Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4573

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
AWB 08/2510, 08/2513
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ambtshalve weigering verblijfsvergunning regulier / schorsende werking / herhaalde aanvraag / eerdere Arnhemse jurisprudentie verlaten

In artikel 79, derde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de afdeling over beroep in asielzaken van overeenkomstige toepassing is indien in de voornemenprocedure de vreemdeling tevens in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over het voornemen niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen. Dit geval heeft zich in deze zaak voorgedaan. Artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000, bepaalt dat de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of op het beroep is beslist. Ingevolge dit artikel heeft het beroep in asielzaken als hoofdregel schorsende werking. Artikel 82, tweede lid, van de Vw 2000 bevat een viertal uitzonderingen op die hoofdregel, waarvan er voor deze zaak twee van belang zijn. Onder a is geregeld dat het beroep geen schorsende werking heeft indien het besluit inhoudt "de afwijzing van de aanvraag binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren" (waarmee wordt gedoeld op de afwijzing in de Aanmeldcentrum-procedure). Onder b is bepaald dat het beroep geen schorsende werking heeft indien het besluit de afwijzing van de herhaalde aanvraag inhoudt. Beide gevallen doen zich hier voor. Naar het huidige inzicht van de voorzieningenrechter is de afdeling over de asielprocedure van overeenkomstige toepassing op de ambtshalve weigering een reguliere vergunning te verlenen. Overeenkomstige toepassing van de uitzonderingen van artikel 82, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 brengt mee, dat die uitzonderingen ook van toepassing zijn op het ambtshalve genomen besluitonderdeel over een reguliere vergunning. Verder is van belang, dat de rechtsplicht Nederland te verlaten bij de afwijzing van de asielaanvraag voor bepaalde tijd volgt uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Deze uit dat besluitonderdeel volgende rechtsgevolgen treden slechts niet in, indien een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is. Uit de ambtshalve niet-verlening van een reguliere vergunning kan evenwel geen andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf worden afgeleid. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in de eerdere uitspraken neergelegde uitleg moet worden verlaten en moet worden geoordeeld, dat het beroep tegen de ambtshalve niet-verlening van een reguliere vergunning geen schorsende werking heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Voorzieningenrechter

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummers: AWB 08/2510 en AWB 08/2513

Datum uitspraak: 12 februari 2008

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[verzoeker],

geboren op [datum] 1967,

v-nummer [nummer],

[verzoekster],

geboren op [datum] 1971,

v-nummer [nummer],

mede namens de minderjarige kinderen:

[kind]

geboren op [datum] 1993

v-nummer [nummer]

[kind]

geboren op [datum] 1994

v-nummer [nummer]

[kind]

geboren op [datum] 1997

v-nummer [nummer]

allen van Azerbeidzjaanse nationaliteit,

verzoekers,

gemachtigde mr.drs. L.J. Blijdorp,

tegen

de Staatssecretaris van Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluiten van 21 januari 2008 ( hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers van 15 januari 2008 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Verweerder heeft daarbij tevens ambtshalve besloten dat verzoekers niet in aanmerking komen voor een reguliere vergunning onder de beperking ‘verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken’. Deze besluiten zijn bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Ter Apel. Verzoekers hebben daartegen op 21 januari 2008 beroep ingesteld. Verzoekers is meegedeeld dat zij de behandeling van het beroep niet in Nederland mogen afwachten. Bij verzoekschrift van 21 januari 2008 hebben verzoekers verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 februari 2008. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Post.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit beroep is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verweerder heeft verzoekers meegedeeld, dat gedurende de behandeling van het beroep uitzetting niet achterwege wordt gelaten.

3. Op 4 oktober 2002 hebben verzoekers ieder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Bij besluiten van 7 oktober 2002 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. De beroepschriften van 7 oktober 2002 van verzoekers zijn bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 24 oktober 2002, ongegrond verklaard. Hiermee staan de besluiten van 7 oktober 2002 in rechte vast.

4. Op 16 augustus 2003 hebben verzoekers aanvragen gedaan voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluiten van 18 augustus 2003 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Die besluiten staan na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 juli 2007 in rechte vast. Onderhavige aanvraag is derhalve een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4: 6 van de Awb.

5. Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn herhaalde aanvraag een beslissing overgelegd van 14 augustus 2007 van het Openbaar Ministerie van de Republiek Azerbeidzjan, inhoudende een afwijzing van een verzoek om amnestie, alsmede de daarbij behorende, aan de advocaat gerichte, aanbiedingsbrief van eveneens 14 augustus 2007. Verzoeker stelt voorts dat hij zich negatief heeft geuit over de Azerbeidjaanse autoriteiten en op bijeenkomsten van oppositiepartijen namen van personen heeft genoemd waardoor deze personen problemen kregen. Deze personen zouden wraak op verzoeker willen nemen. Ter ondersteuning van haar herhaalde aanvraag heeft verzoekster verwezen naar het document van haar echtgenoot.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verzoeker overgelegde document en de afgelegde verklaringen niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Gelet hierop heeft hij verzoekers aanvraag met toepassing van het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid van de Awb, afgewezen.

7. Verzoekers hebben zich allereerst op het standpunt gesteld dat aan het beroep tegen de bestreden besluiten, voor zover dat ziet op de ambtshalve weigering een verblijfsvergunning regulier “buiten schuld” te verlenen, wel degelijk schorsende werking toekomt. Verzoekers wijzen daarbij op artikel 82, eerste lid en tweede lid, onder a en b, van de Vw 2000, alsmede op jurisprudentie van deze rechtbank. Verzoekers zijn voorts van mening dat zij als gevolg hiervan ten onrechte in hun vrijheid worden beperkt gelet op het feit dat zij het Aanmeldcentrum in Ter Apel niet mogen verlaten. Zij doen daarbij een beroep op het nieuwe bewaringsbeleid voor gezinnen met kinderen, zoals dat naar voren komt uit de brief van 29 januari 2008 van de Staatssecretaris en de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat schorsende werking ten aanzien van het gedeelte van het beroep dat op de buiten schuld situatie ziet, hier niet aan de orde is, omdat het hier gaat om een herhaalde aanvraag. Voorts stelt verweerder dat er geen sprake is van bewaring zoals bedoeld in het nieuwe beleid.

9. Ten aanzien van het standpunt van verzoekers dat het beroep voor zover dat ziet op de ambtshalve weigering een reguliere vergunning te verlenen, schorsende werking toekomt, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

10. De bestreden besluiten bevatten twee onderdelen: de beslissing waarbij de aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn afgewezen, en de daarbij ambtshalve genomen beslissing om verzoekers niet in aanmerking te brengen voor een reguliere vergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

11. In artikel 79, derde lid, van de Vw 2000 is bepaald dat de afdeling over beroep in asielzaken van overeenkomstige toepassing is indien in de voornemenprocedure de vreemdeling tevens in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven over het voornemen niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen. Dit geval heeft zich in deze zaak voorgedaan.

12. Artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000, bepaalt dat de werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of op het beroep is beslist. Ingevolge dit artikel heeft het beroep in asielzaken als hoofdregel schorsende werking.

13. Artikel 82, tweede lid, van de Vw 2000 bevat een viertal uitzonderingen op die hoofdregel, waarvan er voor deze zaak twee van belang zijn. Onder a is geregeld dat het beroep geen schorsende werking heeft indien het besluit inhoudt "de afwijzing van de aanvraag binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal uren" (waarmee wordt gedoeld op de afwijzing in de Aanmeldcentrum-procedure). Onder b is bepaald dat het beroep geen schorsende werking heeft indien het besluit de afwijzing van de herhaalde aanvraag inhoudt. Beide gevallen doen zich hier voor.

14. In de eerdere uitspraken van de voorzieningenrechter van deze zittingsplaats waar verzoekers een beroep op hebben gedaan, is uit de tekst van de onder a en b bedoelde uitzonderingen van artikel 82, tweede lid van de Vw 2000, afgeleid, dat die uitzonderingen geen betrekking hebben op het besluitonderdeel waarbij ambtshalve is beslist geen reguliere vergunning te verlenen, omdat dat besluitonderdeel niet de afwijzing van een aanvraag betreft. Genoemde uitzonderingen op de hoofdregel zijn daarom toen niet toepasselijk geacht ten aanzien van dit besluitonderdeel. Daarbij is tevens overwogen dat, omdat dat besluitonderdeel niet de afwijzing van een aanvraag betreft, de niet-verlening van een reguliere vergunning niet van rechtswege tot gevolg heeft dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bij gebreke waarvan hij kan worden uitgezet (geregeld in artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 voor de afwijzing van een reguliere aanvraag).

15. Deze uitleg van voornoemde bepalingen wordt niet gedeeld door andere zittingsplaatsen die vreemdelingenzaken behandelen.

16. Bovendien is bij die uitleg naar het huidig inzicht van de voorzieningenrechter van deze zittingsplaats onvoldoende meegewogen, dat de afdeling over de asielprocedure van overeenkomstige toepassing is op de ambtshalve weigering een reguliere vergunning te verlenen. Overeenkomstige toepassing van de uitzonderingen van artikel 82, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 brengt mee, dat die uitzonderingen ook van toepassing zijn op het ambtshalve genomen besluitonderdeel over een reguliere vergunning.

Verder is van belang, dat de rechtsplicht Nederland te verlaten bij de afwijzing van de asielaanvraag voor bepaalde tijd volgt uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Deze uit dat besluitonderdeel volgende rechtsgevolgen treden slechts niet in, indien een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf van toepassing is. Uit de ambtshalve niet-verlening van een reguliere vergunning kan evenwel geen andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf worden afgeleid.

17. Ten aanzien van de stelling van verzoekers dat de consequentie hiervan is dat - er is immers geen sprake van rechtmatig verblijf - zij verblijven in een opvanglocatie met vrijheidsbeperkende maatregelen, overweegt de voorzieningenrechter dat deze omstandigheden hier niet ter toetsing voorliggen.

18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in de eerdere uitspraken neergelegde uitleg moet worden verlaten en moet worden geoordeeld, dat het beroep tegen de ambtshalve niet-verlening van een reguliere vergunning geen schorsende werking heeft. Verweerders mededeling dat verzoekers de behandeling van het beroep niet in Nederland mogen afwachten was dus juist. Verzoekers hebben derhalve een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

19. Vervolgens ligt de vraag voor of uitzetting verboden moet worden omdat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.

20. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat het asielrelaas van verzoekster afhankelijk is van het asielrelaas van verzoeker. Verzoekster heeft derhalve geen zelfstandige asielgronden in deze procedure gebracht.

21. De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de aanvraag die heeft geleid tot de bestreden besluiten, een herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie moet de rechter in zo'n geval direct treden in de vraag of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

22. Teneinde te worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb dient een alsnog overgelegd document te kunnen worden aanvaard als objectieve bron die de feiten, gesteld in het asielrelaas, bevestigt, zodat het relaas in het licht daarvan opnieuw onder ogen moet worden gezien.

23. Uit het rapport van de Koninklijke Marechaussee District Noord-Oost Brigade Oostgrens-Noord (hierna: de Kmar) van 18 januari 2008, dat deel uitmaakt van de stukken, blijkt dat de authenticiteit van het document wegens het ontbreken van referentiemateriaal niet kan worden vastgesteld. De conclusies van de Kmar zijn mede tot stand gekomen na overleg met een medewerker van Bureau Documenten te Zwolle. Dit is een omstandigheid waarvan de gevolgen bij een aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, voor risico van verzoeker dienen te komen. Nu niet reeds in de bestuurlijke fase is komen vast te staan dat sprake is van een authentiek document, is het aan de vreemdeling dit in beroep eventueel alsnog aan te tonen. In dit verband wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2005 ( LJNAU 0346).

De voorzieningenrechter merkt hierbij nog op dat verzoeker zich (bijvoorbeeld) zou kunnen wenden tot de advocaat, die het verzoek om amnestie heeft ingediend.

24. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het document dan ook (vooralsnog) niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit in vorenbedoelde zin, omdat de authenticiteit niet kan worden vastgesteld en het document daarom niet kan worden aanvaard als objectieve bron die de door verzoeker in zijn relaas gestelde feiten bevestigt.

25. Over hetgeen door verzoeker is aangevoerd omtrent zijn negatieve uitlatingen, heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, in de uitspraak van 24 oktober 2002 reeds een oordeel gegeven, zodat deze stelling naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter evenmin als novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb kan worden beschouwd.

26. Omtrent de ambtshalve weigering van verweerder om verzoekers geen verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘vreemdelingen die buiten hun schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken’ te verlenen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

27. Ingevolge paragraaf C2/8.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dient de vreemdeling, om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde buiten schuld beleid, zich te wenden tot de vertegenwoordiging van zijn land van herkomst en eventuele landen van eerder verblijf. De vreemdeling komt in aanmerking voor verblijf als cumulatief aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

- de vreemdeling heeft zelfstandig geprobeerd zijn vertrek te realiseren. Hij heeft zich aantoonbaar gewend tot de vertegenwoordiging van het land of de landen waarvan hij de nationaliteit heeft, dan wel tot het land of de landen waar hij als staatloze vreemdeling eerder zijn gewone verblijfplaats had, en/of andere landen waarvan op basis van het geheel van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat de vreemdeling aldaar toegang zal worden verleend; en

- hij heeft zich gewend tot de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) voor facilitering van zijn vertrek en deze organisatie heeft aangegeven dat zij niet in staat is het vertrek van de vreemdeling te realiseren vanwege het feit dat de vreemdeling stelt niet te kunnen beschikken over reisdocumenten; en

- hij heeft, al dan niet door tussenkomst van de vreemdelingenpolitie, verzocht om bemiddeling van de IND bij het verkrijgen van de benodigde documenten van de autoriteiten van het land waar hij naar toe kan gaan, welke bemiddeling niet het gewenste resultaat heeft gehad; en

- er is sprake van een samenhangend geheel van feiten en omstandigheden op grond waarvan kan worden vastgesteld dat betrokkene buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten; het dient daarbij te gaan om objectieve, verifieerbare feiten en omstandigheden die zien op de persoon van betrokkene en die in de eerste plaats zijn onderbouwd met bescheiden; en

- hij verblijft zonder verblijfstitel in Nederland, en voldoet niet aan andere voorwaarden voor een verblijfsvergunning.

28. In het zogenoemde buiten-schuldbeleid is, onder meer, opgenomen dat het begrip ‘buiten schuld’ dient te worden, opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet aantonen dat de betrokken autoriteiten van het land van herkomst of het land alwaar de persoon verblijf heeft (gehad) geen toestemming zullen verlenen voor zijn terugkeer. Bij de pogingen om de vereiste medewerking van de betreffende autoriteiten te krijgen, alsmede om in het bezit te komen van de benodigde (vervangende reis-)documenten, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. Van de vreemdeling wordt verwacht dat hij zich wendt tot de autoriteiten van het land van herkomst en dat hij ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit de juiste gegevens verstrekt. Van de vreemdeling mag eveneens worden verwacht op andere wijze in het bezit te komen van documenten om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen waarmee hij vervangende reisdocumenten kan verkrijgen teneinde Nederland te kunnen verlaten, bijvoorbeeld door het aanschrijven van familieleden in het land van herkomst.

29. Hoewel uit het genoemde beleid niet expliciet blijkt hoeveel inspanning als voldoende aangemerkt kan worden heeft verweerder zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verzoekers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat verzoekers onvoldoende activiteiten hebben ondernomen om reisdocumenten te verkrijgen voor terugkeer naar hun land van herkomst. De verder niet onderbouwde verklaringen van verzoekers dat zij niet meer terug kunnen keren naar het land van herkomst is onvoldoende om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken Verzoekers hebben ook niet voldaan aan de overige genoemde cumulatie voorwaarden.

30. Uit het bovenstaande volgt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het beroep (vooralsnog) geen redelijke kans van slagen heeft. Derhalve dienen de verzoeken te worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. Overbeeke en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2008 in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen als griffier.

de griffier

de voorzieningenrechter?