Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4625

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
09/757806-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 25 april 2007 schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld op de openbare weg, waarbij jegens het slachtoffer fysiek geweld is gebruikt, onder andere bestaande uit het zetten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van het slachtoffer. Voorts heeft verdachte zich samen met een ander op 23 augustus 2007 - op de wijze zoals in het vonnis is omschreven - schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen van een afpersing met geweld dan wel een diefstal met geweld van een hoeveelheid heroïne. Tevens heeft verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens en munitie. Ten slotte is tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte 1938 gram hasjiesj aangetroffen. Gelet op deze hoeveelheid was de hasjiesj kennelijk bestemd voor verdere verspreiding onder handelaren en gebruikers. Straf gegrond op de artikelen: - 36b, 36c, 36d, 46, 57, 310, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht;- 26, 55 van de Wet wapens en munitie; - 3, 11, van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II. Gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VONNIS)

parketnummer 09/757806-07

's-Gravenhage, 20 februari 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer.

De terechtzitting.

Het onderzoek is - na een pro forma behandeling op 19 november 2007 - gehouden ter terechtzitting van 6 februari 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. D.K.P.K. el Fadili, advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. Willemse heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 3 telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2, 4 en 5 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht), de onder 1 tot en met 7 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

De telastlegging.

Aan de verdachte is telastgelegd - na wijziging van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging telastlegging, gemerkt A1.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij - gewijzigde - dagvaarding onder 3 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen.

In het navolgende zal de rechtbank ingaan op het bewijs ten aanzien van de feiten 1, 2, 4 en 5, waarbij de rechtbank in verband met de chronologie van de gebeurtenissen, het onder 4 telastgelegde als eerste zal bespreken.

Feit 4

Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 25 april 2007 op de openbare weg, de [straat] te Amsterdam is overvallen. Tijdens deze overval werd hij volgens de aangifte van achteren vastgepakt, werd tegen hem gezegd: “police, police don’t move”, werd een vuurwapen tegen zijn hoofd gezet en werd hij gefouilleerd. Hij is vervolgens beroofd van een (zak)telefoon, een portemonnee met inhoud en een geldbedrag. De dader ging er volgens aangever vandoor in een zwarte [auto merk 3] met kenteken [kenteken](1).

Blijkens navraag bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer te Veendam bleek dat genoemd kenteken op naam stond van [X] Autoverhuur. Vervolgens zijn bij dit autoverhuurbedrijf de gegevens van de huurder opgevraagd en uit die gegevens bleek dat de zwarte [auto merk 3] met kenteken [kenteken] in de periode vanaf 4 april 2007 tot 4 mei 2007 aan verdachte was verhuurd(2). Verdachte heeft ook erkend dat hij in voormelde periode de betreffende [auto merk 3] had gehuurd(3).

Nadat verdachte op 23 augustus 2007 was aangehouden op verdenking van voorbereidingshandelingen om samen met anderen een afpersing dan wel een diefstal met geweld te gaan plegen (feit 1 primair), heeft op 10 september 2007 een meervoudige fotoconfrontatie plaatsgevonden. Aangever [aangever] heeft verdachte bij deze meervoudige fotoconfrontatie voor 80% herkend aan zijn snor en zijn ogen. [aangever] heeft daarbij aangegeven "het moeilijk te vinden", waarmee hij kennelijk wil duidelijk maken dat hij om die reden slechts voor 80% en niet voor 100% herkent(4). Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat deze laatste opmerking van aangever zijn herkenning van verdachte eerder meer dan minder overtuigend maakt, nu hij foto's heeft voorgelegd gekregen van zes mannen, die zoals blijkt uit het proces-verbaal van de fotoconfrontatie, sterk op elkaar lijken. Ten slotte heeft aangever verdachte, aan de hand van een tijdens de observatie van verdachte gemaakte foto, voor 100% herkend als degene die hem heeft overvallen(5). Nu verdachte door aangever is herkend (zij het voor 80%) en verdachte ook niet heeft aangegeven aan wie hij de auto gedurende de huurperiode zou hebben uitgeleend, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte de door hem gehuurde [auto merk 3] op 25 april 2007 aan een ander had uitgeleend, zoals door de raadsvrouw is betoogd.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hierna onder feit 4 te noemen misdrijf.

Feiten 1 primair, 2 en 5

Aangezien de politie het vermoeden had dat op 31 mei 2007 wederom een overval met voornoemde [auto merk 3] had plaatsgevonden, is op 19 juni 2007, met machtiging van de rechter-commissaris, een tap op de telefoon van verdachte gezet.

Op 14 augustus 2007 om 17.23 uur wordt een telefoongesprek opgevangen waarbij verdachte naar ene [C] belt. In dit gesprek wordt gesproken over "snoepjes", "koffie" en monstertjes en er wordt een afspraak gemaakt voor de volgende dag(6).

Op 15 augustus 2007 om 13.40 uur belt verdachte met [C] en vraagt of hij in Gouda is. Verdachte zegt dat hij die middag naar het station komt om hem te ontmoeten(7).

Op 20 augustus 2007 om 16.31 uur belt verdachte opnieuw met [C] en zegt dat hij samen met die gozer uit Frankrijk onderweg is naar [C]. Zij spreken af op het station(8).

Op 21 augustus 2007 om 16.15 uur belt verdachte met [C] en zegt dat 'het ding' bijna perfect is bevonden door de uiteindelijke koper, die op dat moment in België zou zijn. Ook waarschuwt verdachte [C] dat hij niet rechtstreeks met zijn klant mag praten, maar dat het via hem, verdachte, moet lopen. [C] moet zijn prijs geven voor '1' en dan zal verdachte zijn prijs aan de koper doorgeven. Verdachte zegt dat hij er ook aan moet verdienen en dat de koper er '6' wil hebben(9). Diezelfde dag om 22.46 en 22.48 uur belt verdachte wederom met [C] en vraagt of hij '6' kan krijgen. Verdachte zegt tegen [C] dat hij '15' moet zeggen en als hij moeilijk doet, dan moet hij er gewoon '14½' van maken. [C] bevestigt dat hij er '6' kan krijgen en ze zullen ’s morgens bellen om een afspraak te maken (10).

Op 23 augustus 2007 om 13.49 uur belt verdachte wederom met [C] en zegt dat 'de man' naar hem onderweg is en dat zij dan naar [C] toe komen(11). Na dit gesprek sms't [C] dat de prijs 0.50 duurder is geworden. Om 15.43 uur belt verdachte naar [C] dat hij naar hem onderweg is. Zij spreken af op het station in Gouda(12).

Het observatieteam (hierna: OT) heeft zich op 23 augustus 2007 om 14.20 uur opgesteld voor de woning van verdachte aan de [adres]. Om 15.12 uur ziet het OT dat er een [auto merk 1] en direct daarachter een [auto merk 2] voor genoemde woning parkeren en dat de in totaal vier inzittenden van deze auto's de woning van verdachte binnengaan. Om 15.47 uur ziet het OT diezelfde vier personen in gezelschap van verdachte diens woning verlaten. Bedoelde personen stappen in de beide auto’s waarbij verdachte als bijrijder plaatsneemt in de [auto merk 2]. Om 16.06 uur zijn alle personen door leden van het arrestatieteam van de regiopolitie Haaglanden op de Goudse Poort te Gouda aangehouden, omdat het vermoeden bestond dat verdachte en de andere vier personen van plan waren [C] te gaan beroven van 6 kilo heroïne (13).

[C] heeft op 31 augustus 2007 ten overstaan van de politie een verklaring afgelegd, inhoudende dat een dikke donkere man 6 kilo heroïne van hem wilde kopen en dat de man op de aan hem getoonde foto van medeverdachte [A](14), de man is die samen met de dikke donkere man bij de ontmoetingen aanwezig was. [C] had de indruk dat die 6 kilo heroïne voor de man op de foto was bestemd. De dikke donkere man deed alsof hij de tussenpersoon was, aldus [C]. Tevens heeft [C] verklaard dat hij op 15 augustus 2007 met die dikke neger had afgesproken bij de Burger King op het station in Leiden en dat de man van de foto ook bij deze ontmoeting aanwezig was. De man van de foto vertelde dat hij net uit Frankrijk kwam en de dikke neger vertelde dat hij net terug was uit Suriname. Voorts heeft [C] verklaard dat er op 20 augustus 2007 een tweede ontmoeting met de dikke neger en de man van de foto heeft plaatsgevonden op het station in Gouda. Tijdens deze ontmoeting vroeg de man van de foto hoe de kwaliteit van de heroïne was en hij wilde een monstertje. Één kilo heroïne zou € 14.500 kosten en de man van de foto wilde 6 kilo kopen. Ten slotte verklaart [C] dat er op 23 augustus 2007 een afspraak met de dikke neger was gemaakt op het station in Gouda om uiteindelijk 6 kilo heroïne van hem te gaan kopen(15).

Uit de verklaring van [C] van 26 augustus 2007 blijkt dat hij verdachte herkent op een getoonde foto als de dikke man waar hij contact mee had(16).

Op 31 januari 2008 is [C] als getuige door de rechter-commissaris gehoord. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [C] zijn verklaring die hij bij de politie op 31 augustus 2007 had afgelegd, bevestigd en heeft hij wederom zowel de foto van verdachte als de foto van medeverdachte [A] aangewezen als de personen die bij de ontmoetingen aanwezig waren(17).

Bij de insluitingsfouillering werd in de broeksband van verdachte een pistool met daarin een patroonhouder met vijf patronen aangetroffen(18).

Tijdens zijn verhoor op 30 augustus 2007 vroeg verdachte aan de verhorende verbalisant hoeveel vuurwapens er waren aangetroffen(19). Dit is de aanleiding geweest om de [auto merk 1] en de [auto merk 2] met behulp van een explosieven speurhond te doorzoeken(20). Hierbij werd onder de achterbank van de [auto merk 2] - op de plaats waar medeverdachte [A] had gezeten(21) - nog een pistool met bijbehorende munitie, te weten negen patronen, aangetroffen(22). Naar het oordeel van de rechtbank wijst voormelde vraag van verdachte erop dat hij wist dat er zich in de [auto merk 2] nog een vuurwapen moest bevinden.

Tevens is op de bijrijderstoel van de [auto merk 2] een zwarte tas aangetroffen met daarin twee pakketjes/bundeltjes bankbiljetten waartussen zich krantenknipsels bevonden(23).

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte is, behalve 1938 gram hasjiesj, op de tafel in de woonkamer een verknipte krant (Streekblad) aangetroffen en in beslaggenomen(24). Uit forensisch technisch onderzoek is naar voren gekomen dat de tussen de bankbiljetten aangetroffen krantenknipsels één geheel vormen met het in de woning van verdachte aangetroffen Streekblad. Tevens is uit genoemd onderzoek gebleken dat van de in totaal 70 bankbiljetten, slechts 2 bankbiljetten echt waren en de overige vals(25). Voorts is zowel op één vals bankbiljet van € 500,- als op één van de twee witte papieren bundelbinders een vingerafdruk van verdachte geïdentificeerd(26).

De raadsvrouw heeft - kort samengevat - het verweer gevoerd dat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat verdachte het opzet had op het (mede)plegen van een "ripdeal", zodat verdachte van het hem onder feit 1 primair telastgelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er in de taps wordt gesproken over koffie en snoepjes; niet over heroïne, dat verdachte uitsluitend een vuurwapen op zak had om zichzelf te beschermen en dat de omstandigheid dat zowel op de krantenknipsels als op het geld de vingerafdrukken van verdachte zijn aangetroffen, nog niet betekent dat deze voorwerpen zijn meegenomen met het voornemen om een "ripdeal" te gaan plegen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt daartoe het volgende.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, leidt de rechtbank het volgende af.

* In de telefoongesprekken tussen verdachte en [C] is, gelet op de inhoud ervan, kennelijk sprake van versluierd taalgebruik, door te spreken in termen van snoepjes, koffie, monstertjes, aantallen en "het ding". Dit versluierd taalgebruik is bedoeld om te verhullen dat het in deze gesprekken gaat over verdovende middelen.

* Om afspraken te maken omtrent de levering van 6 kilo heroïne door [C], hebben in ieder geval op 15 augustus 2007 en op 20 augustus 2007 ontmoetingen in Leiden respectievelijk Gouda plaatsgevonden tussen verdachte, medeverdachte [A] en [C].

* Er is uiteindelijk een telefonische afspraak gemaakt dat verdachte en medeverdachte [A] op 23 augustus 2007 [C] op het station in Gouda zouden ontmoeten om 6 kilo heroïne van [C] "te kopen" tegen een prijs van € 14.500,- per kilo.

* Verdachte is op 23 augustus 2007 met medeverdachte [A] en drie anderen in twee auto’s op weg gegaan naar Gouda. Verdachte en medeverdachte [A] zaten in de [auto merk 2]. Verdachte had een pistool in zijn broeksband en het andere pistool is aangetroffen onder de achterbank op de plek waar medeverdachte [A] op weg naar Gouda in de [auto merk 2] zat. Verdachte was tevens in het bezit van een tas met daarin bundels (valse) bankbiljetten waartussen krantenknipsels waren gestopt.

De rechtbank heeft zich vervolgens de vraag gesteld of genoemde voorwerpen, al dan niet in combinatie met elkaar, kennelijk bestemd zijn tot het in vereniging begaan van het misdrijf zoals in de telastlegging onder feit 1 primair is omschreven, waarbij ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2007, LJN: AZ0213, als maatstaf heeft te gelden of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Anders dan bij het leerstuk van de 'strafbare poging' is bij de voorbereidingshandeling nog geen sprake van een begin van uitvoering van de gedraging waarop het opzet van de dader is gericht. Waar de poging altijd - door een begin van uitvoering - een directe verbinding heeft met dit 'gronddelict', moet de voorbereidingshandeling meer beschouwd worden als een zelfstandig gronddelict, waarvoor in de regel typerend is dat de voorbereidingen voor dat delict zich in een zodanig vroeg stadium bevinden, dat nog niet gesproken kan worden van een begin van uitvoering. Dit prille stadium is daarmee kenmerkend voor het leerstuk van de voorbereiding. Niet is vereist dat de voorwerpen, stoffen of informatiedragers reeds een instrumenteel karakter hebben op het moment dat de overheid tussenbeide komt.

Bij een dergelijke 'onvolkomen' delictsvorm kan de gerichtheid of bestemming van de gewraakte voorwerpen bewezen worden aan de hand van de indruk die deze voorwerpen naar algemene ervaringsregels op de gemiddelde rechtsgenoot maken en/of aan de hand van de verklaarde intentie van de verdachte. Omdat als grondbeginsel van het Nederlandse strafrecht heeft te gelden dat men niet veroordeeld kan worden voor denkbeelden, emoties, intenties of voornemens alleen, zullen de bij de verdachte aangetroffen voorwerpen dan ook moeten worden gewogen. De weging van deze voorwerpen vindt plaats in het licht van de vraag of zij moeten worden beschouwd als symptomen van het achterliggende criminele doel van de verdachte. Het bestaan van de intentie zal op enige wijze uit objectieve omstandigheden moeten blijken, er dient een zekere 'veruiterlijking' van de intentie te worden vastgesteld.

De rechtbank hecht aan de verklaring van verdachte, dat hij altijd een pistool bij zich draagt om zichzelf te beschermen, geen waarde. Immers, wat daarvan ook zij, verdachte was op 23 augustus 2007 niet alleen in het bezit van een pistool, maar tevens van een aanzienlijke hoeveelheid vals geld en verdachte heeft geen enkele verklaring gegeven voor wat hij die dag samen met medeverdachte [A] en anderen met twee auto's, twee vuurwapens en het valse geld bij het station in Gouda ging doen.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen genoemde voorwerpen naar algemene ervaringsregels op de gemiddelde rechtsgenoot - mede gelet op vorenstaande bewijsmiddelen - geen andere indruk maken dan dat deze kennelijk bestemd waren voor een misdadig doel, te weten het in vereniging plegen van afpersing met geweld dan wel diefstal met geweld. In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat uit voormelde tapgesprekken alsmede uit de verklaring van [C] naar voren komt dat 6 kilo heroïne à € 14.500,- per kilo in totaal € 87.000,- zou moeten kosten, terwijl verdachte slechts

€ 21.650,- aan (vals) geld bij zich had(27), zodat hij een dergelijke hoeveelheid heroïne nooit had kunnen kopen. Nog daargelaten de vraag of de samenstelling van de bundels (vals) geld wijzen op enige intentie daartoe.

Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank ter uitvoering van het gezamenlijk plan een “ripdeal" te gaan plegen sprake geweest van een bewuste, nauwe en volledige samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [A]. Daartoe acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden redengevend:

* uit de inhoud van de tapgesprekken komt naar voren komt dat verdachte degene was die de telefonische contacten met [C] onderhield;

* medeverdachte [A] was met verdachte aanwezig tijdens de ontmoetingen die op 15 augustus 2007 respectievelijk 20 augustus 2007 met [C] hebben plaatsgevonden;

* verdachte en medeverdachte [A] zijn op 23 augustus 2007 samen in de [auto merk 2] gestapt en beiden waren in het bezit van een pistool;

* verdachte was in het bezit van een tas met daarin twee bundels vals geld en op een vals bankbiljet van € 500,- is zowel een vingerafdruk van verdachte als een vingerafdruk van medeverdachte [A] aangetroffen(28).

Gelet op vorenstaande bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hierna onder feit 1 primair, 2 en 5 te noemen misdrijven.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2, 4 en 5 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 25 april 2007 schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld op de openbare weg, waarbij jegens het slachtoffer fysiek geweld is gebruikt, onder andere bestaande uit het zetten van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van het slachtoffer. Verdachte heeft door zijn handelwijze een ernstige inbreuk gemaakt op de psychische en fysieke integriteit van het slachtoffer. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hun is overkomen. Verdachte is, blijkens de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, geheel aan deze gevolgen voorbij gegaan en heeft alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin.

Voorts heeft verdachte zich samen met een ander op 23 augustus 2007 - op de wijze zoals hiervoor is omschreven - schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen van een afpersing met geweld dan wel een diefstal met geweld van een hoeveelheid heroïne. Dat het niet tot een confrontatie met het potentiële slachtoffer is gekomen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte is te danken. Integendeel, uitsluitend door tijdig ingrijpen van de politie is de situatie niet geëscaleerd en is het potentiële slachtoffer verschoond gebleven van jegens hem uitgeoefend geweld. Immers, verdachte en zijn mededader waren beiden in het bezit van een geladen vuurwapen.

Verdachte heeft zich aldus binnen een periode van vier maanden schuldig gemaakt aan twee zeer ernstige misdrijven die behoren tot een categorie strafbare feiten die een grove inbreuk maken op de rechtsorde en waardoor de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid worden bevestigd en versterkt.

De rechtbank rekent verdachte deze feiten derhalve zwaar aan.

Tevens heeft verdachte zich, zoals hiervoor reeds is overwogen, samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens en munitie.

Tegen onbevoegd vuurwapenbezit dient krachtig te worden opgetreden; het stijgend aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving onderstreept de noodzaak hiervan.

Ten slotte is op 23 augustus 2007 tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte in totaal 1938 gram hasjiesj aangetroffen. Gelet op deze hoeveelheid waren de hasjiesj kennelijk bestemd voor verdere verspreiding onder handelaren en gebruikers.

Verdachte is voorbij gegaan aan het feit dat hasjiesj een stof is die schadelijk is voor de volksgezondheid. De ervaring leert dat gebruikers van softdrugs, zoals hasjiesj, gemakkelijker verslaafd raken aan harddrugs. Bovendien is het gebruik van softdrugs ook bezwaarlijk voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde vormen van criminaliteit en door hen veroorzaakte overlast. De rechtbank kan derhalve niet voorbijgaan aan het feit dat de aard van dit strafbare feit waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt, weer andere vormen van criminaliteit uitlokt en bevordert.

De bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen van een afpersing met geweld dan wel een diefstal met geweld (feit 1 primair) en de straatroof (feit 4) vormen evenwel het zwaartepunt bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf.

Bij de strafoplegging zal de rechtbank ten nadele van verdachte in het bijzonder rekening houden met de volgende omstandigheden:

* de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

* verdachte is - blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 24 augustus 2007 - reeds eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten veroordeeld, uit welke veroordelingen verdachte kennelijk geen lering heeft getrokken;

* verdachte heeft bij het plegen van de door hem begane strafbare feiten uit puur winstbejag gehandeld en heeft zich daarbij niets aangetrokken van de (mogelijke) gevolgen voor anderen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Gelet op voornoemde omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de totale duur van 48 maanden passend en geboden, te weten:

* ten aanzien van feit 1 primair een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

* ten aanzien van de feiten 4 en 5 een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

* ten aanzien van feit 2 een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 7 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan dan wel deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de feiten waarvan hij wordt verdacht zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36b, 36c, 36d, 46, 57, 310, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie;

- 3, 11, van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij - gewijzigde -dagvaarding onder 3 telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 2, 4 en 5 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

medeplegen van voorbereiding van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en/of medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweld tegen personen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 , eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg;

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 23-08-2007,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 28-08-2007,

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 tot en met 7 genummerde voorwerpen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Van der Burg, voorzitter,

Milders en Kuipéri, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Maat, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2008.

(1) Proces-verbaal aangifte [aangever] d.d. 26-04-2007, pag. 80-83.

(2) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juni 2007, pag. 95-96 en kopie contract autoverhuur, pag. 97.

(3) een proces-verbaal van verhoor van de verdachte (inbewaringstelling), op 28 augustus 2007 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

(4) Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 10 september 2007, pag. 304-306 en proces-verbaal meervoudige fotoconfrontatie d.d. 16 oktober 2007, pag. 353-356.

(5) Proces-verbaal d.d. 10 september 2007, pag. 307-308.

(6) Proces-verbaal van bevindingen, tapgesprek nr. 148 d.d. 14-08-2007 om 17.23 uur, pag. 113.

(7) Proces-verbaal van bevindingen, tapgesprek nr. 153 d.d. 15-08-2007 om 13.40 uur, pag. 162.

(8) Proces-verbaal van bevindingen, tapgesprek nr. 177 d.d. 20-08-2007 om 16.31 uur, pag. 161.

(9) Proces-verbaal van bevindingen, tapgesprek nr. 186 d.d. 21-08-2007 om 16.15 uur, pag. 114/115.

(10) Proces-verbaal van bevindingen, tapgesprek nr. 193 en 194 d.d. 21-08-2007 om 22.46 en 22.48 uur, pag. 115/116.

(11) Proces-verbaal van bevindingen, tapgesprek nr. 207 d.d. 23-08-2007 om 13.49 uur, pag. 119.

(12) Proces-verbaal van bevindingen, tapgesprek nr. 210 en 211 d.d. 23-08-2007 om 14.47 en 15.43 uur, pag. 119.

(13) Proces-verbaal d.d. 24 augustus 2007, pag. 290-293.

(14) Waar in het dossier de naam [naam], geboren op [geboortedatum] 1979, wordt genoemd als verdachte, moet worden gelezen de naam: [medeverdachte A], geboren op [geboortedatum]1978 te [geboorteplaats] (proces-verbaal d.d. 26 september 2007, pag. 266) en proces-verbaal verhoor verdachte [naam] d.d. 17 september 2007, pag. 311.

(15) Proces-verbaal van verhoor d.d. 31 augustus 2007, pag. 223-226.

(16) Proces-verbaal van verhoor d.d. 26 augustus 2007, pag. 160.

(17) een proces-verbaal van verhoor van [C] (punten 2, 4, 6, 10, 26 en 27), op 31 januari 2008 opgemaakt en ondertekend door de rechter commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier.

(18) Proces-verbaal d.d. 23 augustus 2007, pag. 21-24, proces-verbaal d.d. 24 augustus 2007, pag. 137-139 en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 februari 2008.

(19) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 augustus 2007, pag. 214.

(20) proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 augustus 2007 met bijlage, pag. 215-216.

(21) Foto locatie aantreffen van het vuurwapen, pag. 218.

(22) Proces-verbaal d.d. 30 augustus 2007, pag. 217-219.

(23) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 augustus 2007, pag. 135 en proces-verbaal van bevindingen 15 januari 2008, pag. 440.

(24) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2007, pag. 121-122. T.a.v. de hasjiesj: proces-verbaal d.d. 24 augustus 2007, pag. 140 en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 februari 2008.

(25) Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 10 oktober 2007, pag. 373-377.

(26) Rapport van de Technische Recherche d.d. 13 september 2007, pag. 274-275.

(27) Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek d.d. 10 oktober 2007, pag. 374. Hieruit blijkt dat zich in pakketje Svo 1, 1 bankbiljet van € 50, 27 bankbiljetten van € 500 en 4 bankbiljetten van € 200 bevonden en in pakketjes Svo 2, 1 bankbiljet van € 500, 4 bankbiljetten van € 50 en 33 bankbiljetten van € 200. Dit maakt een totaal van € 21.650,-.

(28) Rapport van de Technische Recherche d.d. 13 september 2007, pag. 274-275.