Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC4109

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
12-02-2008
Zaaknummer
09/997236-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(zie ook BC3975 - medeverdachte X) Panden in eigendom overgedragen via ABC-constructie. Verdachte heeft zich verschillende malen schuldig gemaakt aan medeplegen van oplichting en valsheid in geschrift. Door gebruik te maken van valse overeenkomsten en een vals taxatierapport heeft hij twee banken bewust misleid om hen te bewegen tot het verstrekken van hypothecaire geldleningen. Deze overeenkomsten en het taxatierapport gaven op cruciale onderdelen een verkeerd beeld van de werkelijkheid, waardoor op oneigenlijke gronden geldleningen zijn verstrekt tot relatief grote bedragen. Verdachte heeft bij voornoemde handelingen louter zijn eigen financiële belangen nagejaagd; hij heeft met zijn handelingen zichzelf en een aantal rechtspersonen waarvan hij zelf of zijn echtgenote middellijk of onmiddellijk eigenaar is, in aanzienlijke mate verrijkt en daarmee tegelijkertijd - naast de banken- diverse 'zakenrelaties' benadeeld. De rechtbank heeft bij de bepaling van de lengte van de straf de in het algemeen voor soortgelijke feiten opgelegde straffen in aanmerking genomen; dit leidt ertoe dat, gelet de aard en omvang van de bewezenverklaarde feiten, aan verdachte een langere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie geëist. Aangezien niet is gebleken dat particulieren door het handelen van verdachte en zijn medeverdachte zijn benadeeld, is er geen aanleiding voor eventuele strafverzwaring op die grond. De rechtbank acht verder van belang dat de banken zonder meer onoplettend hebben gehandeld bij de toekenning van de gevraagde kredieten. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de feiten al geruime tijd geleden zijn gepleegd. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de dagvaarding lang op zich heeft laten wachten. De rechtbank trekt hiervoor een maand van de gevangenisstraf af. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding onderscheid te maken tussen verdachte en medeverdachte X in de strafmaat. De gevolgen die de feiten voor verdachte zelf en zijn gezinsleden hebben gehad, laat de rechtbank niet meewegen, nu verdachte deze gevolgen zelf over zich en zijn gezin heeft afgeroepen. Voorts is nog een beroep gedaan op de slechte lichamelijke conditie van verdachte. Het zou voor de hand hebben gelegen deze met medische stukken te onderbouwen, gezien de gestelde ernst. Nu dit niet is gebeurd, ziet de rechtbank in de fysieke toestand van verdachte onvoldoende aanleiding om hiermee bij de strafoplegging rekening te houden. Straf gegrond op artikelen 47, 57, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(PROMISVONNIS)

parketnummer 09/997236-04

's-Gravenhage, 5 februari 2008

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,

adres: [adres]

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 november 2007 en 23 januari 2008.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden mr J.S. Spijkerman en mr J.T.C. Leliveld, beide advocaat te 's Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. Zij hebben nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 3 bepleit en overigens voor alle feiten vrijspraak.

De officier van justitie mr J.J.M. van Dis-Setz heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1., 2. en 3. telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De telastlegging.

De telastlegging is ter terechtzitting gewijzigd. De gewijzigde telastlegging is met het oog op de leesbaarheid van dit vonnis aan het eind van deze uitspraak opgenomen.

De formele voorvragen.

De verdediging heeft gesteld dat het onder 3 telastgelegde onbegrijpelijk is.

Onder 3 is - zakelijk weergegeven - telastgelegd dat [B1] Handel en Exploitatie B.V. en/of [B2] C.V. en/of Stichting [ST1] - al dan niet in vereniging met anderen - ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers van die rechtspersonen lasten hadden verdicht door gebruikmaking van twee vervalste koopovereenkomsten en één vervalste huurovereenkomst en daarmee het hebben doen voorkomen alsof zij schuldenaar waren van niet-bestaande schulden.

De rechtbank overweegt dat de telastelegging niet duidelijk is; in het bijzonder is onvoldoende feitelijk omschreven welke lasten verdicht zouden zijn. Indien dit betrekking heeft op de lasten die voortvloeiden uit voornoemde overeenkomsten dan is de telastlegging niet begrijpelijk, omdat niet valt in te zien dat rechten van schuldeisers door verplichtingen uit deze overeenkomsten zouden zijn verkort. Tegenover de betreffende leverings- c.q. huurverplichtingen van de bedoelde rechtspersonen stonden betalingsverplichtingen van hun wederpartijen.

Indien het verdichten van lasten betrekking zou hebben op het aangaan van de hypothecaire schulden door de vennootschappen, dan is de telastlegging evenzeer onbegrijpelijk, omdat deze hypothecaire schulden bestaande en afdwingbare schulden zijn, en geen "niet bestaande schuld(en)" zoals in de dagvaarding is omschreven.

Op grond van het voorgaande verklaart de rechtbank de telastlegging ten aanzien van dit feit nietig.

Voor het overige heeft de rechtbank vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en zijzelf bevoegd tot kennisneming van de telastgelegde feiten.

Tussen de inverzekeringstelling van verdachte eind mei 2005 en de dagvaarding van verdachte in september 2007 is een periode van meer dan twee jaar gelegen. Gelet op de aard en omvang van het onderzoek ziet de rechtbank hierin geen reden voor niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, waarop overigens ook geen beroep is gedaan. De rechtbank zal met deze lange termijn bij de vaststelling van de strafmaat rekening houden.

De officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

Bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen.

Waar in dit vonnis wordt gesproken over een proces-verbaal wordt daarmee bedoeld een proces-verbaal opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde (opsporings)ambtenaren. Waar in dit vonnis een document wordt aangehaald, wordt daarmee bedoeld een ander geschrift in de zin van art. 344 lid 1 sub 5 Wetboek van Strafvordering, tenzij anders vermeld. De rechtbank heeft deze alleen in aanmerking genomen met andere bewijsmiddelen.

Verdachte is bij dagvaarding onder 1. en 2. telastgelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - medeplegen van oplichting en valsheid in geschrift. Verdachte en/of zijn mededader(s) zouden bij de aanvraag van hypothecaire geldleningen diverse koopovereenkomsten, huurovereenkomsten en taxatierapporten hebben overgelegd, waarvan hij wist/zij wisten dat de inhoud niet met de werkelijkheid overeenstemde. Zij zouden daarmee [bank 1] en [bank 2] een verkeerd beeld hebben voorgespiegeld met betrekking tot de waarde van beide panden en de toestand waarin deze verkeerden en aldus beide banken op oneigenlijke gronden hebben bewogen tot afgifte van miljoenen euro's. Daarnaast is verdachte telastgelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het tezamen en in vereniging met een ander of anderen voorhanden hebben en gebruik maken van de bedoelde vervalste overeenkomsten en geschriften.

De rechtbank stelt vast dat verdachte in de periode van 1 juni 2001 tot en met 1 juli 2002 betrokken is geweest bij de aankoop van twee bedrijfspanden, één aan de [adres 1] en één aan de [adres 2]. Beide panden zijn gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening bij respectievelijk de [bank 1] (hierna [bank 1]) te Rotterdam(1) en de [bank 2] (hierna: [bank 2]) te ‘s-Gravenhage(2).

Verdachte erkent gedeeltelijk zijn betrokkenheid bij voormelde transacties, maar ontkent dat hij zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem is telastgelegd.

De rechtbank gaat hierna eerst in op de gang van zaken ten aanzien van het onder 1 telastgelegde voorzover dat betrekking heeft op de transactie met het pand aan de [adres 1]. Vervolgens wordt datzelfde feit behandeld met betrekking tot het pand aan de [adres 2]. Daarna wordt voor beide panden ingegaan op de bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 telastgelegde.

[adres 1]

Bij de beoordeling van de telastlegging gaat de rechtbank van de volgende feiten uit.

Het pand aan de [adres 1] is door middel van een zogenaamde ABC-constructie op 21 september 2001 in tien minuten tijd drie keer van eigenaar verwisseld door levering bij notariële akte, telkens bij dezelfde notaris.(3) Aan deze leveringen lagen de volgende koopovereenkomsten ten grondslag.

[B1] Handel & Exploitatie B.V. (hierna [B1]), vertegenwoordigd door [D], heeft het pand op 13 juli 2001 voor zich of nader te noemen meester aangekocht van (mr. [E] als bewindvoerder van) [F] -een vriendschappelijke relatie van [verdachte]- voor NLG 2.000.000,-.(4) Het pand was toen al sinds 1997 gekraakt.(5) Nadien is [B6] Beheer B.V. (hierna [B6]) als bedoelde meester genoemd. [B6] heeft het pand op 5 september 2001 verkocht aan [B7] B.V. (vertegenwoordigd door [C]) voor een bedrag van NLG 3.750.000,-- en deze heeft het op haar beurt op 5 september 2001 weer doorverkocht aan [B1] voor NLG 3.850.000,--(6).

Bij de beide leveringen op 21 september 2001 waarbij [B6] als partij was betrokken, werd zij door [medeverdachte X] vertegenwoordigd. Ter financiering van de laatste aankoop -door [B1]- is [B1], vertegenwoordigd door [medeverdachte X], op 17 september 2001 een hypothecaire lening aangegaan met [bank 1] ter grootte van € 1.725.000,--. De akte van hypotheekverlening d.d. 21 september 2001 is eveneens door verdachte [medeverdachte X] ondertekend.(7) Op 18 september 2001 heeft [medeverdachte X] als vertegenwoordiger van de Stichting Administratiekantoor [ST2] Beheer de aandelen van [B1] in handen gekregen.(8)

Op 21 september 2001 was het pand [adres 1] nog steeds gekraakt.(9)

De financieringsaanvraag van [B1] voor de aankoop van het pand aan de [adres 1] is door [medeverdachte X] namens [B1], in eerste instantie door tussenkomst van [bank 1] Securities in de persoon van [G], ingediend bij [bank 1] in juni 2001.(10) Uiteindelijk zijn ten behoeve van de financieringsaanvraag onder meer de volgende documenten overgelegd:

1. een koopovereenkomst tussen [B1] en [B8](11).

2. een huurovereenkomst tussen [B1] en [B5]/[B4].(12)

3. een taxatierapport betreffende het pand, opgesteld door de heer [H] van [B9].(13)

Volgens de telastlegging zouden deze stukken vervalst zijn en gebruikt om [bank 1] op te lichten. Ten aanzien van deze stukken overweegt de rechtbank in het licht van het telastgelegde het volgende.

De koopovereenkomst tussen [B1] en [B8].

Met betrekking tot de koopovereenkomst tussen [B1] en [B8] is gebleken dat daarvan verschillende versies bestaan. De aan [bank 1] overgelegde versie is niet gedateerd, maar blijkens de kop gefaxt op 6 september 2001, en is getekend door [J] en [K] namens respectievelijk [B1] en [B8].(14) In deze koopovereenkomst is opgenomen dat [B8] het pand aan de [adres 1] heeft gekocht voor NLG 4.888.000,--, dat het pand in verhuurde toestand zal worden geleverd met een jaarhuur van NLG 432.500,-- en dat het pand gerenoveerd zal worden.

[K] heeft verklaard dat [verdachte] in 2001 bij hem en [medeverdachte Z] kwam met de [adres 1]. Het ging om een bedrijfspand dat helemaal gestript zou worden met bouwtekeningen erbij. Ook zou er een etage bovenop komen. De combinatie [medeverdachte X] en [verdachte] zou het pand kopen en na verbouwing aan [K] leveren. Hij zou het pand kopen voor tien maal de jaarhuur en [medeverdachte X] en [verdachte] zouden ervoor zorgen dat het pand verhuurd werd. [K] heeft voorts verklaard dat [verdachte] optrad als intermediair voor [medeverdachte X] en dat [verdachte] op verzoek van [K] de afspraken in een akte heeft opgenomen. In deze akte heeft [K] specifiek laten opnemen dat de A1-huurder voor tien jaar zou huren en dat het pand verbouwd zou worden opgeleverd. [K] heeft de akte als potentieel koper getekend. Wie namens de verkoper heeft getekend weet hij niet.(15)

Over de hiervoor genoemde aan [bank 1] overgelegde versie van de koopovereenkomst heeft [K] verklaard dat hij deze niet heeft ondertekend, en ook niet een andere, op het woonadres van [medeverdachte X] aangetroffen versie. Deze versies zijn volgens [K] vervalst. De daarin voorkomende namen [J] respectievelijk [D] komen [K] niet bekend voor, aldus zijn verklaring.(16) Daarnaast heeft [K] verklaard dat hij op het kantoor van [medeverdachte Z] twee lege vellen papier heeft getekend ten behoeve van eventueel door [medeverdachte Z] namens [K] te versturen correspondentie. Deze twee ondertekende vellen papier zijn in het woonhuis van [medeverdachte X] in [land] aangetroffen.(17)

In het betreffende contract wordt [B1] als verkoper genoemd, vertegenwoordigd door [D]. Deze heeft daarover verklaard dat zijn geboortejaar niet klopt en dat hij deze akte niet kent.

[J], vanaf 1 augustus 2001 directeur van [B1], geeft desgevraagd aan dat de versie van 6 september 2001 van de koopovereenkomst niet door hem is ondertekend en dat hij nooit heeft onderhandeld met [B8].(18)

[medeverdachte Z] heeft verklaard dat [verdachte] de onderhandelingen voerde met [K] en dat de lay-out van de overeenkomst op de standaard lay-out van [verdachte] lijkt.(19)

Op grond van deze bewijsmiddelen gaat de rechtbank er vanuit dat de bedoelde koopovereenkomst is vervalst. De valsheid bestaat eruit dat in deze overeenkomst de schijn wordt gewekt dat [K] en [J] deze hebben ondertekend en dat het pand onvoorwaardelijk aan [B8] was verkocht, namelijk zonder de door [K] gestelde voorwaarden dat een A1-huurder het pand voor tien jaar zou huren en dat het pand verbouwd zou worden opgeleverd. Er is geen rechtstreeks bewijs ten aanzien van de vraag wie de overeenkomst heeft of hebben vervalst.

[verdachte] heeft ter zake verklaard:

"[medeverdachte X] wilde de [adres 1] kopen. Ik was bezig het pand te verkopen, voor mijn vriend [F]. [medeverdachte X] zei dat [B5] het pand wilde gaan gebruiken en huren. We zouden het pand kopen en ontruimen en vervolgens weer doorverkopen als belegging met winst waar ik in zou delen. Dat is niet gebeurd. Ik heb een ontruimingsarrangement voor [medeverdachte X] geregeld bij een bevriende advocaat en bij relaties heb ik opknapwerkzaamheden aan het pand geregeld. Ik heb [medeverdachte X] er regelmatig aan herinnerd om eens te gaan beginnen met het ontruimen en opknappen van het pand. [medeverdachte X] zou het gaan doen, maar hij had het zo druk. Mijn rol bij de transacties met het pand [adres 1] was zorgen dat [medeverdachte X] het pand geleverd kreeg. Verder heb ik geen enkele rol gespeeld in de transacties met betrekking tot het pand aan de [adres 1]. Ik heb gezorgd voor offertes voor het ontruimen en het opknappen van het pand en verder houdt het op." (20)

Later in dezelfde verklaring zegt [verdachte] echter dat hij, voordat hij [medeverdachte X] sprak, al met [K] 'bezig was'. Door de smeekbeden van [medeverdachte X] heeft [verdachte] besloten met [K] in zee te gaan, aldus [verdachte]. [K] was een vriendschappelijke relatie van hem. [verdachte] heeft [medeverdachte X] en [B8] met elkaar in contact gebracht, maar voor de rest heeft hij inhoudelijk niets voor de heren gedaan. Het koopcontract is zijn lay-out, aldus [verdachte]. Hij heeft wel eens een blanco koopovereenkomst naar [medeverdachte X] gemaild. De koopovereenkomst tussen [B1] en [B8] heeft niet geleid tot een levering, omdat [medeverdachte X] nooit geleverd heeft in de toestand zoals dat was afgesproken. [medeverdachte X] was aan zet, maar deed niets, zo verklaart [verdachte].(21)

Niet meer kan worden vastgesteld hoe het onderhavige valse contract uiteindelijk bij [bank 1] is terechtgekomen. [medeverdachte X] heeft verklaard dat [verdachte] de betreffende koopovereenkomst fysiek heeft afgeleverd bij de bank. Hiervoor kan echter geen bevestiging worden gevonden in andere bewijsmiddelen. Blijkens een faxvoorblad heeft verdachte [medeverdachte X] op 11 september 2001 kennelijk een ongetekende versie van deze overeenkomst naar [bank 1] gezonden(22). [medeverdachte X] heeft daarin vermeld dat hij de getekende versie zo snel mogelijk aan [bank 1] zal toezenden.(23) Nu [medeverdachte X] uiteindelijk geacht moet worden het krediet voor zijn eigen BV, [B1], te hebben aangevraagd, geldt dat hij verantwoordelijk is voor de juistheid van de daartoe ingediende stukken. Zijn verweer dat [verdachte] de valse overeenkomst heeft ingediend bij de bank en dat hij zelf niet op de hoogte was van die valsheid, moet worden verworpen. Niet valt in te zien welk zelfstandig belang [verdachte] zou hebben bij het vals opmaken van deze overeenkomst.

Uit de eerder aangehaalde verklaringen van [K] en [medeverdachte Z] en ook uit de zojuist weergegeven verklaring van [verdachte] zelf, blijkt dat hij aanzienlijk meer bemoeienis heeft gehad met het pand [adres 1] en de uiteindelijke doorverkoop daarvan aan [B8] dan hij wil doen voorkomen. Dit blijkt ook uit de door de raadsman van [medeverdachte X] bij gelegenheid van het getuigenverhoor van [L] overgelegde brief van [verdachte] aan [medeverdachte X], gedateerd 13 juni 2001, waarin [verdachte] [medeverdachte X] bovendien meedeelt dat hij de door [medeverdachte X] gevraagde model-koopovereenkomst tussen [B10] Holding BV en [B1] separaat als bijlage aan [medeverdachte X] toestuurt. [verdachte] geeft in deze brief bovendien een omschrijving van het pand, waarin ook met geen woord wordt gerept over de op dat moment bestaande toestand van het pand voor wat betreft het onderhoud en het gekraakt-zijn.(24) Deze informatie is vrijwel letterlijk overgenomen in de aanvraag financiering.(25)

Voorts is uit het onderzoek naar de geldstromen gebleken dat [B1] Holding NV NLG 410.206,- (€ 186.146,12) heeft ontvangen van de notaris, terwijl [B6] Beheer BV voorts op 26 september 2001 nog eens NLG 100.000,- naar [B1] Holding heeft overgemaakt. [verdachte] heeft hier, in het licht van het feit dat de doorverkoop aan [B8] geen doorgang heeft gevonden, geen aannemelijke verklaring voor gegeven. "Waar ik het geld voor heb ontvangen, dat weet ik niet eens meer precies", aldus [verdachte].

Gelet op:

- de vaststaande valsheid van het onderhavige contract;

- het feit dat [verdachte] geen verklaring heeft gegeven waarom hij [medeverdachte X] een blanco koopovereenkomst zou hebben gemaild;

- het feit dat [verdachte] niets verklaart over de ondertekening van een door hem opgesteld contract door [K] en wat er met dat contract is gebeurd;

- de gelijkenis van de lay-out van dat contract met het valse contract, op grond waarvan aannemelijk is dat [verdachte] het originele contract elektronisch aan [medeverdachte X] ter beschikking heeft gesteld, zonder dat daarvoor enig redelijk doel is aangevoerd of gebleken;

- de tussentijdse overgang van de aandelen [B1] van [B1] Holding naar [ST2] van [medeverdachte X], die zowel [medeverdachte X] als [verdachte] de gelegenheid geeft de verantwoordelijkheid bij de ander te leggen;

- het feit dat [verdachte] zich kennelijk geheel met [B1] Holding identificeert en daarvoor kennelijk feitelijk ook nog steeds optreedt, hoewel hij formeel geen zeggenschap heeft in deze NV;

- hetgeen hierna nog zal worden overwogen m.b.t. de opzet op het vervalsen van het taxatierapport van zowel [medeverdachte X] als [verdachte];

- het feit dat zowel [medeverdachte X] (via betalingen aan [B6]) als [verdachte] (door betalingen aan [B1] Holding) zonder aannemelijke verklaring heeft geprofiteerd van het verkregen krediet,

- de uit het voorgaande blijkende nauwe relatie en samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte X], zoals die blijkens de hiervoor aangehaalde verklaringen ook door anderen is ervaren;

- het feit dat [verdachte] zijn rol in het geheel en zijn contact met [medeverdachte X] blijkens de andere bewijsmiddelen bagatelliseert;

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte X] en [verdachte] gezamenlijk hebben geopereerd en gezamenlijk opzet hadden op het totstandbrengen van de onderhavige valse overeenkomst.

In het onderdeel van de telastlegging dat ziet op het weten van [medeverdachte X] en [verdachte] dat het pand niet aan [B8] zou worden verkocht, merkt de rechtbank het woord 'verkocht' aan als een kennelijke schrijffout. Het moet ook verdachte en zijn raadslieden duidelijk zijn dat hier 'geleverd' is bedoeld. Zoals blijkt uit de hiervoor weergegeven verklaring van [K], heeft [B8] met [verdachte] overeenstemming bereikt over de koop van het pand, zij het op andere voorwaarden dan die vermeld waren in de aan [bank 1] overhandigde versie van de koopovereenkomst. Verdachten wisten dat die voorwaarden niet zouden worden vervuld en het pand dus uiteindelijk ook niet geleverd zou worden.

De huurovereenkomst tussen [B1] en [B5].

Aan [bank 1] is voorts een huurovereenkomst tussen [B1] en [B5] N.V. en/of [B4] N.V. ( "[B5]") overgelegd van 15 september 2001, waarin is opgenomen dat [B5] het pand aan de [adres 1] zou huren voor een bedrag van NLG 402.500,-- per jaar, exclusief NLG 30.000,-- voor 50 parkeerplaatsen.(26) [B], gedelegeerd bestuurder van [B5], heeft over deze overeenkomst verklaard dat [B5] zich nooit in Nederland heeft willen vestigen en dat de overeenkomst hem volledig onbekend is. Ook de handtekening op de overeenkomst is volgens [B] niet zijn handtekening.(27)

Bij zijn verhoor in het kader van de afwikkeling van het faillissement van [B6] heeft [J] verklaard dat hij van [C] had gehoord dat [medeverdachte X] gesprekken voerde met [B] over eventuele uitbreiding van [B5] naar Nederland. De productie zou echter in België blijven draaien en in Nederland zou er hoogstens behoefte zijn aan een verkoopkantoor met twee medewerkers.(28) Over het contract met [B5] d.d. 15 september 2001 heeft [J] verklaard dat het niet zijn handtekening is en dat de handtekening van [B] vervalst is. [B] was zeker niet in de [adres 1] geïnteresseerd en kon daar ook niet intrekken, omdat het was gekraakt, aldus [J].29 Op 2 augustus 2001 heeft [J] van [medeverdachte X] een e-mail ontvangen waarbij [medeverdachte X] [J] verzoekt een huurcontract te ondertekenen en naar [verdachte] te faxen. [J] heeft verklaard dat hij dit huurcontract niet heeft ondertekend en ook niet naar [verdachte] heeft verstuurd.(30)

Op grond van deze bewijsmiddelen gaat de rechtbank er vanuit dat de bedoelde huurovereenkomst is vervalst. Niet kan worden vastgesteld door wie dit is gebeurd. Gelet op de zojuist genoemde verklaringen van [B] en [J] moet het er echter voor gehouden worden dat [medeverdachte X] in ieder geval moest weten dat [B5] het pand aan de [adres 1] helemaal niet wilde huren en dat de overeenkomst dus vals was.

[medeverdachte X] heeft verklaard dat [bank 1] hem op een gegeven moment heeft verzocht het huurcontract tussen [B1] en [B5] te overhandigen en dat [J] de overeenkomst in zijn aanwezigheid aan [L] van [bank 1] heeft overhandigd bij de ondertekening van de financieringsofferte. (31)

Voorzover verdachte daarmee zijn verantwoordelijkheid voor de indiening van deze valse huurovereenkomst en daarmee de opzet op de valsheid wil ontkennen, faalt deze verklaring als verweer. Voor deze verklaring van [medeverdachte X] wordt geen steun gevonden in de verklaring van [L], terwijl deze lezing van [medeverdachte X] op grond van de eerder aangehaalde verklaring van [J] erg onaannemelijk is. Zelfs als de verklaring van [medeverdachte X] juist zou zijn, zou dit hem niet ontslaan van zijn verantwoordelijkheid terzake; [medeverdachte X] zou dan toch, als degene die de financiering heeft aangevraagd, als eigenaar van de BV waarvoor de financiering is aangevraagd en als degene die tijdens dezelfde bijeenkomst op 17 september 2001 de financieringsovereenkomst ondertekent, geacht worden samen met [J] opzettelijk de valse huurovereenkomst te hebben ingediend bij [bank 1]. Het valt ook niet in te zien welk zelfstandig belang [J] zou hebben bij het opmaken en indienen van deze valse overeenkomst.

Betrokkenheid van [verdachte] bij het opmaken of het gebruik van dit valse document kan niet worden vastgesteld, zodat hij van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.

Het taxatierapport aangaande de [adres 1].

Ten aanzien van het volgens de telastlegging derde aan [bank 1] overgelegde document is uit het onderzoek gebleken dat daar verschillende versies van bestaan, te weten:

1. een originele, door [H] getekende papieren versie van juni 2001; deze is tekstueel gelijk aan de elektronische versie die per e-mail door [H] aan [verdachte] is toegezonden(32);

2. een elektronische versie die tekstueel gelijk is aan de papieren, schijnbaar door [H] getekende en geparafeerde versie d.d. 8 juni 2001 die [bank 1] heeft ontvangen, maar waarin in tegenstelling tot in de onder 1 vermelde versie niet is vermeld dat het ge taxeerde pand gekraakt is en waarin de onderhoudstoestand als ‘matig’ is aangemerkt in plaats van 'zeer slecht' (33);

3. een blanco versie, dat wil zeggen een versie waarin alleen een standaardtekst is opgenomen(34).

Taxateur [H] van [B9] B.V. heeft verklaard dat hij het pand aan de [adres 1], in opdracht van [verdachte] heeft getaxeerd, uitgaande van een situatie in gerenoveerde staat waarbij verhuurd is tegen marktconforme waarde, resulterend in het rapport versie 1. Over de versie genoemd onder 2 constateert [H] dat dat rapport op een aantal punten verschilt van het rapport dat hij heeft opgemaakt. De handtekening en de parafen zijn volgens [H] niet van hem en het rapport vermeldt niet dat het getaxeerde pand gekraakt is. Ook is daarin de onderhoudstoestand als ‘matig’ aangemerkt in plaats van ‘zeer slecht’ zoals in het originele rapport staat vermeld.(35)

Op grond van de verklaringen van [H], het door hem voor het onderzoek terbeschikkinggestelde rapport, de andere versies daarvan en het feit dat het pand op 21 september 2001 nog steeds was gekraakt, staat vast dat het aan [bank 1] verstrekte taxatierapport is vervalst.

Op de computer van [verdachte] zijn alle drie de genoemde versies van het taxatierapport aangetroffen. Uit de 'eigenschappen' van de drie documenten blijkt dat [verdachte] van elk van die documenten als auteur is vermeld.(36)

In het woonhuis van [medeverdachte X] zijn versies 1 en 2 van het taxatierapport aangetroffen en in beslag genomen.(37)

[bank 1] heeft op 6 september 2001 per fax het taxatierapport genoemd onder 2 ontvangen.(38) Uit het opsporingsonderzoek is gebleken dat de betreffende fax vanaf het bedrijf [B11] Corporate Finance, gevestigd in België, is verstuurd.(39) [medeverdachte X] heeft verklaard dat [B11] adviseur was van [B] in het kader van de eerdergenoemde overname van [B5].(40) [M] van [B11] heeft verklaard dat [medeverdachte X] in de periode voor 20 september 2001 regelmatig op het adres van [B11] verbleef in het kader van de beoogde overname van [B5].(41)

Op grond van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte X] tezamen en in vereniging opzettelijk het originele taxatierapport van [H] hebben vervalst en aan de [bank 1] hebben doen toekomen.

[verdachte] heeft opdracht gegeven tot de taxatie in gerenoveerde en verhuurde staat en heeft het van [H] ontvangen rapport op de computer tweemaal bewerkt, de eerste maal naar zijn eigen zeggen om het logo van [B9] toe te voegen, zulks met toestemming van [H]. De verklaring van [verdachte] dat hij vervolgens naar aanleiding van een telefoontje van [medeverdachte X] op diens verzoek nog slechts een marge heeft verschoven(42) acht de rechtbank niet aannemelijk. Er is geen enkele goede reden om eigenmachtig wijzigingen aan te brengen, ook niet in de opmaak of met toestemming, in een door een derde opgesteld taxatierapport, dat naar zijn aard bedoeld is om te strekken tot bewijs van de daarin gestelde waarde en in dit geval moest dienen en uiteindelijk ook heeft gediend om bij een bank een zeer grote lening los te krijgen. Dergelijke wijzigingen leveren ook niet-ondertekende, en dus niet-bruikbare versies op. Bovendien zijn alle drie de versies op de computer van [verdachte] aangetroffen. Hij wist ook al uit eigen wetenschap dat het pand was gekraakt en heeft klaarblijkelijk een versie van het rapport aan [medeverdachte X] verzonden waarin dit niet meer was vermeld, wetende dat dit rapport bestemd was voor financiering. Ook al zou hij dit rapport van [medeverdachte X] hebben ontvangen, zoals hij heeft verklaard, dan heeft hij zich door het ook weer naar [medeverdachte X] terug te sturen aan de vervalsing gecommitteerd. Dat hij niet zou hebben gemerkt dat het rapport op essentiële punten was veranderd, acht de rechtbank niet aannemelijk.

[medeverdachte X] heeft over het aan [bank 1] verstrekte taxatierapport verklaard dat dit in opdracht van [verdachte] is opgemaakt en dat hij het per fax van [verdachte] heeft ontvangen. Vervolgens heeft [medeverdachte X] naar eigen zeggen het rapport verwerkt in de informatie voor [bank 1], die persoonlijk door [verdachte] en [K] aan [bank 1] Securities zou zijn overhandigd, waarbij hij opzet aan zijn kant op de valsheid heeft ontkend.(43)

De rechtbank overweegt hierover dat ook [medeverdachte X] van meet af wist dat het pand was gekraakt(44) - hoewel hij dit in zijn verhoor in het kader van zijn faillissement, en dat van [B6], aanvankelijk heeft ontkend(45)- en niettemin een taxatierapport waarin dit niet was vermeld aan de bank heeft doen toekomen. Hij is ter zake ook inconsequent in zijn verklaringen. Enerzijds voert hij aan dat hij er op grond van de mededelingen van mr. [E] bij de koopovereenkomst (bedoeld zal zijn de akte van levering, rechtbank) tussen laatstgenoemde en [B1] vanuit is gegaan dat het pand was ontruimd. Anderzijds zegt hij dat hij niet verantwoordelijk is voor de onjuiste informatie in het taxatierapport, omdat hij dit in een stadium dat hij enkel als intermediair optrad ongezien aan [bank 1] heeft doorgestuurd.

Met betrekking tot het eerste verweer heeft mr. [E] verklaard dat hij, juist met het oog op de gekraakte staat, in de betreffende koopovereenkomst een ontbindingsclausule heeft laten opnemen. [E] verklaart ook dat [verdachte] degene is met wie hij als bemiddelaar het contact heeft onderhouden, terwijl de koper, [D] voor [B1], ervan op de hoogte was dat het pand was gekraakt. Daarom heeft hij weinig aandacht besteed aan de leveringsakte, waarin een vergelijkbare clausule niet meer was opgenomen. Gelet op deze verklaring is niet aannemelijk dat [E] een mededeling als door [medeverdachte X] gesteld zou hebben gedaan, te minder nu vaststaat dat het pand nog steeds was gekraakt. Bovendien was [medeverdachte X] (door middel van [B6]) de koper van het pand. Het is volstrekt onaannemelijk dat hij er, enkel op grond van een mededeling van de verkoper op vertrouwde dat het pand was ontruimd, zonder enige verificatie daarvan bij [J], wie hij zegt voor de ontruiming te hebben aangesteld(46), of bij [verdachte], die het pand had aangebracht.

Het tweede verweer kan [medeverdachte X] ook niet baten. Dat een bemiddelaar geen kennis neemt van een voor het verkrijgen van financiering wezenlijk onderdeel in een taxatierapport alvorens dit in te dienen, moet reeds als onaannemelijk van de hand worden gewezen; nu echter [medeverdachte X]s eigen vennootschap [B6] het pand op 5 september 2001 heeft gekocht en [medeverdachte X] geacht moet worden het valse taxatierapport op 6 september 2001 naar [bank 1] te hebben gefaxt, kan hij zich ter zake helemaal niet achter zijn bemiddelaarschap verschuilen. Hij heeft zelf een vals rapport ingediend ten behoeve van een aan zijn eigen BV te verstrekken lening. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat [medeverdachte X] ook in de aanvraag financiering van juni 2001 (namens [B1], waarvan hij later via [ST2] Beheer enig aandeelhouder zou worden)(47) niet heeft vermeld dat het pand gekraakt was, terwijl vaststaat dat [medeverdachte X] dat in ieder geval op dat moment wel degelijk wist. De conclusie moet zijn dat [medeverdachte X] bewust informatie omtrent de toestand van het pand voor de [bank 1] verborgen heeft gehouden. Op het bewijs voor het medeplegen komt de rechtbank hieronder nog terug.

Naast het bovenstaande zijn voorts nog de volgende omstandigheden van belang.

a. De ten opzichte van de aankoopprijs van NLG 2.000.000,- zeer veel hogere verkoopprijs aan [B8] van NLG 4.888.000,- van het onroerend goed zou alleen gerechtvaardigd kunnen worden door het feit dat het pand, dat was gekraakt, zou worden ontruimd en opgeknapt en vervolgens zou worden verhuurd, zodat een aanzienlijke waardestijging zou worden gerealiseerd. De ontruiming en verbouwing van het onroerend goed waren derhalve van cruciaal belang voor het slagen van de reeks transacties. Daarbij valt op dat het pand na de aankoop door [B1] (voor zichzelf of een nader te noemen meester) voor NLG 2.000.000,-- twee transacties later -via [B6] en [B7]- weer in handen van [B1] komt voor een bedrag van NLG 3.850.000,--, terwijl het ook toen nog was gekraakt. Desgevraagd heeft [medeverdachte X] erkend dat dit een bevreemdende situatie is.(48) Dat is het zeker, te meer nu [B7] (een BV van [C]) hiertussen is geschoven voor een bedrag van NLG 100.000,--, waarvan later op een kennelijk valse factuur ten name van de echtgenote van [medeverdachte X] weer NLG 86.000,-- is terugbetaald.(49)

b. De koop van het pand is uiteindelijk niet doorgegaan omdat het pand er niet zo uitzag zoals [B8] bij de koop had bedongen. Over de ontruiming en renovatie heeft [medeverdachte X] verklaard dat hij zich niet met de uitvoering daarvan zou bemoeien; hij zou deze aan [J] hebben overgelaten.(50) Voorzover dit al juist zou zijn heeft hij echter zelf kennelijk op geen enkel moment geverifieerd of de ontruiming daadwerkelijk had plaatsgevonden, hetgeen voor de hand ligt in geval van een situatie van langdurig kraken. Bovendien had zijn vennootschap, [B1] de tot dan toe hoogste prijs voor het pand betaald zonder te bedingen dat het pand zou worden ontruimd en de nodige investeringen zouden worden verricht door de voormalig eigenaar. [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte X] het pand aan de [adres 1] nooit aan [K] heeft geleverd omdat hij - [medeverdachte X] - aan zet was, maar niets deed.(51) Uit het dossier blijkt ook niet dat [medeverdachte X] of [verdachte] pogingen tot ontruiming heeft ondernomen. Zij hebben met andere woorden geen enkele serieuze poging ondernomen om de aan de bank voorgespiegelde waarde van het onroerend goed, die was gebaseerd op de ontruiming en opvolgende verbouwing, gerealiseerd te krijgen. Zij hebben ook geen verklaring gegeven waarom er niets met het pand is gebeurd, ook niet toen de bank eenmaal was gebleken dat het bij de levering nog steeds gekraakt was en [B8] om die reden niet wilde afnemen.(52)

c. Voorts hebben [verdachte] en in nog grotere mate [medeverdachte X] geprofiteerd van het geld dat – ten koste van de bank – met de geldlening is verworven. Ruim € 45.000 is besteed aan de financiering van het pand aan de [adres 3] waarin [verdachte] woonde. Overigens is een deel van de behaalde winst niet getraceerd. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat [medeverdachte X] onder meer bijna € 500.000,- vrijwel direct heeft aangewend voor de aflossing van de hypothecaire lening op de echtelijke woning in [plaats].(53)

Bovenstaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat [verdachte] en [medeverdachte X] nimmer serieus van plan zijn geweest om het pand te [plaats adres 1] daadwerkelijk te ontruimen en op te knappen en op die wijze doorverkoop en een werkelijke waardestijging te realiseren en daarmee opzet hadden op de valsheid van de ingediende stukken en de oplichting van de bank. Dit is te meer aannemelijk, nu [medeverdachte X] in de zomer van 2001 onder grote druk stond om openbare verkoop van de echtelijke woning in [plaats] te voorkomen.(54) Verdachte heeft, tezamen met zijn medeverdachte, diverse geschriften vervalst met als vooropgezet doel [bank 1] te bewegen tot het verstrekken van een hypothecaire lening, terwijl de onderliggende hypotheek in werkelijkheid naar de toen bestaande feitelijke toestand een veel lagere waarde had dan de bank werd voorgespiegeld. [medeverdachte X] en [verdachte] hebben daarbij verschillende rollen vervuld. [verdachte] heeft vooral gezorgd voor de connecties met betrekking tot het onroerend goed. Daarnaast was hij betrokken bij het opstellen van de valse overeenkomst met [B8] en de vervalste versie van het taxatierapport. [verdachte] heeft bij de politie nog verklaard dat hij de contacten tussen [F] en [medeverdachte X] heeft gelegd en dat hij heel snel voor een vennootschap moest zorgen waar [medeverdachte X] de [adres 1] in wilde onderbrengen. Dat heeft hij ook gedaan door beschikbaarstelling van [B1]. Hij weet niet waarom hij die BV moest regelen en heeft daar ook niet naar gevraagd, aldus [verdachte]55. [medeverdachte X] zorgde voor de contacten bij de bank en ook voor diverse rechtspersonen. [verdachte] verklaart zelf expliciet over de samenwerking met [medeverdachte X]: "Ik had een partnership met [medeverdachte X], waarbij [medeverdachte X] zijn inbreng had op het financiële vlak en ik op het marktverkennende vlak op het gebied van onroerend goed".(56)

Gelet op deze rolverdeling en de overige genoemde feiten en omstandigheden was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een mogelijk stilzwijgende, maar niettemin nauwe en bewuste samenwerking.

Met gebruikmaking van valse overeenkomsten en het valse taxatierapport hebben [medeverdachte X] en [verdachte] de waarde van het pand aan de [adres 1] kunstmatig verhoogd. Door aldus te handelen heeft verdachte, tezamen met [medeverdachte X], willens en wetens bij [bank 1] een onjuist beeld doen ontstaan met betrekking tot de waarde en toestand van het pand aan de [adres 1]. Hierdoor is deze bank bewogen tot afgifte van € 1.725.000,00. De rechtbank acht op grond van het voorgaande het onder 1 telastgelegde dan ook bewezen met betrekking tot het pand aan de [adres 1].

De rechtbank acht niet bewezen dat deze oplichting mede is geschied met gebruikmaking van de koopovereenkomst van 13 juli 2001 tussen mr. [E] als bewindvoerder van [F] en [B1], aangezien er in het dossier geen aanwijzingen zijn dat dit geen reële overeenkomst was.

[adres 2]

Bij de beoordeling van de telastlegging met betrekking tot deze kwestie gaat de rechtbank van de volgende feiten uit.

Het pand aan de [adres 2] is - net als het pand aan de [adres 1] te [plaats adres 1] - middels een zogenoemdeABC-constructie binnen enkele minuten in eigendom overgedragen aan een aantal vennootschappen waarbij [verdachte] en [medeverdachte X] direct of indirect belang hadden, waarbij de koopprijs meer dan verdubbelde.

Op 30 november 2001 verkocht [B12] B.V het pand aan de [adres 2] voor een bedrag van € 2.037.000,-- aan [B13] Beheer B.V. (hierna: [B13]), daarbij vertegenwoordigd door [N]. Op 28 maart 2002 werd het pand geleverd.(57) De aandelen van [B13] waren op dat moment in handen van [B1] Holding (49%), [B6] (49%) en Stichting [B1] Administratieve, Fiscale & Juridische Dienstverlening (hierna: stichting [B1]) (2%).(58) [medeverdachte X] hield tezamen met zijn echtgenote alle aandelen in [B6]59 en het belang bij de aandelen in [B1] Holding N.V. berustte bij de kinderen van [verdachte].(60)

Vijf minuten na de eerste levering, dus eveneens op 28 maart 2002 leverde [B13] op grond van een koopovereenkomst d.d. 25 februari 2002 het pand door aan [B2] C.V. (hierna: [B2]) voor een bedrag van € 4.537.802,--(61). [B2] is een commanditaire vennootschap die is opgericht door [B14] B.V. (aandeelhouder [O]), [B15] Onroerend Goed Maatschappij B.V. (aandeelhouder [medeverdachte Z]) en [B6] met als doel het verkrijgen, exploiteren en eventueel vervreemden van het pand aan de [adres 2].(62) [B2] had op 26 februari 2002 al een koopovereenkomst gesloten [P] Beheer B.V. (hierna[P]) voor een bedrag van € 4.973.885,-- waarbij was overeengekomen dat het pand in verhuurde staat zou worden geleverd.(63)

Ter financiering van de aankoop van het pand is door [O], [medeverdachte Z] en [medeverdachte X] voor [B2] een krediet aangevraagd bij [bank 2](64). [bank 2] heeft dit krediet verstrekt tot een bedrag van € 4.300.000,--(65) en heeft het krediet op 12 juni 2002 verhoogd met € 177.000,--.(66) Blijkens de kredietofferte werd het krediet verstrekt onder de voorwaarden dat de koopovereenkomst met [P] en de huurovereenkomst met [B17] B.V. (hierna: [B17]) aan [bank 2] zouden worden overgelegd. [B13] zou op 1 maart 2002 al een huurovereenkomst aangaande het pand [adres 2] getekend hebben met [B17]. Tevens werd een taxatierapport en een opstelling van het vermogen van [medeverdachte X] verlangd.

[medeverdachte X] heeft over de totstandkoming van de transactie verklaard dat hij door [verdachte] werd benaderd om gezamenlijk het pand [adres 2] aan te kopen. [verdachte] had volgens [medeverdachte X] een geschikte huurder gevonden voor het niet verhuurde gedeelte van het pand. Als de huurder in het pand zou zijn getrokken dan zou het pand weer doorverkocht worden. [verdachte] heeft verklaard dat hij met betrekking tot het pand contact heeft gezocht met [medeverdachte X] en [B17].(67)

[medeverdachte X] heeft verklaard dat [O] en [medeverdachte Z] daarna ten tonele zijn verschenen en dat hij de mogelijkheid heeft aangevoerd om ten behoeve van de aankoop [B2] en de Stichting [ST1] (bestuurder van [B2]) op te richten(68), hetgeen ook is gebeurd. De rechtbank gaat van de juistheid van deze verklaringen uit, nu deze stroken met hetgeen hiervoor reeds is overwogen en hierna nog zal worden opgemerkt.

Uiteindelijk zijn ten behoeve van de financieringsaanvraag onder meer de volgende documenten overgelegd:

1. een huurovereenkomst tussen [B13] Beheer en [B17] d.d. 1 maart 2002(69);

2. de hierboven genoemde koopovereenkomst tussen [B2] en [P] d.d. 26 februari 2002;

3. een taxatierapport betreffende het pand, opgesteld door de heer [H] van [B9].

Volgens de telastelegging zouden deze stukken vervalst zijn en gebruikt om de [bank 2] op te lichten. Ten aanzien van deze stukken overweegt de rechtbank in het licht van het telastgelegde het volgende.

De huurovereenkomst tussen [B13] en [B17].

Er bestaan twee versies van de huurovereenkomst met [B17]. In de eerste versie, gedateerd 17 september 2001, heeft [B1] Holding N.V. het pand [adres 2] verhuurd aan [B17]. [B17] zou een oppervlakte van 5500 m2 afnemen tegen een bedrag van NLG 1.237.500,-- per 1 oktober 2001 (NLG 225,-- per m2). De overeenkomst is ondertekend door [verdachte] en [Q], directeur van [B17]. [Q] heeft de originele overeenkomst met een hierna te noemen side-letter van dezelfde datum aan de FIOD ter beschikking gesteld en deze bevindt zich in het dossier.(70)

De tweede versie dateert van 1 maart 2002 en zou zijn opgesteld door [B13]. Daarin is overeengekomen dat per 1 maart 2002 1600 m2 door [B17] zou worden gehuurd voor een bedrag van € 323.545,-- (€ 202,21 per m2). Deze overeenkomst is ondertekend door [N], toenmalig directeur van [B13], en [Q].(71) Deze tweede versie is blijkens de verklaring van aangever [R], de overeenkomst waar [bank 2] over beschikt en die is gebruikt voor de beoordeling van de financieringsaanvraag.(72)

[N] heeft over de overeenkomst van 1 maart 2002 verklaard dat [verdachte] daarmee bij hem kwam en dat hij hem heeft ondertekend. Bedragen en dergelijke interesseerden hem, blijkens zijn eigen verklaring, nauwelijks. [N] heeft verklaard dat hij nooit contact heeft gehad met [Q].(73)

[Q] heeft verklaard dat hij [N] nooit heeft ontmoet of gesproken.(74) Wel heeft hij in augustus en september 2001 gesprekken gevoerd met [verdachte] over de huur van een gedeelte van het pand [adres 2]. Daarbij is de mogelijkheid besproken dat de huur van het pand voor 100% zou worden gesubsidieerd over een periode van 5 jaar, bij wijze van investering in [B17]. [Q] heeft ook verklaard dat hij de huurovereenkomst van 17 september 2001 heeft ondertekend. Daarbij is echter een samenwerkingsovereenkomst opgesteld en een side-letter bij de huurovereenkomst (75). In de side-letter is de afspraak over de 100% subsidiëring van de huur opgenomen (76). Daarnaast is er een concept-akte van samenwerking en geheimhouding opgemaakt.(77) Deze subsidiëring zou er toe leiden, zo begrijpt de rechtbank, dat [B17] de eerste vijf jaren per saldo geen huur zou betalen.

Volgens [Q] is er één huurcontract en dat is het contract van 17 september 2001. Omdat [Q] daarna niets meer had vernomen, heeft hij zelf begin 2002 contact opgenomen met [verdachte] en is hij zodoende met [medeverdachte X] in contact gekomen. Over het contract dat op 1 maart 2002 is gedateerd heeft [Q] verklaard dat hij zich hier niets van kan herinneren, ook niet dat hij het zou hebben ondertekend. Hij heeft er zelf geen exemplaar van. Met betrekking tot de aanvullende overeenkomst kan hij zich herinneren dat hij meer zekerheden vroeg en dat hij een dergelijke overeenkomst in bijzijn van [verdachte] heeft ondertekend. [B17] is uiteindelijk nooit in het pand [adres 2] getrokken en heeft ook nooit huur betaald.

Met betrekking tot de huurovereenkomst d.d. 1 maart 2002 bevinden zich in het dossier een aanvullende overeenkomst bij de huurovereenkomst en een concept-participatieovereenkomst. In de aanvullende overeenkomst is opgenomen dat partijen de gesloten huurovereenkomst als 'perfect' beschouwen vanaf het moment dat voldoende vast is komen te staan dat de participatieovereenkomst zal worden nageleefd.(78) In die participatieovereenkomst is opgenomen dat [B18] Vastgoed en Assurantiën B.V. (hierna [B18]) voor 50% zal deelnemen in de vestiging van [B17] te openen in het pand [adres 2] en dat zij daarvoor jaarlijks € 317.650,- ter beschikking zal stellen die voor de huur van het pand dient te worden aangewend (de subsidiëring).(79)

[D], toenmalig eigenaar van [B18], heeft verklaard dat hij de participatieovereenkomst niet kent en dat [verdachte] er vanuit moet zijn gegaan dat hij [B18] van hem had kunnen kopen, zoals [verdachte] had verzocht.(80) [Q] heeft aangegeven dat de participatieovereenkomst van [verdachte] afkomstig was.(81)

[verdachte] heeft over de participatie in [B17] verklaard dat vanuit [B13], of een vehikel daarvan, de huur voor het pand [adres 2] 5 jaar lang gesubsidieerd zou worden. Het bedrag dat [B13] daarvoor nodig had zou worden gegenereerd via een risicoloze geldtransactie. Ook zou er uit de winst 1,5 miljoen gulden worden aangewend om het pand [adres 2] aan te passen aan de wensen van [B17].(82) Uiteindelijk is niets daarvan gerealiseerd.(83) Over de side-letter bij de huurovereenkomst van 17 september 2001 heeft [verdachte] verklaard dat deze gedeeltelijk is gedicteerd door [medeverdachte X], maar dat hij hem heeft opgesteld en ondertekend namens [B1] Holding.(84) [O] heeft over de verhuur van het pand [adres 2] aan [B17] verklaard dat hij het contract van 1 maart 2002 heeft gezien en dat volgens hem de onderhandelingen door [medeverdachte X] zijn gevoerd. Hij en [medeverdachte Z] werden feitelijk alleen ingeschakeld als er handtekeningen gezet moesten worden.(85)

[medeverdachte X] heeft verklaard dat hij [Q] persoonlijk heeft gesproken. Ook heeft hij verklaard dat er met [Q] is gesproken over financiële ondersteuning van [B17] vanuit [B13].(86) Het huurcontract was volgens verdachte de reden dat [B13] de winst heeft kunnen maken op het pand en was van cruciaal belang bij de aanvraag van de financiering.(87)

Op grond van deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de huurovereenkomst van 1 maart 2002 vervalst is en dat dit door [verdachte] is geschied, nu deze de overeenkomst door [N] heeft laten tekenen, terwijl er geen sprake was van tussen [N] en [Q] tot stand gekomen overeenstemming. [medeverdachte X] heeft volgens zijn eigen verklaring ook met [Q] gesproken, ook over de ondersteuning, terwijl deze ondersteuning en de daarmee samenhangende subsidiëring voor de bank verborgen is gebleven. Aangezien de vervalste huurovereenkomst kennelijk door [medeverdachte X] is ingebracht bij de [bank 2] ter verkrijging van de financiering, acht de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewezen dat ter zake tussen [verdachte] en [medeverdachte X] nauw is samengewerkt om de bank tot het verstrekken van een omvangrijke lening te bewegen, zoals dat ook bij de transacties met betrekking tot het pand [adres 1] is gebeurd.

Steun voor het bewijs dat sprake was van een nauwe samenwerking met vooropgezette bedoelingen, vindt de rechtbank ook in de omstandigheid dat [verdachte] en [medeverdachte X] ook na het fiasco van de [adres 1] gewoon zaken met elkaar bleven doen. Hun ervaringen met de [adres 1] weerhield hen er kennelijk niet van om samen verder te gaan met [adres 2] op een vergelijkbare wijze. Eind 2001, begin 2002 was reeds duidelijk geworden dat de [adres 1] niet aan [B8] kon worden geleverd. Nu begin maart 2002 nog een vervalste overeenkomst werd overgelegd aan de [bank 2] met betrekking tot het pand [adres 2], moet het ervoor gehouden worden dat verdachten van elkaar precies wisten waar zij mee bezig waren.

De koopovereenkomst tussen [B2] en [P].

Het pand [adres 2] is op 26 februari 2002 door [B2], vertegenwoordigd door haar beherend vennoot de Stichting [ST1] (in de persoon van [O] en [medeverdachte Z]) aan [P] verkocht voor een bedrag van € 4.973.885,--.(88) Over de totstandkoming van deze overeenkomst heeft [medeverdachte X] verklaard dat er diverse gesprekken zijn gevoerd met [P].(89) Zo blijkt ook uit de verklaringen van [O] en [P].(90) [P] heeft voorts verklaard dat hij er bij de ondertekening van de overeenkomst vanuit ging dat er al een andere koper was die weer van [P] zou afnemen, anders had hij volgens zijn eigen verklaring nooit getekend. Deze voorwaarde is opgenomen in een aanvullende akte. Er zou op deze manier € 100.000,-- vrijkomen. Volgens [P] is de verkoop uiteindelijk niet doorgegaan omdat [B17] niet in het pand kwam als huurder. Zonder [B17] zou volgens [P] het koopcontract nooit zijn opgemaakt.(91) [medeverdachte X] heeft verklaard dat [P] het pand [adres 2] logischerwijs niet heeft afgenomen omdat [B17] niet zou gaan huren.(92) [O] heeft verklaard dat het contract met [P] door [medeverdachte X] is opgemaakt ten behoeve van de volledige financiering door [bank 2].(93)

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het vervalste huurcontract met [B17], moet het ervoor worden gehouden dat [medeverdachte X] en [verdachte] wisten dat de voorwaarde waaronder [P] het koopcontract zou nakomen -verhuur- niet was vervuld en dat het pand om die reden uiteindelijk ook niet aan [P] zou worden geleverd. Ook hier merkt de rechtbank, op dezelfde gronden als hiervoor ten aanzien van de verkoop van de [adres 1] aan [B8] is overwogen, het woord 'verkocht' in de telastelegging aan als een kennelijke schrijffout.

Taxatierapport opgesteld door [B9]

In oktober 2001 is door taxateur [H] van [B9] B.V. een waarde bepaald van het pand.(94) Daartoe beschikte [H] over de huurovereenkomst met [B17] van 17 september 2001.(95) [H] verklaart hierover dat de bestaande huurders zouden gaan onderhuren van [B17], die het hele pand zouden gaan huren. Op pagina 8 van het taxatierapport vermeldt [H] in dit verband niet alleen de overeengekomen huursom (NGL 1.237.500,--) met een overeengekomen looptijd van 5 jaar, maar merkt daarbij op: "Gesteld kan worden dat de overeengekomen huur als hoog aangemerkt kan worden, de kredietwaardigheid van de huurster is derhalve van groot belang."

In verband met het verkrijgen van de hypothecaire lening van [bank 2], wordt het taxatierapport door [medeverdachte X] gefaxt aan [bank 2](96). Het rapport wordt evenwel zonder deze pagina 8 door [bank 2] ontvangen.

Verder is nog van belang dat door aangever [R] namens [bank 2] is verklaard dat er op de door [B2] daartoe geopende rekening bij [bank 2] een aantal huurbetalingen namens [B17] zijn binnengekomen.(97) Blijkens een daartoe ingesteld onderzoek zijn er door [B13] drie betalingen verricht aan [B2]. [B13] heeft op 19 juni 2002 € 68.404,88 overgemaakt op rekeningnummer [nummer 1] met als omschrijving "Eerste kwartaal huur [adres 2]", en op 24 juni 2002, op datzelfde rekeningnummer, € 80.868,00 met als omschrijving "Waarborgsom [B13] [adres 2]".(98) Een laatste betaling door [B13] heeft plaatsgevonden op 17 juli 2002 op rekeningnummer [nummer 2] van [B2] met als omschrijving "huur [B17] [B13]bv periode 1-6 t/m 31-8-2002”.(99) Het is duidelijk dat met deze betalingen de bank zoet moest worden gehouden.

De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop [verdachte] en [medeverdachte X] bij de aankoop van het pand [adres 2] hebben gehandeld, een aantal opvallende gelijkenissen vertoont met de aankoop van het pand [adres 1]. Niet alleen is er gebruik gemaakt van een vergelijkbare, ondoorzichtige structuur van rechtspersonen waarin [verdachte] en [medeverdachte X] direct dan wel indirect een belang bleken te hebben en feitelijk invloed hadden die formeel niet zichtbaar was; ook is er in beide gevallen, net als bij de [adres 1], alvorens het pand aan een derde te verkopen een "bevriende" vennootschap tussengeschoven. Dit diende in feite geen enkel redelijk doel en het moet er dus voor worden gehouden dat dit is gebeurd om de niet met de reële waarde van het pand in de pas lopende stijging van de koopprijs te rechtvaardigen en de eerste verkooptransactie onzichtbaar te maken voor de bank. In dit verband zijn door zowel [verdachte] als [medeverdachte X] steeds weer anderen als bestuurder van die verschillende rechtspersonen naar voren geschoven ([D], [C], [medeverdachte Z], [O]).

[medeverdachte X] was verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken rond de transacties en onderhield de contacten met [bank 2]. [verdachte] bracht het onroerend goed aan en was betrokken bij de totstandkoming van voor de transacties wezenlijke overeenkomsten. Bovendien wisten zowel [medeverdachte X] als [verdachte] in beide gevallen dat de panden in de staat waarin zij feitelijk verkeerden onvoldoende zekerheid boden voor de op grond van andere informatie te verstrekken hypothecaire kredieten.

In dit verband acht de rechtbank nog van belang dat niet is gebleken dat [medeverdachte X] en [verdachte] ook maar enig moment serieus van plan zijn geweest om aan de voorwaarden die [B17] had gesteld te voldoen. Zo is van de gestelde verbouwing van het pand naar de wensen van [B17] niets gebleken, noch van enig initiatief daartoe. Evenmin werd voldaan aan de voorwaarde dat de huur de eerste jaren geheel zou worden gesubsidieerd door verhuurder. De overeenkomsten zijn, bezien in dit licht, kennelijk slechts opgesteld teneinde een hypothecaire lening van de bank te krijgen.

Ook ten aanzien van deze transactie springt in het oog dat een groot deel van het voordeel dat met deze transactie is behaald, door verdachten ten behoeve van zichzelf, althans nauw aan hen gelieerde rechtspersonen is aangewend, zulks ten koste van de bank. Dit laatste is gebleken uit het onderzoek naar de geldstromen(100)

Op grond van al deze uit wettige bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat ook hier sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte X] en [verdachte] en van opzet op de valsheid van de stukken en oplichting van de bank. Nu verdachte en [verdachte] wisten dat het huurcontract met [B17] niet tot een daadwerkelijke verhuur van het pand [adres 2] kon leiden en mitsdien het pand nooit voor de overeengekomen prijs zou kunnen worden doorgeleverd aan [P] hebben zij, door genoemde documenten aan [bank 2] te overleggen of doen overleggen, deze bank bewust misleid bij de beoordeling van de financieringsaanvraag en daarmee bewogen tot afgifte van € 4.300.000,--.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande het onder 1 telastgelegde dan ook bewezen met betrekking tot het pand [adres 2].

De rechtbank acht niet bewezen het onderdeel in de telastlegging dat ziet op de gebruikmaking van het taxatierapport opgesteld door [B9] B.V. De inhoud van dit rapport heeft geen betrekking op de in de telastlegging gestelde feitelijke omstandigheden.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 telastgelegde

Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien het onder 1 telastgelegde heeft overwogen, acht zij met betrekking tot [verdachte] het onder 2 telastgelegde bewezen ten aanzien van de onder (I) en (III) genoemde geschriften betrekking hebbend op het pand [adres 1].

Tevens acht de rechtbank op grond van hetgeen zij hiervoor ten aanzien van het onder 1 telastgelegde heeft overwogen, het onder 2 telastgelegde bewezen ten aanzien van het onder (IV) opgenomen geschrift.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring.

De rechtbank acht wettig bewezen en is tot de overtuiging gekomen dat verdachte de in de dagvaarding onder 1. en 2. telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en met 1 juli 2002 te 's-Gravenhage en Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,

telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen telkens door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

de [bank 1] heeft bewogen tot de afgifte van 1.725.000,-- euro

en de [bank 2] heeft bewogen tot de afgifte van 4.300.000,-- euro,

immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

a) ten aanzien van de [bank 1] een aanvraag financiering voor het pand [adres 1] gedateerd juni 2001 doen indienen en ter onderbouwing van deze financiering de volgende stukken doen verstrekken aan de [bank 1]:

-een koopovereenkomst betreffende het pand [adres 1] tussen [B1] Handel & Exploitatie B.V., vertegenwoordigd door [J], en [B8] Investments B.V., vertegenwoordigd door [K], t.w.v. 4.888.000,- gulden, en

- een taxatierapport betreffende het pand [adres 1] van [B9]

B.V. d.d. 8 juni 2001 waarin niet is vermeld dat het pand is gekraakt en zich in een zeer slechte onderhoudstoestand bevindt;

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader

-wisten dat het pand niet aan [B8] Investments B.V. zou

worden geleverd, en

- wisten dat het pand was gekraakt en zich in een zeer slechte onderhoudstoestand bevond;

waardoor hij, verdachte, en zijn mededader de [bank 1]

ten behoeve van voornoemde financiering een onjuist beeld met betrekking tot

de waarde en toestand van het pand [adres 1] hebben voorgespiegeld, en

b) ten aanzien van de [bank 2] een kredietarrangement voor de financiering van het pand [adres 2] d.d. 25 maart 2002 doen aangaan en ter onderbouwing van deze financiering de volgende stukken verstrekt en/of doen verstrekken aan de [bank 2]:

-een koopovereenkomst betreffende het pand [adres 2] d.d. 26

februari 2002 tussen [B2] C.V., vertegenwoordigd door de Stichting

[ST1] (in de personen van [O] en [medeverdachte Z]) en [B16]

Beheer B.V., vertegenwoordigd door [P], t.w.v. 4.973.885,- euro, en

- een huurovereenkomst betreffende het pand [adres 2] d.d. 1 maart

2002 tussen [B13] Beheer B.V., vertegenwoordigd door [N] en [B17] B.V., vertegenwoordigd door [Q],

terwijl hij, verdachte, en zijn mededader

- wisten dat het pand niet aan [B16] Beheer B.V. zou worden geleverd, en

- wisten dat het pand niet aan [B17] B.V. was verhuurd,

waardoor hij, verdachte, en zijn mededader de [bank 2]

ten behoeve van voornoemde financiering een onjuist beeld met betrekking tot

de waarde en toestand van het pand [adres 2] hebben

voorgespiegeld

waardoor de [bank 1] en de [bank 2]

werden bewogen tot bovenomschreven afgiftes;

2.

hij in de periode van 1 juni 2001 tot en met 1 juli 2002 te 's-Gravenhage en Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk heeft gebruik gemaakt van en heeft afgeleverd vervalste geschriften, te weten:

a) met betrekking tot het pand [adres 1]

(I) een koopovereenkomst tussen [B1] Handel & Exploitatie B.V., vertegenwoordigd door [J] en [B8] Investments B.V., vertegenwoordigd door [K], t.w.v. 4.888.000,-

gulden en

(III) een taxatierapport van [B9] B.V. d.d. 8 juni 2001 en

b) met betrekking tot het pand [adres 2]

(IV) een huurovereenkomst d.d. 1 maart 2002 tussen [B13] Beheer B.V. vertegenwoordigd door [N] en [B17] B.V., vertegenwoordigd door [Q]

terwijl hij, verdachte en zijn mededader wisten dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren zij echt en onvervalst,

welke valsheid hierin bestond dat opzettelijk in strijd met de waarheid in

dat/die geschrift(en) was vermeld dat

(I) het pand [adres 1] aan [B8] Investments B.V.

zou worden geleverd en

(IV) het pand [adres 2] zou worden verhuurd aan [B17] BV, tegen een geldbedrag van 323.545,-- Euro,

en welke valsheid hierin bestond dat opzettelijk in strijd met de waarheid in dat geschrift niet was vermeld

(III) dat het pand [adres 1] was gekraakt en zich in een zeer slechte onderhoudstoestand bevond

en bestaande dat gebruikmaken en dat afleveren hierin dat hij en/of zijn mededader die geschriften heeft verstrekt en/of doen verstrekken aan de [bank 1] en/of de [bank 2]

Deze beslissing steunt op voormelde bewijsmiddelen, die de feiten en omstandigheden inhouden die reden geven tot die beslissing. Elk van die bewijsmiddelen is -ook in zijn onderdelen- alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Eventuele in de telastlegging voorkomende taal- en typefouten zijn bij de bewezenverklaring door de rechtbank verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de hierna te noemen strafbare feiten op. Verdachte is daarvoor ook strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende overwogen.

Verdachte heeft zich verschillende malen schuldig gemaakt aan medeplegen van oplichting en valsheid in geschrift. Door gebruik te maken van valse overeenkomsten en een vals taxatierapport heeft hij [bank 1] en [bank 2] bewust misleid om deze banken te bewegen tot het verstrekken van hypothecaire geldleningen. Deze overeenkomsten en het taxatierapport gaven op cruciale onderdelen een verkeerd beeld van de werkelijkheid, waardoor op oneigenlijke gronden geldleningen zijn verstrekt tot relatief hoge bedragen. Verdachte heeft bij voornoemde handelingen louter zijn eigen financiële belangen nagejaagd; hij heeft met zijn handelingen zichzelf en een aantal rechtspersonen waarvan hij zelf of zijn familieleden middellijk of onmiddellijk eigenaar zijn, in aanzienlijke mate verrijkt en daarmee tegelijkertijd -naast de banken- diverse ‘zakenrelaties’ benadeeld. Op geen enkel moment heeft hij de belangen van de instellingen die hij benadeelde meegewogen. Daarmee heeft hij op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat bij diverse personen en instellingen mede door zijn toedoen was opgewekt. Een gezond financieel-economisch verkeer is mede gebaseerd op onderling vertrouwen van (beoogde) contractspartijen. Verdachte heeft ook dit algemene, voor het handelsverkeer wezenlijke vertrouwen ernstig geschaad. Om deze redenen, en mede gezien de met de onderhavige leningen gemoeide hoge bedragen, kan niet met een werkstraf of een voorwaardelijke vrijheidsstraf worden volstaan. Bij de bewezenverklaarde feiten past een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die ook dient om verdachte van de ernst van die feiten te doordringen en hem van het plegen van dergelijke feiten in de toekomst te weerhouden. Ook dient de op te leggen straf om anderen te ontmoedigen soortgelijke feiten te plegen.

Bij de bepaling van de lengte van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden meegewogen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de lengte van de straf de in het algemeen voor soortgelijke feiten opgelegde straffen in aanmerking genomen; dit leidt ertoe dat, gelet de aard en omvang van de bewezenverklaarde feiten, aan verdachte een langere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie geëist.

Aangezien niet is gebleken dat particulieren door het handelen van verdachte en zijn medeverdachte zijn benadeeld, is er geen aanleiding voor eventuele strafverzwaring op die grond.

De rechtbank acht verder van belang dat de banken zonder meer onoplettend hebben gehandeld bij de toekenning van de gevraagde kredieten.

Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de feiten al geruime tijd geleden zijn gepleegd.

Zoals hierboven bij de ontvankelijkheid overwogen neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat de dagvaarding lang op zich heeft laten wachten. De rechtbank trekt hiervoor een maand van de gevangenisstraf af.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding onderscheid te maken tussen [verdachte] en [medeverdachte X] in de strafmaat. Weliswaar moet het ervoor gehouden worden dat [verdachte], anders dan [medeverdachte X], niet betrokken is geweest bij het vervalsen van het huurontract met [B5]/[B4], maar bij de oplichting van de banken als geheel is dit slechts een onderdeel geweest.

De gevolgen die de feiten voor verdachte zelf en zijn gezinsleden hebben gehad, laat de rechtbank niet meewegen, nu verdachte deze gevolgen zelf over zich en zijn gezin heeft afgeroepen.

Voorts is nog een beroep gedaan op de slechte lichamelijke conditie van verdachte. Het zou voor de hand hebben gelegen deze met medische stukken te onderbouwen, gezien de gestelde ernst. Nu dit niet is gebeurd, ziet de rechtbank in de fysieke toestand van verdachte onvoldoende aanleiding om hiermee bij de strafoplegging rekening te houden.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47, 57, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart de dagvaarding nietig voor zover deze betrekking heeft op het aan verdachte onder 3. telastgelegde feit;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1. en 2. telastgelegde feiten heeft begaan zoals in de bewezenverklaring is weergegeven;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en volgens de wet oplevert:

1.

Medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

2.

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

verklaart verdachte voor deze feiten strafbaar;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

in hechtenis gesteld : 23 mei 2005,

in vrijheid gesteld op : 25 mei 2005;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 5 maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Telastlegging

1.

hij

op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en

met 1 juli 2002

te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of [plaats adres 2], gemeente [gemeente], en/of [plaats adres 1]

en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een

valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige

kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de [bank 1] heeft bewogen tot de afgifte van 1.725.000,-- euro

en/of de [bank 2] heeft bewogen tot de afgifte van

4.300.000,-- euro,

in elk geval (telkens) van een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig

goed,

en/of op die tijdstippen en aldaar de [bank 1] en/of de [bank 2]

heeft bewogen tot het aangaan van (een) hypothecaire

schuld(en) tegen voormeld(e) bedrag(en)

immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid

a) ten aanzien de [bank 1]

een aanvraag financiering voor het pand [adres 1] gedateerd juni

2001 (AH-35-01) ingediend en/of doen indienen en ter onderbouwing van deze

financiering de volgende stukken verstrekt en/of doen verstrekken aan de [bank 1]:

- een koopovereenkomst betreffende het pand [adres 1] d.d. 13 juli

2001 tussen de bewindvoerder van [F], [E], en [B1] Handel &

Exploitatie B.V., vertegenwoordigd door [D], t.w.v. 2.000,000,- gulden

(AH-15-01) en/of;

-een koopovereenkomst betreffende het pand [adres 1] d.d. 6

september 2001 tussen [B1] Handel & Exploitatie B.V., vertegenwoordigd door

[J] en [B8] Investments B.V., vertegenwoordigd door [K], t.w.v. 4.888.000,- gulden (AH-09-08) en/of;

- een huurovereenkomst betreffende het pand [adres 1] d.d. 15

september 2001 tussen [B1] Handel & Exploitatie en [B5] N.V. en/of [B4] N.V

(AH-09-07) en/of;

- een taxatierapport betreffende het pand [adres 1] van [B9]

B.V. d.d. 8 juni 2001 waarin niet is vermeld dat het pand is gekraakt en/of

zich in een zeer slechte onderhoudstoestand bevind (AH-16-09(a));

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

-wist(en) dat het pand niet aan [B8] Investments B.V. zou

worden verkocht en/of;

- wist(en) dat het pand niet geheel of gedeeltelijk aan [B5] N.V. en/of [B4]

N.V was verhuurd en/of zou worden verhuurd en/of;

- wist(en) dat het pand was gekraakt en/of zich in een zeer slechte

onderhoudstoestand bevond;

waardoor hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de [bank 1]

ten behoeve van voornoemde financiering een onjuist beeld met betrekking tot

de waarde en toestand van het pand [adres 1] heeft/hebben

voorgespiegeld en/of

in voornoemde aanvraag financiering [adres 1], juni 2001 (AH-35-01) vermeld of doen vermelden dat de zittende directie (desgewenst) terzijde zal

worden gestaan door [S], directeur/eigenaar van [B19] BV;

en/of

b) ten aanzien van de [bank 2]

een kredietarrangement voor de financiering van het pand [adres 2] d.d. 25 maart 2002 (AH-87-01) aangegaan en/of doen aangaan en ter

onderbouwing van deze financiering de volgende stukken verstrekt en/of doen

verstrekken aan de [bank 2]:

-een koopovereenkomst betreffende het pand [adres 2] d.d. 26

februari 2002 tussen [B2] C.V., vertegenwoordigd door de Stichting

[ST1] (in de personen van [O] en [medeverdachte Z]) en [B16]

Beheer B.V., vertegenwoordigd door [B16], t.w.v. 4.973.885,- euro

(AH-01-08) en/of;

-een huurovereenkomst betreffende het pand [adres 2] d.d. 1 maart

2002 tussen [B13] Beheer B.V., vertegenwoordigd door [N] en [B17] B.V., vertegenwoordigd door [Q] (AH-01-09) en/of;

- een taxatierapport betreffende het pand [adres 2] van

[B9] B.V. gedateerd oktober 2001 waarin niet de op het moment van

taxatie bestaande verhuursituatie en/of staat van onderhoud is vermeld (AH-05-01);terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

-wist(en) dat het pand niet aan [B16] Beheer B.V. zou worden verkocht

en/of

- wist(en) dat het pand niet geheel of gedeeltelijk aan [B17]

B.V. was verhuurd en/of zou worden verhuurd;

waardoor hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) de [bank 2]

ten behoeve van voornoemde financiering een onjuist beeld met betrekking tot

de waarde en toestand van het pand [adres 2] heeft/hebben

voorgespiegeld

waardoor de [bank 1] en/of de [bank 2]

(telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte(s);

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 326 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en met 1 juli 2002

te 's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of [plaats adres 2], gemeente [gemeente], en/of

[plaats adres 1] en/of [plaats D] en/of [plaats L] en/of [plaats A] en/of Schiphol en/of

elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk heeft gebruik gemaakt van en/of afgeleverd en/of

voorhanden gehad,

een (of meer) vals(e) en/of vervalst(e) geschrift(en), te weten:

a) met betrekking tot het pand [adres 1]

(I) een koopovereenkomst d.d. 6 september 2001 tussen [B1] Handel &

Exploitatie B.V., vertegenwoordigd door [J] en [B8] Amsterdam

Investments B.V., vertegenwoordigd door [K], t.w.v. 4.888.000,-

gulden (AH-09-08) en/of

(II) een huurovereenkomst d.d. 15 september 2001 tussen [B1] Handel &

Exploitatie en [B5] N.V. en/of [B4] N.V (AH-09-07) en/of

(III) een taxatierapport van [B9] B.V. d.d. 8 juni 2001 (AH-16-09(a))

en/of

b) met betrekking tot het pand [adres 2]

(IV) een huurovereenkomst d.d. 1 maart 2002 tussen [B13] Beheer B.V. vertegenwoordigd door [N] en [B17] B.V.,

vertegenwoordigd door [Q] (AH-01-09) en/of

(V) een taxatierapport van [B9] B.V. gedateerd oktober 2001 (AH-05-01);

in ieder geval (telkens) een of meer vals(e) en/of vervalst(e)

overeenkomst(en) en/of taxatierapport(en) - (elk) zijnde (een) geschrift(en)

dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen -,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als

ware het/zij echt en onvervalst,

welke valsheid hierin bestond dat opzettelijk in strijd met de waarheid in

dat/die geschrift(en) was vermeld dat

(I) het pand [adres 1] aan [B8] Investments B.V.

zou worden verkocht (AH-09-08) en/of

(II) het pand [adres 1] niet geheel of gedeeltelijk aan [B5] N.V.

en/of [B4] N.V was verhuurd en/of zou worden verhuurd (AH-09-07) en/of

(IV) het pand [adres 2] zou worden

verhuurd aan [B17] BV, althans een oppervlakte van 1600m2 tegen een geldbedrag van 323.545,-- Euro,

en/of welke valsheid hierin bestond dat opzettelijk in

strijd met de waarheid in dat/die geschrift(en) niet was vermeld

(III) dat het pand [adres 1] 2 was gekraakt en/of zich in een zeer slechte onderhoudstoestand bevond (AH-16-09(a)) en/of

(V) de op het moment van taxatie bestaande verhuursituatie en/of staat van

onderhoud is van het pand [adres 2] (AH-05-01);

en bestaande dat gebruikmaken en/of dat afleveren en/of dat voorhanden hebben

hierin dat hij en of zijn mededader(s) dat/die geschriften heeft verstrekt

en/of doen verstrekken aan de [bank 1] en/of de [bank 2];

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

[B1] Handel en Exploitatie B.V. en/of [B2] C.V. en/of Stichting

[ST1]

in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en met 12 februari 2003 te

's-Gravenhage en/of Rotterdam en/of [plaats adres 2], gemeente [gemeente], en/of [plaats adres 1]

en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

(telkens) terwijl [B1] Handel en Exploitatie B.V. bij vonnis van de

rechtbank te 's-Gravenhage van 31 juli 2002 in staat van faillissement is

verklaard, en/of [B2] C.V. en/of Stichting [ST1] bij vonnis van de

rechtbank te 's-Gravenhage van 12 februari 2003 in staat van faillissement

is/zijn verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van een of meer

schuldeiser(s) van voornoemde rechtsperso(o)n(en) lasten had(den) verdicht

door gebruikmaking van de navolgende valse en/of vervalste geschriften, te

weten:

- een koopovereenkomst betreffende het pand [adres 1] d.d. 6

september 2001 tussen [B1] Handel & Exploitatie B.V., vertegenwoordigd

door [J] en [B8] Investments B.V., vertegenwoordigd door

[K], t.w.v. 4.888.000,- gulden (AH-09-08) en/of;

- een huurovereenkomst betreffende het pand [adres 1] d.d. 15

september 2001 tussen [B1] Handel & Exploitatie en [B5] N.V. en/of [B4] N.V

(AH-09-07) en/of;

- een koopovereenkomst betreffende het pand [adres 2] d.d. 26

februari 2002 tussen [B2] C.V., vertegenwoordigd door de Stichting [ST1] (in de personen van [O] en [medeverdachte Z]) en [B16]

Beheer B.V., vertegenwoordigd door [B16], t.w.v. 4.973.885,- euro

(AH-01-08);

en daarmee gedaan alsof [B1] Handel en Explotatie B.V. en/of [B2] C.V.

en/of Stichting [ST1] schuldenaar was/waren van (een) niet bestaande

schuld(en),

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) dat [B1] Handel en

Exploitatie B.V. en/of [B2] C.V. en/of Stichting [ST1] geen of

onvoldoende verhaal bo(o)d(en) of zou bieden

tot (het) vorenstaand(e) feit(en) verdachte(telkens) opdracht heeft gegeven

en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden

gedraging(en);

art 47 Wetboek van Strafrecht

art 51 Wetboek van Strafrecht

art 341 ahf/ond a ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

Dit vonnis is gewezen door

mrs Verkleij, voorzitter,

Honée en Lips, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Kielman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2008.

1 D-514 Proces-verbaal van verhoor getuige.

2 D-002, kopie schriftelijke aangifte [bank 2] d.d. 24 november 2003

3 D-210, AH-36-04, kopie akte van levering ter zake [adres 1] 2 tussen (mr. [E] als curator van ) [F] en [B6]. D-211, AH-36-05, kopie akte van levering ter zake [adres 1] 2 tussen [B6] en [B7]. D-212, AH-36-06, kopie akte van levering van [B7] aan [B1].

4 D-123, AH-15-01, koopovereenkomst tussen (mr. [E] als bewindvoerder van) [F] en [B1] (niet ondertekend door koper)

5Proces-verbaal van getuige [F], Dossiernummer 30320, Codenummer G07-01, p. 3 en 4..

6 Vermeld in leveringsaktes, zie noot 12

7 D-086, AH-09-01, Kredietovereenkomst d.d. 14/17 september 2001 tussen [bank 1] en [B1]/[medeverdachte X] inzake [adres 1]; D213, AH-36-07, akte hypotheekverlening d.d. 21 september 2001.

8 D-088, AH-09-03, Akte d.d. 18 september 2001 inzake de certificering van de aandelen van [B1]. D-089, AH-09-04, Akte d.d. 18 september 2001 inzake de levering van de certificaten plus 1 aandeel van [B1] aan [medeverdachte X].

9 Overzichtsproces-verbaal zaak 1, 1-OPV-001, p. 2.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V01-03, p. 7; aanvraag financiering D-206, AH-35-01; processen-verbaal van verhoor getuigen [L] G18—01. blz. 2 en [G], G20-01, blz. 3.

11 D-093, AH-09-08, Koopovereenkomst tussen [B1] en [B8] Investments B.V.

12 D-092, AH-09-07, Huurovereenkomst tussen [B1] en [B5] NV en/of [B4] NV inzake [adres 1].

13 D-132, AH-16-09a, taxatierapport d.d. 8 juni 2001 opgemaakt door [B9] B.V. inzake [adres 1].

14 D-093, AH-09-08, Koopovereenkomst tussen [B1] en [B8] Investments B.V.

15 koopovereenkomst tussen [B1] ([D]) en [B8] ([K]), ongedateerd, alleen door koper getekend, D-349, AH-67-23

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [K], Dossiernummer 30320, Codenummer G06-01, p. 3-4.

17 D-276, AH-55-01, Blanco vel A4 rechts onderaan voorzien van een handtekening met blauwe pen. D-277, AH-55-02, Idem. AH- 54a, Proces-verbaal van in ontvangstname voorwerpen.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [J], Dossiernummer 30320, Codenummer V04-01, p. 5.

19 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V03-08, p. 2.

20Proces-verbaal van verhoor van verdachte, [verdachte] Dossiernummer 30320, Codenummer V02-05, p. 3.

21 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, [verdachte] Dossiernummer 30320, Codenummer V02-05, p. 6.

22 D-093, AH-09-08, Koopovereenkomst tussen [B1] en [B8] Investments B.V.

23 D-310, AH-55-35, Fax d.d. 11 september 2001 van [medeverdachte X] aan [bank 1].

24 gevoegd bij proces-verbaal van verhoor [L], G-18-01-B-01.

25 D-206, AH-35-01

26 D-092, AH-09-07, Huurovereenkomst tussen [B1] en [B5] N.V. en/of [B4] N.V. inzake [adres 1].

27 D-507, AH-73-02, Verklaring [B], d.d. 31 maart 2005 tegenover RC in het faillissement van [B6] Beheer B.V.

28 D-506, AH-73-01, Verklaring [J], d.d. 13-05-2005 bij RC in het faillissement van [B6] Beheer B.V.

29 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [J], Dossiernummer 30320, Codenummer V04-01, p. 4.

30 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [J], Dossiernummer 30320, Codenummer V04-01, p. 2.

31 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-01, p. 5

32 D-378, AH-67-50 Taxatierapport juni 2001 en D-494, AH-70-14, bijlage bij e-mail van [H] aan [verdachte] (D-493, AH-70-13) "Attachment [plaats adres 1] [adres 1].doc".

33 D 132, AH-16-09, kopie rapport zoals aan [bank 1] verstrekt; D-380, AH-67-51, aangetroffen taxatierapport op computer van [verdachte] "Taxatie_[plaats adres 1]_[adres 1]_3_[B9].doc".

34 D-382, AH-67-52, aangetroffen bestand op computer van [verdachte], "Taxatie [B9] blanco -2001".

35 Proces-verbaal van verhoor van getuige, 11 oktober 2005, Codenummer G14-01, p. 3.

36 AH-67, Proces-verbaal van ambtshandeling onderzoek in ibn. AH-78, Proces-verbaal van bevindingen onderzoek computer [verdachte]. AH-79, Proces-verbaal van bevindingen onderzoek computer naar aanleiding van verklaring [verdachte].

37 AH-54a, Proces-verbaal van in ontvangstname voorwerpen. D-280, AH-55-05, Taxatierapport [B9] inzake [adres 1]. D-318, AH-55-43, Taxatierapport [B9] inzake [adres 1].

38 D-132, AH-16-09, door [bank 1] per fax ontvangen taxatierapport inzake [adres 1].

39 D-319, AH 55-44, faxvoorblad, d.d. 5-09-2001 verzonden vanaf [B11] aan [bank 1] bank.

40 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-01, p. 8.

41 AH-82, Proces-verbaal van bevindingen.

42 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], V01-02, p.9.

43 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V01-01, p. 7.

44Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-F 02, p. 6

45 D-014, AH-01-14, Proces-verbaal van verhoor op de voet van artikel 105 en 106 van de Faillissementswet.

46 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-04, p. 3

47 D-206, AH-35-01

48 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-01, p. 6

49 D 131, AH-16-08; proces-verbaal van verhoor verdachte [C], V07-01, blz. 2 onderaan; proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte X] V-V01-04, blz. 2.

50 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-04, p. 3

51 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V02-01, p. 6.

52 Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 23 februari 2008.

53 AH-24 Proces-verbaal onderzoek geldstromen en D-164, AH 24-01, Verloopgeldstroom transacties met [adres 1].

54 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-03, p.3, in verband met AH-73-05 en AH-73-06, brieven van [B20] d.d. 22 augustus 2001 (tevens inhoudende een regeling) en 11 september 2001, waarin wordt aangekondigd dat de openbare verkoop alsnog wordt doorgezet..

55 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 23 mei 2005 (V02-01)

56 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V02-05, p. 3.

57 D-010, AH-01-10, kopie akte van levering d.d. 28-03-2002 inzake [adres 2] van [T] aan [B13].

58 D-394, AH-68-11, kopie notariële akte van aandelenoverdracht d.d. 22-02-2002 [B13] aan [B1] Holding NV, [B6] en stichting [B1].

59 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte X] in [land] d.d. 24 mei 2005, V01-F02 blz. 2 bovenaan.

60 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 23 mei 2005, V02-01 blz. 4.

61 D-011, AH-01-11, kopie akte van levering, d.d. 28 maart 2002 inzake [adres 2] van [B13] aan [B2].

62 D-084, AH-08-10, kopie oprichtingsakte, d.d. 25-02-2002 [B2] C.V.

63 D-008, AH-01-08, kopie koopovereenkomst d.d. 26 februari 2002 inzake [adres 2] tussen [B2] en [B16] Beheer B.V.

64 D-002, AH-01-02, schriftelijke aangifte [R] namens [bank 2]

65 D-262, AH-45-02, Kopie hypotheekakte d.d. 28-03-2002, tussen [bank 2] en [B2].

66 D-261, AH-45-01, kopie kredietofferte d.d. 12-06-2002, tussen [bank 2] en [B2].

67 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V02-02, p. 4.

68 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V01-02, p. 2.

69 D-009, AH-01-09, kopie huurovereenkomst, d.d. 1 maart 2002 inzake [adres 2] tussen [B13] en [B17].

70 D-420, AH-68-37, Huurovereenkomst, d.d. 17-09-2001 tussen [B1] Holding N.V. en [B17] inzake de [adres 2].

71 D-009, AH-01-09, Huurovereenkomst d.d. 01-03-2002 tussen [B13] en [B2] inzake [adres 2].

72 D-002, AH-01-02, kopie aangifte [bank 2], p. 2.

73 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V08-01, p. 4.

74 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V09-01, p. 6.

75 D-498, AH-72-02, Side Letter d.d. 17-09-2001, tussen [B1] Holding en [B17].

76 D-502, AH-72-06, concept subsidieovereenkomst, d.d. 17-09-2001 tussen [B1] Holding N.v. en [B17].

77 D-501, Ah-72-05, kopie concept akte van samenwerking en geheimhouding, d.d. 17-09-2001, tussen [verdachte] en [Q].

78 D-429, AH-68-46, Aanvullende overeenkomst, d.d. 1-3-2002 tussen [B13] en [B17].

79 D-396, AH-68-13, kopie concept participatieovereenkomst, d.d. 17-03-2002 tussen [B18] Vastgoed en Assurantiën B.V. en [B17].

80 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V05-06, p. 4.

81 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V19-01, p. 1.

82 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V02-02, p. 11.

83 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V02-06, p. 2.

84 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V02-06, p. 5.

85 Proces-verbaal van verhoor van getuige, Dossiernummer 30320, Codenummer G05-01, p. 7 en 11

86 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, Dossiernummer 30320, Codenummer V01-02, p. 9.

87 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-02, p. 8.

88 D-008, AH-01-08, Koopovereenkomst d.d. 26-02-2002, inzake [adres 2] tussen [B2] en [B16].

89 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-02, p. 4.

90 Proces-verbaal van verhoor van getuige [O], Dossiernummer 30320, Codenummer G05-01, p. 7.

Proces-verbaal van verhoor van getuige [P], Dossiernummer 30320, Codenummer G10-01, p. 3.

91 Proces-verbaal van verhoor van getuige [P], Dossiernummer 30320, Codenummer G10-01, p. 3-4.

92 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte X], Dossiernummer 30320, Codenummer V01-02p. 6.

93 Proces-verbaal van verhoor van getuige [O], Dossiernummer 30320, Codenummer G05-01, p. 3

94 D-072, taxatierapport [B9] B.V oktober 2001.

95 D-073. huurovereenkomst met [B17] d.d. 17 september 2001

96 D-218, AH-38-01, brief van [bank 2] aan de FIOD d.d. 6 januari 2005

97 D-002, AH-01-02, kopie aangifte [bank 2], p. 5.

98 D-187, AH-31-03, historisch mutatieoverzicht van rekeningnummer [nummer] van [B2] van 28-03-2002 t/m 15-10-2002.

99 D-223, AH-39-02, dagafschrift [bank] rekeningnr. [nummer] [B13], d.d. 17-07-2002, volgnr. 5

100 PV onderzoek geldstromen, Dossiernummer 30320, Codenummer AH 24. en D-165, AH-24-02