Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4300

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-02-2008
Datum publicatie
14-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/33441
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pardonregeling / intrekking aanbod na acceptatie/ besluit de zin van art. 1:3 van de Awb

Verweerder heeft aan eisers laten weten dat zij voor een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de Vw (oud) in aanmerking komen. Eisers behoefden nog slechts aan één noodzakelijke voorwaarde te voldoen, namelijk dat alle lopende aanvragen en openstaande (beroeps)procedures werden ingetrokken. Daarnaast diende ook nog de als bijlagen bijgevoegde fotokaarten te worden ingevuld. Eisers hebben de fotokaarten en de verklaring waarbij zij de lopende procedures intrekken aan verweerder geretourneerd. Vervolgens heeft verweerder aan eisers laten weten dat het aanbod aan hen een ambtelijke misslag is en dat het aanbod wordt ingetrokken. Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt, waarop verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief waarbij het aanbod weer is ingetrokken naar de mening van verweerder niet op rechtgevolgen is gericht nu er geen verblijfsvergunningen zijn verleend en daarmee de verblijfsstatus van eisers onveranderd is gebleven. De rechtbank onderschrijft deze zienswijze niet. Volgens de rechtbank bevat de brief, waarbij verweerder aan eisers heeft laten weten dat zij voor een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling in aanmerking kwamen, het aanbod om ten voordele van eisers gebruik te maken van de verweerder toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid verblijfsvergunningen te verlenen. Daartoe dienden door eisers enkele formaliteiten te worden verricht. Eisers hebben dit aanbod zonder enig voorbehoud aanvaard. Door deze wilsovereenstemming is tussen partijen een rechtens relevant (publiekrechtelijk) akkoord tot stand gekomen. Uit dit akkoord vloeide voor verweerder de, zonodig in rechte afdwingbare, verplichting voort om met gebruikmaking van de hem toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid aan eisers een verblijfsvergunning te verlenen onder de voorwaarde dat eisers aan de gestelde formaliteiten zouden voldoen. De schriftelijke mededeling van verweerder dat het genoemde aanbod wordt ingetrokken kan dan ook niet anders worden aangemerkt dan als een weigering om de verplichting uit het tot stand gekomen akkoord na te komen en daarmee als een weigering om de in het vooruitzicht gestelde verblijfsvergunning aan eisers te verlenen. Die schriftelijke mededeling is zonder meer op rechtsgevolg gericht. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de intrekkingsbrief moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar van eisers tegen dit besluit is door verweerder dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Beroep gegrond, verweerder zal alsnog een inhoudelijk besluit op het bezwaar van eisers dienen te nemen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2008/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 07/33441

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2008

inzake

[Eisers],

geboren op respectievelijk [geboortedatum] 1970 en [geboortedatum] 1973,

mede ten behoeve van hun drie minderjarige kinderen,

van Afghaanse nationaliteit,

verblijvende te 's-Gravenhage,

eisers,

gemachtigde mr. R.I.R. Denz,

tegen

de staatssecretaris van Justitie,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. M.M.E. Disselkamp.

Procesverloop

Bij schrijven van 10 augustus 2007 heeft de gemachtigde van eisers bij verweerder bezwaar gemaakt tegen de inhoud van verweerders brief van 8 augustus 2007.

Tevens heeft eiser op die datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er (thans) toe strekt dat uitzetting van eiser achterwege wordt gelaten totdat uitspraak zal zijn gedaan op het beroep. Het verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 07/31816.

Bij besluit van 21 augustus 2007 heeft verweerder het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 24 januari 2008, waar eisers zijn verschenen in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Voor de beoordeling van het onderhavige geschil gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij brief van 10 juli 2007 aan de gemachtigde van eisers, heeft verweerder, in het kader van de Regeling ter afwikkeling van de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet, zoals bedoeld in WBV 2007/11, laten weten dat eisers voldoen aan voorwaarden van deze regeling en in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor de duur van in eerste instantie één jaar. Eisers behoefden nog slechts aan één noodzakelijke voorwaarde te voldoen, namelijk dat alle lopende aanvragen en openstaande (beroeps)procedures werden ingetrokken. Om de verblijfsvergunningen te verkrijgen dienden eisers alleen nog de als bijlagen bijgevoegde fotokaarten en de ‘verklaring intrekking lopende procedures’ in te vullen, te ondertekenen en binnen vier weken retour te zenden.

Op 16 juli 2007 hebben eiser de ‘intrekkingsverklaringen’ ondertekend retour gezonden, echter zonder vermelding van de betreffende zaaknummers.

Bij brief van 20 juli 2007 aan de gemachtigde van eisers, heeft verweerder laten weten dat heden opdracht is gegeven om een verblijfsdocument voor eisers aan te maken.

Op 2 augustus 2007 hebben eisers nogmaals de ‘intrekkingsverklaringen’ ondertekend aan verweerder toegezonden, thans met vermelding van de zaaknummers van nog lopende procedures.

Bij faxbericht van 8 augustus 2007 heeft de gemachtigde van eisers bij de rechtbank ‘s Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle-Lelystad, de nog lopende procedure ingetrokken.

Op 9 augustus 2007 heeft de rechtbank de intrekking bevestigd.

Bij brief van 8 augustus 2007 aan de gemachtigde van eisers, heeft verweerder laten weten dat het aanbod om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet’ ten onrechte is gedaan, omdat eisers bij nader inzien niet voldoen aan de voorwaarden van het beleid, zoals vermeld in het WBV 2007/11. Er zou sprake zijn van een ambtelijke misslag.

2. Aan de orde is de vraag of de brief van verweerder van 8 augustus 2007 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 8 augustus 2007 niet is gericht op rechtgevolgen nu er geen verblijfsvergunningen zijn verleend en daarmee de verblijfsstatus van eisers onveranderd is gebleven.

4. De rechtbank onderschrijft deze zienswijze niet. De brief van verweerder van 10 juli 2007 bevat een aanbod om ten voordele van eisers gebruik te maken van de verweerder toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid verblijfsvergunningen te verlenen. Daartoe dienden door eisers enkele formaliteiten te worden verricht. Eisers hebben dit aanbod zonder enig voorbehoud aanvaard. Door deze wilsovereenstemming is tussen partijen een rechtens relevant (publiekrechtelijk) akkoord tot stand gekomen. Uit dit akkoord vloeide voor verweerder, de zonodig in rechte afdwingbare, verplichting voort om met gebruikmaking van de hem toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid aan eisers een verblijfsvergunning te verlenen onder de voorwaarde dat eisers aan de gestelde formaliteiten zouden voldoen. De schriftelijke mededeling van verweerder dat het genoemde aanbod wordt ingetrokken kan dan ook niet anders worden aangemerkt dan als een weigering om de verplichting uit het tot stand gekomen akkoord na te komen en daarmee als een weigering om de in het vooruitzicht gestelde verblijfsvergunning aan eisers te verlenen. Die schriftelijke mededeling is zonder meer op rechtgevolg gericht.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerders brief van 8 augustus 2007 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar van eisers tegen dit besluit is door verweerder dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het thans bestreden besluit van 21 augustus 2007 komt om die reden voor vernietiging in aanmerking wegens onjuiste toepassing van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep van eisers is gegrond. Verweerder zal alsnog een inhoudelijk besluit op het bezwaar van eisers dienen te nemen.

6. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 322,00

• wegingsfactor 1.

7. Tevens zal de rechtbank bepalen dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 143,00 dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden namens verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht dient te vergoeden ten bedrage van € 143,00;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten vastgesteld op € 644,00;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die de proceskosten dient te vergoeden.

Aldus gedaan door mr. A.B.M. Hent als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.M. de Kruif als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2008.