Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4913

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
27-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/46909
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / vervolgberoep / speedy trial / art. 5 lid 4 EVRM / schadevergoeding / matiging

De rechtbank merkt het betoog van eiser aan als een beroep op het in artikel 5, vierde lid, van het EVRM vervatte beginsel van speedy trial. Ingevolge de jurisprudentie van het EHRM dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 5, vierde lid, van het EVRM is geschonden te worden uitgegaan van de termijn die is gelegen tussen indiening van het beroepschrift en de datum van bekendmaking van de uitspraak. Voorts dient de vraag of sprake is van een spoedige beslissing in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM, te worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval is het beroep ingesteld op 17 december 2007. Nu behandeling van het beroep ter zitting eerst op 12 februari 2008 – derhalve zevenenvijftig dagen na indiening van het beroepschrift – heeft plaatsgevonden, terwijl dit op geen enkele wijze aan eiser valt toe te rekenen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een spoedige beoordeling als bedoeld in artikel 5, vierde lid van het EVRM. De omstandigheid dat eiser – zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven – ongewenst is verklaard, doet hieraan niet af. Dit heeft evenzeer te gelden voor de stelling van verweerder ter zitting dat eiser waarschijnlijk op korte termijn zal worden uitgezet. Voortduring van de bewaring is – gelet op het voorgaande – niet langer gerechtvaardigd wegens strijd met artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Het beroep is derhalve gegrond. De bewaring dient met onmiddellijke ingang te worden opgeheven. Met inachtneming van de omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de bewaring vanaf 16 januari 2008 voor onrechtmatig moet worden gehouden. In beginsel komt eiser over de periode van 16 januari 2008 tot en met 11 februari 2008 schadevergoeding toe. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat in casu sprake is van bijzondere omstandigheden, welke zijn gelegen in het feit dat eiser ongewenst is verklaard en de omstandigheid dat eiser – zoals ter zitting onweersproken is gebleven – een eerdere uitzettingspoging heeft gefrustreerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2005 (JV 2005/233), is de rechtbank van oordeel dat er om die reden aanleiding bestaat de schadevergoeding te matigen tot nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/46909

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2008

inzake

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1969,

nationaliteit Algerijnse,

verblijvende te Schiphol in het uitzetcentrum,

eiser,

gemachtigde mr.drs. I.N. Wildschut,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. R.H.H. Arts.

Procesverloop

Op 27 april 2007 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 11 juni 2007, 14 augustus 2007, 12 oktober 2007 en 10 december 2007, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 17 december 2007 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts is om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2008, waar eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is eveneens verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 24 mei 2005 (AWB 05/20460, LJN AT6726) heeft eiser aangevoerd dat een redelijke termijn voor het behandelen van het beroep van 17 december 2007 is verstreken en dat om die reden de bewaring met onmiddellijke ingang dient te worden opgeheven.

2. De rechtbank merkt het betoog van eiser aan als een beroep op het in artikel 5, vierde lid, van het EVRM vervatte beginsel van speedy trial. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, gelet op het ingrijpende karakter van de maatregel van bewaring een snelle behandeling van een tegen de voortduring van de vrijheidsbeneming ingesteld beroep wenselijk is. Op grond van artikel 96 van de Vw 2000 kan de rechtbank na sluiting van het vooronderzoek bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Echter, ingeval de rechtbank het onderzoek ter zitting noodzakelijk acht zal een zitting worden bepaald, doch in de Vw 2000 ontbreekt een bepaling die voorschrijft binnen welke termijn een beroep ter zitting behandeld dient te worden. In dat geval dient het uitgangspunt te zijn het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van het EVRM, welke bepaling uitgaat van een spoedige beslissing over de rechtmatigheid van de detentie.

3. Ingevolge de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 5, vierde lid, van het EVRM is geschonden te worden uitgegaan van de termijn die is gelegen tussen indiening van het beroepschrift en de datum van bekendmaking van de uitspraak. Voorts dient de vraag of sprake is van een spoedige beslissing in de zin van artikel 5, vierde lid, van het EVRM, te worden beantwoord in het licht van de omstandigheden van het geval.

4. In het onderhavige geval is het beroep ingesteld op 17 december 2007. Nu behandeling van het beroep ter zitting eerst op 12 februari 2008 – derhalve zevenenvijftig dagen na indiening van het beroepschrift – heeft plaatsgevonden, terwijl dit op geen enkele wijze aan eiser valt toe te rekenen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een spoedige beoordeling als bedoeld in artikel 5, vierde lid van het EVRM. De omstandigheid dat eiser – zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven – ongewenst is verklaard, doet hieraan niet af. Dit heeft evenzeer te gelden voor de stelling van verweerder ter zitting dat eiser waarschijnlijk op korte termijn zal worden uitgezet. Voortduring van de bewaring is – gelet op het voorgaande – niet langer gerechtvaardigd wegens strijd met artikel 5, vierde lid, van het EVRM. Het beroep is derhalve gegrond. De bewaring dient met onmiddellijke ingang te worden opgeheven.

5. Met inachtneming van de omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de bewaring vanaf 16 januari 2008 voor onrechtmatig moet worden gehouden.

6. Op grond van het bepaalde in artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreedeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen. Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 90 en 93 van het Wetboek van Strafvordering is van overeenkomstige toepassing.

7. Uit het voorgaande vloeit voort dat in beginsel gronden van billijkheid aanwezig zijn om de vreemdeling schadevergoeding toe te kennen. Overeenkomstig artikel 27 van het wetboek van Strafrecht zal de rechtbank de dag waarop de bewaring is geëindigd, te weten 12 februari 2008, buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de schadevergoeding. zodat de vreemdeling in beginsel over de periode van 16 januari 2008 tot en met 11 februari 2008 schadevergoeding toekomt.

8. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat in casu sprake is van bijzondere omstandigheden, welke zijn gelegen in het feit dat eiser ongewenst is verklaard en de omstandigheid dat eiser – zoals ter zitting onweersproken is gebleven – een eerdere uitzettingpoging heeft gefrustreerd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 april 2005 (JV 2005/233), is de rechtbank van oordeel dat er om die reden aanleiding bestaat de schadevergoeding te matigen tot nihil.

9. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op in totaal € 805,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van het beroepschrift;

• 0,5 punt voor het indienen van een reactie op de voortgangsrapportage;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00;

• wegingsfactor 1.

10. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

11. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming ex artikel 59 van de Vw 2000 van eiser met ingang van 12 februari 2008;

- stelt het bedrag van de schadevergoeding op nihil;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 805,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier.

Aldus gedaan door mr. E.H.M. Druijf als rechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2008.