Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4881

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
21-02-2008
Zaaknummer
09/920373-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht. De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het in brand steken van een oud schoolgebouw. De mededader heeft een wc-rol met een aansteker in brand gestoken, waarmee verdachte is gaan gooien. Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE, SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER JEUGDSTRAFZAKEN

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/920373-07

rolnummer 0003

’s-Gravenhage, 21 februari 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 21 november 2007 en 7 februari 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.J.C. Zuurbier, is verschenen en gehoord.

Er hebben zich benadeelde partijen gevoegd.

De officier van justitie mr. B.S. van Unnik -van Sluis heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 14 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, en voorts tot een jeugddetentie voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door de William Schrikker Stichting, afdeling jeugdreclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte systeemtherapie, eventueel in combinatie met individuele therapie, zal volgen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] BV zal worden toegewezen tot een bedrag van € 4780,80.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 4780,80, subsidiair 13 dagen jeugddetentie, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde partij 1] BV.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 500,- (als voorschot) en de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk zal worden verklaard, aangezien deze in zoverre niet van eenvoudige aard is.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 500,-, subsidiair 1 dag jeugddetentie, ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [benadeelde par[benadeelde partij 2].

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, gemerkt A.

Bewijsoverwegingen

1. De brand in [gebouw X] te [plaats]

1.1. Op 19 augustus 2007 om 13.43 uur kwam er bij de centrale meldkamer van de politie Hollands-Midden de volgende melding binnen:

Op het terrein van de [school], [adres] zou een leegstaand gebouw, het oude schoolgebouw, in de brand staan. Men ziet nu flink wat rook. Er is niemand in het pand aanwezig(1).

1.2. De verdediging heeft aangevoerd dat het volstrekt onduidelijk blijft wat de oorzaak van de brandhaard is geweest, waar de brand is ontstaan, door welke verbranding en welke rol verdachte daar bij heeft gehad.

1.3. Zowel [medeverdachte] als verdachte hebben verklaard(2) dat zij op 19 augustus 2007 in het gebouw [gebouw X] op het terrein van de [school] te [plaats] zijn geweest. Verdachte heeft een ruitje kapot gemaakt waardoor ze naar binnen zijn gegaan. Drie vrienden van hen gaan eveneens naar binnen, maar verlaten na ongeveer een kwartier [gebouw X] [Medeverdachte] en verdachte blijven in het gebouw.

1.4. Verdachte heeft vervolgens met zijn aansteker de onderste wc-rol uit de wc-rolhouder, waarin drie wc-rollen zaten, aangestoken. Nadat verdachte deze had aangestoken begon de wc-rol te branden(3). Hij heeft verklaard dat de wc-rol aardig begon te branden en dat het vuur boven de houder uit kwam(4).

1.5. Wanneer verdachte het pand wil verlaten ziet hij dat de gang vol staat met rook. Hierop heeft hij zijn trui voor zijn neus gehouden en is naar de ingang van het gebouw gerend. Hij is hierbij over een kacheltje gestruikeld. Hij heeft het kacheltje niet zien staan, omdat de rook al zo erg was(5).

1.6. [medeverdachte] en verdachte zijn toen gezamenlijk bij het gebouw weggereden op de fiets(6).

1.7. Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van causaal verband tussen de gedraging van verdachte, in het bijzijn van [medeverdachte], en de brand in [gebouw X], waardoor [gebouw X] in het geheel verloren is gegaan. In verband met het aanwezige asbest in het pand en de mate van verbranding van het pand heeft er geen technisch onderzoek plaatsgevonden. Hoewel een technisch onderzoek ontbreekt is de rechtbank van oordeel dat voornoemd handelen de brand heeft veroorzaakt, te meer daar het pand spanningloos was(7) en daarmee brand via kortsluiting nagenoeg is uitgesloten.

2. medeplegen

Van medeplegen is sprake wanneer twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen. Medeplegen veronderstelt bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering.

De verdediging heeft aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om te komen tot medeplegen.

Bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering

2.1. Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] blijkt dat zij eerder vernielingen hebben gepleegd op het terrein van de [school] te [plaats](8).

2.2. Verdachte heeft een ruit vernield en is samen met onder meer [medeverdachte] het gebouw ingegaan. Verdachte heeft zijn aansteker gepakt en heeft met de aansteker de onderste wc-rol uit de wc-rolhouder aangestoken. Verdachte heeft gezien dat de wc-rol aardig begon te branden. Vervolgens heeft verdachte de wc-rolhouder met daarin de brandende wc-rollen van de muur gepakt en in de wc-pot gelegd. Hoewel verdachte nog vlammen heeft gezien, is hij naar een andere ruimte in het gebouw gegaan. Net toen hij de andere ruimte wilde binnengaan heeft verdachte gezien dat [medeverdachte] een brandende wc-rol tegen de muur gooide(9). Hetgeen ook wordt bevestigd door een van de vrienden die zich buiten het gebouw bevond en naar binnen keek(10). De wc-rol viel vervolgens op de grond en rolde uit(11).

2.3. De rechtbank gaat er van uit dat [medeverdachte] één van de door verdachte in brand gestoken wc-rollen heeft gegooid. Verdachte verklaart immers dat [medeverdachte] geen aansteker bij zich had(12).

2.4. Vaststaat dus dat verdachte een wc-rol met een aansteker heeft aangestoken en dat [medeverdachte], nadat verdachte de wc-rol heeft aangestoken, de brandende wc-rol tegen de muur heeft gegooid.

2.5. Hoewel verdachte zich op het moment dat [medeverdachte] de wc-rol gooide zich naar een andere ruimte begaf, is de rechtbank van oordeel dat onder voornoemde omstandigheden en door aldus te handelen er sprake is van bewuste samenwerking, zeker nu verdachte geen poging heeft gedaan het daardoor ontstane vuur te doven. Uitdrukkelijke en vooraf gemaakte afspraken zijn hiertoe niet vereist. Verdachte heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan het ten laste gelegde feit. Beiden hebben immers ondersteunende uitvoeringshandelingen gepleegd. De samenwerking is naar het oordeel van de rechtbank zo nauw en volledig geweest, dat er sprake is van gezamenlijke uitvoering.

3. voorwaardelijk opzet

Voorwaardelijk opzet is het willens en wetens aanvaarden of op de koop toe nemen van de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg zal optreden. De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet.

3.1. Verdachte heeft, nadat hij de wc-rolhouder met de brandende wc-rol in de wc heeft gelegd, gezien dat één van de wc-rollen nog brandende was. Hij ziet immers nog vlammen.

Zonder zich ervan te hebben vergewist of de wc-rol was gedoofd heeft hij de ruimte verlaten(13).

3.2. [medeverdachte] heeft één van de brandende wc-rollen gepakt en heeft de brandende wc-rol tegen de muur in de gang gegooid. [medeverdachte] heeft verklaard de wc-rollen te hebben gedoofd. Later heeft hij verklaard dat hij niet weet of de tweede wc-rol helemaal was gedoofd(14). Als [medeverdachte] vervolgens het gebouw wil verlaten roept [hij] nog enigszins paniekerig "kom we gaan eruit, we gaan eruit"(15).

Verdachte en [medeverdachte] hebben het gebouw verlaten en zijn weggefietst, terwijl door verdachte is gezien dat [gebouw X] vol stond met rook en waar rook is, is vuur.

3.3. De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verdachte hiermee de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat de wc-rollen nog niet geheel waren gedoofd, waardoor de latere brand is ontstaan.

4. ontbreken van levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

4.1. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.

4.2. De beheerder van het terrein van de [school] heeft verklaard dat de bewoners van [gebouw X] op 13 augustus 2007 het gebouw moesten verlaten. Op maandag 20 augustus 2007 zou gestart worden met de asbestverwijdering uit het gebouw(16).

4.3. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat er levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat er nog goederen in het gebouw aanwezig waren en dat het zou kunnen dat de bewoners op enig moment de resterende goederen hadden opgehaald.

4.4. In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de kans dat iemand in het gebouw aanwezig zou zijn nagenoeg nihil was. Verdachte heeft verklaard dat hij van anderen had gehoord dat het gebouw leeg stond(17). Ook heeft hij verklaard dat hij slechts in leegstaande panden kwam, omdat hij anders bang was om gepakt te worden(18). [medeverdachte] heeft bovendien verklaard dat hij op 17 augustus 2007 enkele bewoners heeft geholpen met verhuizen(19).

4.5. Evenmin blijkt uit de verklaring van de politie dat de brandweercommandant heeft verklaard dat er geen gevaar is geweest dat de brand zou overslaan naar andere gebouwen(20). Na afloop van de brand werd geconcludeerd dat er in de omgeving geen schadelijke stoffen waren vrijgekomen(21).

4.6. Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank niet bewezen dat door de brand daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

De bewezenverklaring

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het bij dagvaarding vermelde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijf oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het in brand steken van een oud schoolgebouw, genaamd [gebouw X] te [plaats]. De mededader heeft een wc-rol met een aansteker in brand gestoken, waarmee verdachte is gaan gooien.

Door de grote rookontwikkeling en de in het gebouw aanwezige asbest werd beslist dat een aantal woningen en de gasten van de omliggende campings geëvacueerd moesten worden. Na afloop van de brand werd echter geconcludeerd dat er in de omgeving geen schadelijke stoffen waren vrijgekomen. Het pand was wel volledig uitgebrand.

Verdachte heeft zich in het geheel geen rekenschap gegeven van de in het pand bevindende persoonlijke goederen, nu hij na het plegen van het feiten is weggefietst en geen enkele maatregel heeft genomen om de gevolgen van zijn daden te beperken. Dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Brandstichting is vanwege de ernstige en onvoorspelbare gevolgen die met brand gepaard kunnen gaan een ernstig delict. Bovendien kan de materiële schade bij brandstichting enorm hoog oplopen. Door de handelwijze van verdachte is onrust in de buurt ontstaan en kunnen de gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij de slachtoffers, maar ook in de maatschappij in het algemeen, zijn toegenomen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het algemeen documentatieregister, in het verleden reeds eerder is veroordeeld.

Tijdens de behandeling ter terechtzitting heeft de heer [A], werkzaam bij de William Schrikker Stichting afdeling jeugdreclassering, desgevraagd medegedeeld dat verdachte vijf dagen per week dagbehandeling volgt bij Cardea Jeugdzorg en dat onlangs Functional Family Therapie (FFT) is gestart.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport, d.d. 7 november 2007, betreffende het psychologisch onderzoek van verdachte, opgesteld en ondertekend door [B], psycholoog, onder meer inhoudend, verkort en zakelijk weergegeven:

Er is bij [verdachte] sprake van een gebrekkige sociaal-emotionele ontwikkeling. Hij lijkt onvoldoende copingsmechanismen te hebben ontwikkeld om te kunnen omgaan met moeilijke gebeurtenissen in zijn leven. Zijn lage zelfbeeld maakt hem gevoelig voor de aanwezigheid van leeftijdsgenoten. Bovendien is het cognitief functioneren van [verdachte] beneden gemiddeld. [verdachte] is onvoldoende in staat om de gevolgen van zijn daden te overzien. Concluderend kan gesteld worden dat [verdachte] momenteel kampt met sombere gevoelens en een lage eigenwaarde. [verdachte] voldoet op dit moment aan de kenmerken voor een gedragsstoornis, als gevolg van zijn onverwerkte trauma’s. [verdachte] zal door middel van intensieve individuele therapie moeten leren zijn emoties toe te laten, deze te onderkennen en op adequate wijze te leren uiten. Naast individuele therapie is systeemtherapie eveneens noodzakelijk. Op basis van bovenstaande gegevens kan [verdachte] verminderd toerekeningsvatbaar worden verklaard.

De ontwikkeling van [verdachte] wordt ernstig bedreigd. Wanneer deze bedreigingen in zijn ontwikkeling niet zullen worden weggenomen is de kans op recidive groot. Om er zeker van te zijn dat de behandeling gerealiseerd wordt, lijkt een juridisch kader gevormd door een voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] zich zal houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, gewenst.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op rapport van Kristal, centrum psychiatrie en verstandelijke beperking, d.d. 17 september 2007.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies uit bovenstaande rapporten over en maakt deze tot de hare en zal het gegeven advies opvolgen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank weegt bij de strafmaat mee dat de verdachte daadwerkelijk de wc-rol met een aansteker heeft aangestoken en dat verdachte ouder is dan zijn mededader [medeverdachte].

De rechtbank acht, gelet op vorenstaande, een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf gelijk aan het voorarrest van verdachte een passende reactie.

Teneinde verdachte verplicht te kunnen laten begeleiden door een hulpverleningsinstantie ziet de rechtbank aanleiding aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur op te leggen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de William Schrikker Stichting, afdeling jeugdreclassering.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij 1] BV, [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4780,80.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit de vordering voor slechts de helft toe te wijzen.

De benadeelde partij heeft aangetoond dat door haar tot een bedrag van € 4780,80 schade is geleden. Bijlage 1 betreft een factuur van vijf samengestelde rolsteigers. Bijlage 2 betreft een factuur van een kamersteiger. Blijkens de aangifte van de [heer C] zijn als gevolg van de brand in [gebouw X] te [plaats] 1 kamersteiger en 2 zesmetersteigers verloren gegaan. Aannemelijk is dat deze schade het gevolg is van het bewezenverklaarde. De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Deze vordering is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd door de benadeelde partij.

Indien meer personen samen een onrechtmatige daad plegen, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade. De mededader van verdachte heeft echter de leeftijd van veertien jaar nog niet bereikt en is civielrechtelijk niet aansprakelijk voor zijn gedraging. Zijn ouders zijn risico-aansprakelijk. Het is redelijker en bovendien in overeenstemming met de civielrechtelijke uitgangspunten dat het probleem met de eventuele verhaalsmogelijkheden bij de dader ligt.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4780,80.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4780,80 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1] BV.

[Benadeelde par[benadeelde partij 2], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1265,-.

De raadsvrouw van de verdachte heeft primair bepleit dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit de vordering voor slechts tot een bedrag van € 500,- toe te wijzen.

Hoewel de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, vanwege het ontbreken van schriftelijk bewijs, kan de schade worden geschat. De omvang van de gevorderde bedragen zijn redelijk en in overeenstemming met de aangifte van de heer [benadeelde partij 2].

Omdat de werkelijk waarde van de schaatsen en kosten die voortvloeien uit het doen van aangifte onduidelijk zijn, zal de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 1000,- toewijzen als voorschot op de schadevergoeding.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten "schaatsen" en "tijd benodigd voor uitleg politie" de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering voor zover niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De benadeelde partij kan in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1000,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen:

36f, 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding ten laste gelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

OPZETTELIJK BRAND STICHTEN, TERWIJL DAARVAN GEMEEN GEVAAR VOOR GOEDEREN TE DUCHTEN IS

verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezene en verdachte te dier zake strafbaar;

veroordeelt verdachte tot

JEUGDDETENTIE VOOR DE DUUR VAN 104 DAGEN

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 90 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door de William Schrikker Stichting afdeling jeugdreclassering namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit inhoudt dat veroordeelde een equiptraining zal volgen;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht;

in verzekering gesteld op 4 september 2007

in voorlopige hechtenis gesteld op 7 september 2007

welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van 18 september 2007

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

en voorts tot

WERKSTRAF VOOR DE DUUR VAN 80 UREN

beveelt, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 1] BV, [adres] een bedrag van € 4780,80;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4780,80 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 1] BV;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij 2], [adres] een bedrag van € 1000,-;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1000,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij 2];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 3 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.E. Dettmeijer-Vermeulen, kinderrechter, voorzitter,

mr. P. de Haan, kinderrechter,

en mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. B.J. Dekker, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2008.

1 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 september 2006, blz. 6.

2 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 6 september 2007, blz. 141 e.v. enpProces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 136 e.v.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 137 en proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 5 september 2007, blz. 110.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 137.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 11 september 2007, blz. 172.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 11 september 2007, blz. 172 en proces-verbaal van bevindingen, d.d. 19 augustus 2007, blz. 50.

7 Geschrift, d.d. 6 september 2007, blz. 179.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 4 september 2007, blz. 101 en proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 5 september 2007, blz. 111.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 137.

10 Proces-verbaal van verhoor [D], d.d. 7 september 2007, blz. 151.

11 Proces-verbaal van verhoor [E], d.d. 6 september 2007, blz. 137.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 137.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 11 september 2007, blz. 170.

14 Verklaring van [medeverdachte] afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 7 september 2007.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 6 september 2007, blz. 137.

16 Proces-verbaal van aangifte [F], d.d. 27 augustus 2007, blz. 122 e.v.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 5 september 2007, blz. 104.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 4 september 2007, blz. 99 e.v.

19 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte], d.d. 5 september 2007, blz. 114.

20 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 september 2007, blz. 199.

21 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 6 september 2007, blz. 6.