewenstverklaring wordt overgegaan, terwijl een beoordeling op grond van een gedegen feitenonderzoek dient plaats te vinden. Voorts heeft verzoeker betoogd dat er in casu geen individueel ambtsbericht is opgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken ter zake de gevolgen van een terugkeer van verzoeker naar de Democratische Republiek Congo (DRC). Met name de omstandigheid of verzoeker gezocht wordt in het land van herkomst en de rechtsgang in dit land is onvoldoende beoordeeld door verweerder, aldus verzoeker. Voorts heeft verweerder ten onrechte aangegeven dat, omdat in rechte is komen vast te staan dat artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag op juiste gronden aan verzoeker is tegengeworpen, in het kader van de ongewenstverklaring geen nieuwe beoordeling dient plaats te vinden naar de vraag of er strijd bestaat met artikel 3 van het EVRM. Voorts is onvoldoende gemotiveerd dat in casu geen sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM. Daarnaast meent verzoeker dat hij voldoende bijzondere feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, waardoor een beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid gerechtvaardigd is. Tot slot heeft verzoeker ter zitting nog betoogd dat de ongewenstverklaring van eiser in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

9. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verzoeker eerst ter zitting een beroep heeft gedaan op artikel 8 van het EVRM. Weliswaar heeft eiser in bezwaar een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM, maar deze gronden zijn in beroep niet herhaald, noch als herhaald en ingelast beschouwd in de gronden van het verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het eerst ter zitting gedane beroep op artikel 8 van het EVRM als zijnde te laat ingebracht buiten beschouwing laten vanwege strijd met de goede procesorde.

10. De voorzieningenrechter overweegt voorts als volgt.

11. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

12. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 67 (destijds: 65), eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 (Kamerstukken II, 1999-2000, 26 732, nr. 7, Nota naar aanleiding van het verslag), blijkt dat met deze grond wordt bedoeld:

“te waarborgen dat Nederland niet mag verworden tot een gastland van personen die elders de publieke orde ernstig verstoren door daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven zouden opleveren. In een dergelijk geval zou in het belang van de internationale betrekkingen tot ongewenstverklaring kunnen worden overgegaan.”

13. Volgens de toelichting in voornoemde Nota is verweerder derhalve slechts bevoegd op grond van deze bepaling tot ongewenstverklaring over te gaan in geval van “daden die ook naar Nederlands recht zware misdrijven opleveren”.

14. Verweerders beleid ter zake is opgenomen in paragraaf A5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Dit beleid houdt in dat een vreemdeling die buiten de rechtsmacht van Nederland een ernstig misdrijf heeft begaan in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland ongewenst kan worden verklaard, bijvoorbeeld de vreemdeling van wie het verblijf is geweigerd dan wel beëindigd op grond van artikel 1((F)) van het Verdrag. Hierbij is bepaald dat bij de toepassing van artikel 67 van de Vw 2000 de persoonlijke belangen van de vreemdeling zorgvuldig worden afgewogen tegen het algemene belang, dat uit een oogpunt van openbare orde met de ongewenstverklaring is gediend.

15. De voorzieningenrechter acht het vorenomschreven beleid, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, niet in strijd met de wettelijke voorschriften. Evenmin kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden gezegd dat verweerder met dit beleid niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is gebleven.

16. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 is vermeld is bij onherroepelijke uitspraak van 16 januari 2007 geoordeeld dat verweerder terecht artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag op verzoeker van toepassing heeft geacht. Daarmee is komen vast te staan dat er ten aanzien van verzoeker ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in artikel 1 (F), onder b, van het Vluchtelingenverdrag en dat sprake is van ‘personal and knowing participation’. Daarbij is in aanmerking genomen dat verzoeker als lid van de bevolkingsgroep der Hema op 17 en 18 januari 2001 in zijn woonplaats [woonplaats] in de Democratische Republiek Congo (DRC) heeft deelgenomen aan gevechten tegen de bevolkingsgroep der Lendu, waarbij hij met gebruikmaking van een machete en een geweer tussen de vijf en tien personen heeft gedood. Daarbij is tevens geconcludeerd dat de door verzoeker gestelde dwang van de zijde van de Oegandese militairen niet de conclusie rechtvaardigt dat verzoeker niet individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor het begane misdrijf.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was verweerder, gelet op de conclusies in de voornoemde uitspraak van 16 januari 2007, bevoegd om verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. De handelingen waarvoor verzoeker verantwoordelijk kan worden gehouden zouden immers ook naar Nederlands recht zware misdrijven opleveren. Dat verzoeker ten aanzien van deze feiten en omstandigheden nimmer strafrechtelijk is veroordeeld leidt niet tot een andersluidend oordeel.

17. Ten aanzien van de vraag of verweerder in casu, gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot ongewenstverklaring, overweegt de rechtbank als volgt.

18. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat met de ongewenstverklaring het algemeen belang van de openbare orde is gediend. Voorts is het belang van de ongewenstverklaring gelegen in de internationale betrekkingen, namelijk het voorkomen dat Nederland een gastland wordt van personen die dergelijke misdrijven hebben gepleegd. Ook wordt volgens verweerder met de ongewenstverklaring het verblijf van verzoeker in het gehele Schengengebied tegengegaan, zodat het belang van de betrekkingen tussen de Schengenlanden met de ongewenstverklaring is gediend. Gelet hierop wordt verzoeker niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarin het belang van de ongewenstverklaring in casu is gelegen.

19. De rechtbank stelt voorts vast dat de door verzoeker gestelde belangen zijn gelegen in zijn vrees voor schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar de DRC. Voor zover in dit verband is gewezen op de beoordeling van artikel 3 van het EVRM in het besluit van 8 april 2004 en hierover reeds een oordeel is gegeven in de uitspraak van 16 januari 2007 kan dit standpunt van verweerder niet nogmaals ter toetsing worden voorgelegd.

20. Voorts heeft verweerder zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat verzoeker, voor zover hij zich beroept op problemen van de zijde van de Lendu-bevolkingsgroep, de Hema-bevolkingsgroep of zijn familie, zich kan vestigen in een ander deel van de DRC. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit verblijfsalternatief voor hem niet van toepassing is en evenmin dat hij met dit verblijfsalternatief een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Ten aanzien van verzoekers stelling dat hij bang is voor de autoriteiten in zijn land, heeft verweerder overwogen dat deze vrees niet reëel wordt geacht, aangezien in het algemeen ambtsbericht inzake de DRC van 31 mei 2007 staat beschreven dat er bij medewerkers van verschillende onafhankelijke en als betrouwbaar bekend staande Congolese en internationale organisaties geen gevallen bekend zijn van teruggekeerde afgewezen en uitgeprocedeerde asielzoekers uit Europa die vanwege hun asielachtergrond problemen hebben ondervonden met de Direction générale de migration (DGM) of andere autoriteiten. Meerdere onafhankelijke bronnen melden dat het feit dat iemand asiel heeft aangevraagd niet als een probleem wordt gezien in de DRC en dus geen reden is voor aanhouding door de DGM, zelfs wanneer deze informatie bekend zou zijn, aldus verweerder. De stelling dat de rechtsgang in verzoekers land van herkomst met onvoldoende waarborgen is omkleed, maakt de zaak volgens verweerder niet anders. Immers, niet is gebleken dat verzoeker daadwerkelijk wordt gezocht door de autoriteiten in zijn land van herkomst, zodat verzoekers stelling enkel is gebaseerd op een onzekere toekomstige gebeurtenis die niet op basis van concrete en objectief verifieerbare informatie is onderbouwd.

21. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, gelet op het vorenstaande, op goede gronden geconcludeerd dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico te lopen om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat het standpunt van verweerder, zoals hiervoor genoemd, namens verzoeker onvoldoende gemotiveerd is bestreden. De rechtbank deelt voorts niet verzoekers stelling dat in casu ten onrechte geen individueel ambtsbericht is opgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken ter zake de gevolgen van een terugkeer van verzoeker naar de DRC en dan met name of verzoeker wordt gezocht in zijn land van herkomst en omtrent de rechtsgang in de DRC. Ingevolge vaste jurisprudentie is het immers aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat terugkeer naar zijn land van herkomst schending oplevert van artikel 3 van het EVRM. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zijn land van herkomst daadwerkelijk wordt gezocht. Onder die omstandigheden bestond voor verweerder geen aanleiding om een individueel ambtsbericht op te (laten) stellen.

22. In het licht van de conclusie dat er geen gegronde vrees bestaat voor schending van artikel 3 van het EVRM mist verzoekers klacht dat hem (in zijn land) geen eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM zal toekomen, zelfstandige betekenis.

23. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter de belangenafweging in redelijkheid in het nadeel van verzoeker kunnen laten uitvallen en derhalve in redelijkheid kunnen besluiten tot ongewenstverklaring van verzoeker op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000.

24. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder vanwege bijzondere feiten of omstandigheden, in afwijking van het gevoerde beleid ter zake, aanleiding had moeten zien om de ongewenstverklaring van verzoeker achterwege te laten.

25. In hetgeen overigens namens verzoeker is aangevoerd, waaronder het betoog dat de beoordeling van verweerder in strijd is met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ziet de rechtbank evenmin aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Anders dan verzoeker meent, mist het arrest Jabari, JV 2000/240 toepassing op de onderhavige zaak, nu niet gezegd kan worden dat in casu geen sprake is van een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM.

26. Het beroep, geregistreerd onder nummer AWB 07/41831, is derhalve ongegrond.

27. Gezien de beslissing in de hoofdzaak zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

28. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

29. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

- verklaart het beroep – geregistreerd onder nummer AWB 07/41831 – ongegrond;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2008.

Tegen deze uitspraak staat, voor zover deze ziet op de voorlopige voorziening, geen rechtsmiddel open.

Voor zover deze uitspraak ziet op het beroep, kunnen partijen hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: