Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4893

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
09/920374-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het in brand steken van een oud schoolgebouw. De mededader heeft een wc-rol met een aansteker in brand gestoken, waarmee verdachte is gaan gooien. Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/920374-07

rolnummer 0004

's-Gravenhage, 21 februari 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [plaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 21 november 2007 en 7 februari 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.F. Ronday, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. B.S. van Unnik -van Sluis heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 13 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, en voorts tot een jeugddetentie voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte behandeling zal volgen bij

De Waag of een andere hulpverleningsinstelling.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A.

Bewijsoverwegingen

1. De brand in [gebouw X] te [plaats]

1.1. Op 19 augustus 2007 om 13.43 uur kwam er bij de centrale meldkamer van de politie Hollands-Midden de volgende melding binnen:

Op het terrein van de [school], [adres] te [plaats], zou een leegstaand gebouw, het oude schoolgebouw, in de brand staan. Men ziet nu flink wat rook. Er is niemand in het pand aanwezig(1).

1.2. Zowel [medeverdachte] als verdachte hebben verklaard(2) dat zij op 19 augustus 2007 in het gebouw [gebouw X] op het terrein van de [school] te [plaats] zijn geweest. [medeverdachte] heeft een ruitje kapot gemaakt waardoor ze naar binnen zijn gegaan. Drie vrienden van hen gaan eveneens naar binnen, maar verlaten na ongeveer een kwartier [gebouw X]. [medeverdachte] en verdachte blijven in het gebouw.

1.3. [medeverdachte] heeft vervolgens met zijn aansteker de onderste wc-rol uit de wc-rolhouder, waarin drie wc-rollen zaten, aangestoken. Nadat [medeverdachte] deze had aangestoken begon de wc-rol te branden(3). [medeverdachte] heeft verklaard dat de wc-rol aardig begon te branden en dat het vuur boven de houder uit kwam(4).

1.4. Wanneer [medeverdachte] het pand wil verlaten ziet hij dat de gang vol staat met rook. Hierop heeft hij zijn trui voor zijn neus gehouden en is naar de ingang van het gebouw gerend. Hij is hierbij over een kacheltje gestruikeld. Hij heeft het kacheltje niet zien staan, omdat de rook al zo erg was(5).

1.5. [medeverdachte] en verdachte zijn toen gezamenlijk bij het gebouw weggereden op de fiets(6).

1.6. Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van causaal verband tussen de gedraging van [medeverdachte], in het bijzijn van verdachte, en de brand in [gebouw X], waardoor [gebouw X] in het geheel verloren is gegaan. In verband met het aanwezige asbest in het pand en de mate van verbranding van het pand heeft er geen technisch onderzoek plaatsgevonden. Hoewel een technisch onderzoek ontbreekt is de rechtbank van oordeel dat voornoemd handelen de brand heeft veroorzaakt, te meer daar het pand spanningloos was(7) en daarmee brand via kortsluiting nagenoeg is uitgesloten.

2. medeplegen

Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Medeplegen veronderstelt bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering.

Bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering

2.1. Uit de verklaringen van [medeverdachte] en verdachte blijkt dat zij eerder vernielingen hebben gepleegd op het terrein van de [school] te [plaats](8).

2.2. Verdachte is, nadat een ruit is vernield door [medeverdachte], samen met hem het gebouw ingegaan. Verdachte verklaart hierover dat hij het spannend vond om het gebouw in te gaan en dat hij wilde kijken hoe het er binnen uit zag(9).

2.3. Verdachte wist dat [medeverdachte] een aansteker bij zich had(10), niettemin heeft verdachte, samen met ondermeer [medeverdachte], het gebouw betreden. Verdachte had rekening kunnen en moeten houden met de aanmerkelijke kans dat [medeverdachte] daar brand zou stichten, te meer daar verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] vaker brand stichtte(11). Als verdachte samen met de andere jongens het gebouw wil verlaten, ruikt en ziet hij rook. Hierop besluit verdachte om in het gebouw te blijven. Verdachte loopt naar [medeverdachte] toe en ziet dat twee wc-rollen in brand staan(12).

2.4. Vaststaat dat [medeverdachte] een wc-rol met een aansteker heeft aangestoken. Toen [medeverdachte] de wc-rolhouder met de brandende wc-rol in de wc heeft gelegd, zag hij nog vlammen. Toch is hij daarna naar een andere kamer in het gebouw gegaan(13).

2.5. Nagenoeg alle getuigenverklaringen over hetgeen vervolgens is gebeurd zijn of de auditu of niet geloofwaardig of ontkracht door een tegenstrijdige verklaring.

2.6. Een uitzondering is echter een verklaring van een vriend van verdachte - [D]- die heeft verklaard dat hij door een raam heeft gezien dat verdachte iets tegen een muur aangooide(14). [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een brandende wc-rol door de lucht heeft zien vliegen, die tegen de muur terecht kwam en op de grond viel(15).

2.7. De verdediging heeft aangevoerd dat de getuige [D] niet heeft kunnen zien wat zich binnen in het gebouw afspeelde. Daaromtrent overweegt de rechtbank dat blijkens de schets van de plattegrond van [gebouw X] (16) en de verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting, er wel degelijk vanaf buiten zicht was op de gang, alwaar de wc-rol tegen de muur is gekomen.

2.8. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de inhoud van de verklaring van [medeverdachte] door verdachte wordt ontkend.

2.9. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte] grotendeels geloofwaardig zijn. [medeverdachte] en verdachte verklaren over elkaar belastend. Daarentegen heeft [medeverdachte] zijn eigen betrokkenheid niet ontkend.

2.10. De verklaringen van verdachte zijn inconsistent. Zo heeft hij in zijn eerste verklaring bij de politie verklaard dat hij het brandende wc-papier heeft gedoofd door dit in de wc-pot te drukken en een ander brandend stuk met zijn schoenen te doven(17). Later verklaart hij echter dat hij een smeulende wc-rol heeft gepakt, dat hij de wc-rol voor zijn voeten liet neervallen en dat hij de wc-rol, toen die bijna uit was, in de wc gooide(18).

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, toen hij terug kwam in de wc, rook zag en dat hij twee smeulende wc-rollen zag liggen: één in de wc en één naast de wc en dat hij vervolgens de wc-rol op de grond heeft uitgestampt en in de wc gegooid. De andere wc-rol heeft hij, aldus verdachte, uit de wc-pot gehaald, is er op gaan stampen en heeft de wc-rol weer in de wc-pot gegooid.

2.11. Daar komt bij dat verdachte heeft verklaard dat hij onder andere met [G] en [H] afspraken had gemaakt over de door hem af te leggen verklaringen(19).

2.12. Gelet op de ontkennende houding van verdachte, de afspraken over de af te leggen verklaringen en de inconsistente verklaringen van de verdachte acht de rechtbank de verklaringen van verdachte niet geloofwaardig en gaat zij uit van de juistheid van de verklaring van [medeverdachte] op dit punt.

2.13. Onder die omstandigheden en door aldus te handelen is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van bewuste samenwerking. Uitdrukkelijke en vooraf gemaakte afspraken zijn niet vereist. Nadat [medeverdachte] de wc-rol heeft aangestoken, heeft verdachte de wc-rol tegen de muur gegooid. De wc-rol viel op de grond en rolde uit(20). Door het handelen van verdachte heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan het ten laste gelegde feit. De samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank zo nauw en volledig geweest, dat er sprake is van gezamenlijke uitvoering.

3. voorwaardelijk opzet

Voorwaardelijk opzet is het willens en wetens aanvaarden of op de koop toe nemen van de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal optreden.

3.1. [medeverdachte] heeft, nadat hij de wc-rolhouder met de brandende wc-rol in de wc heeft gelegd, gezien dat één van de wc-rollen nog brandende was. Hij ziet immers nog vlammen. Zonder zich ervan te hebben vergewist of de wc-rol was gedoofd heeft hij de ruimte verlaten(21).

3.2. Verdachte heeft één van de brandende wc-rollen gepakt en heeft de brandende wc-rol tegen de muur in de gang gegooid. Verdachte heeft verklaard de wc-rollen te hebben gedoofd. Later heeft verdachte verklaard dat hij niet weet of de tweede wc-rol helemaal was gedoofd(22). Als verdachte vervolgens het gebouw wil verlaten roept verdachte nog enigszins paniekerig "kom we gaan eruit, we gaan eruit"(23).

Verdachte en [medeverdachte] hebben het gebouw verlaten en zijn weggefietst, terwijl door [medeverdachte] is gezien dat [gebouw X] vol stond met rook en waar rook is, is vuur.

3.3. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verdachte hiermee de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat de wc-rollen nog niet geheel waren gedoofd, waardoor de latere brand is ontstaan.

4. ontbreken van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

4.1. De beheerder van het terrein van de [school] heeft verklaard dat de bewoners van [gebouw X] op 13 augustus 2007 het gebouw moesten verlaten. Op maandag 20 augustus 2007 zou gestart worden met de asbestverwijdering uit het gebouw(24).

4.2. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat er levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat er nog goederen in het gebouw aanwezig waren en dat het zou kunnen dat de bewoners op enig moment de resterende goederen hadden opgehaald.

4.3. In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de kans dat iemand in het gebouw aanwezig zou zijn nagenoeg nihil was. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij van anderen had gehoord dat het gebouw leeg stond(25). Ook heeft hij verklaard dat hij slechts in leegstaande panden kwam, omdat hij anders bang was om gepakt te worden(26). Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij op 17 augustus 2007 enkele bewoners heeft geholpen met verhuizen(27).

4.4. Evenmin blijkt uit de verklaring van de politie dat de brandweercommandant heeft verklaard dat er geen gevaar is geweest dat de brand zou overslaan naar andere gebouwen(28). Na afloop van de brand werd geconcludeerd dat er in de omgeving geen schadelijke stoffen waren vrijgekomen(29).

4.5. Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank niet bewezen dat door de brand daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het in brand steken van een oud schoolgebouw, genaamd [gebouw X] te [plaats]. De mededader heeft een wc-rol met een aansteker in brand gestoken, waarmee verdachte is gaan gooien.

Door de grote rookontwikkeling en de in het gebouw aanwezige asbest werd beslist dat een aantal woningen en de gasten van de omliggende campings geëvacueerd moesten worden. Na afloop van de brand werd echter geconcludeerd dat er in de omgeving geen schadelijke stoffen waren vrijgekomen. Het pand was wel volledig uitgebrand.

Verdachte heeft zich in het geheel geen rekenschap gegeven van de in het pand bevindende persoonlijke goederen, nu hij na het plegen van het feiten is weggefietst en geen enkele maatregel heeft genomen om de gevolgen van zijn daden te beperken. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Brandstichting is vanwege de ernstige en onvoorspelbare gevolgen die met brand gepaard kunnen gaan een ernstig delict. Bovendien kan de materiële schade bij brandstichting enorm hoog oplopen. Door de handelwijze van verdachte is onrust in de buurt ontstaan en kunnen de gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij de slachtoffers, maar ook in de maatschappij in het algemeen, zijn toegenomen.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat hij nog niet eerder is veroordeeld.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft mevrouw [J], werkzaam bij de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, desgevraagd medegedeeld dat verdachte een hoge spanningsbehoefte heeft en dat het daarom belangrijk is dat hij Equiptraining bij Het Palmhuis gaat volgen, alwaar individuele gesprekken zullen worden gevoerd en sociale vaardigheden zullen worden aangeleerd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport, d.d. 16 november 2007, betreffende het psychologisch onderzoek van verdachte, opgesteld en ondertekend door [K], klinisch psycholoog-psychotherapeut, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Betrokkene kan beschreven worden als een extraverte en beïnvloedbare jongen. Daarnaast is [verdachte] impulsief, naïef en heeft hij een hoge spanningsbehoefte. [Verdachte] is niet lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens of een stoornis. Behandeling en begeleiding is geïndiceerd. Geadviseerd wordt om verdachte een sociale vaardigheidstraining, te weten de equiptraining, zoals mogelijk is bij de forensische polikliniek De Waag, te laten volgen. De behandeling kan worden opgelegd in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf. Daarnaast wordt, om de kans op recidive verder te verkleinen, begeleiding door de jeugdreclassering geadviseerd.

De rechtbank neemt de conclusie uit voornoemd rapport over en maakt deze tot de hare en zal het gegeven advies opvolgen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 6 september 2007 en 5 februari 2008 en het briefrapport van de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, d.d. 14 november 2007.

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande, een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf gelijk aan het voorarrest van verdachte een passende reactie.

Teneinde verdachte verplicht te kunnen laten begeleiden door een hulpverleningsinstantie ziet de rechtbank aanleiding aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur op te leggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 103 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 90 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt dat veroordeelde een equiptraining zal volgen;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

in verzekering gesteld op 5 september 2007

in voorlopige hechtenis gesteld op 7 september 2007

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van 18 september 2007

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

en voorts tot

WERKSTRAF VOOR DE DUUR VAN 80 UREN

beveelt, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen, kinderrechter, voorzitter,

mr. P. de Haan, kinderrechter,

en mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. B.J. Dekker, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2008.

1 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2006, blz. 6.

2 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 6 september 2007, blz. 136 e.v. en proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 141 e.v.

3 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 6 september 2007, blz. 137 en proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 september 2007, blz. 110.

4 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 6 september 2007, blz. 137.

5 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 11 september 2007, blz. 172.

6 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 11 september 2007, blz. 172 en proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 augustus 2007, blz. 50.

7 Geschrift, d.d. 6 september 2007, blz. 179.

8 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 4 september 2007, blz. 101 en proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 september 2007, blz. 111.

9 De verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 7 september 2007.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 142.

11 De verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 7 september 2007 en proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 september 2007, blz. 117.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 september 2007, blz. 116.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte], d.d. 11 september 2007, blz. 170.

14 Proces-verbaal van verhoor [D], d.d. 7 september 2007, blz. 151.

15 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 11 september 2007, blz. 171.

16 Bijlage bij proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 september 2007, blz. 181.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 september 2007, blz. 116.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 143.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 12 september 2007, blz. 175 en 176.

20 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 6 september 2007, blz. 137.

21 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 11 september 2007, blz. 170.

22 Verklaring van verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 7 september 2007.

23 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 6 september 2007, blz. 137.

24 Proces-verbaal van aangifte [F], d.d. 27 augustus 2007, blz. 122 e.v.

25 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 5 september 2007, blz. 104.

26 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 4 september 2007, blz. 99 e.v.

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 september 2007, blz. 114.

28 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 september 2007, blz. 199.

29 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 september 2007, blz. 6.