Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC3898

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
289689 / KG 07/757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geen wettelijk of contractueel recht op herstel verruimde bewonersparticipatie bij besluitvorming woningbouwvereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 8 februari 2008,

gewezen in de zaak met zaak- en rolnummer 289689 / KG 07/757 van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

Huurdersvereniging [plaats],

gevestigd te [plaats] (gemeente [gemeente]),

2.[eiseres sub 2],

wonende te [plaats] (gemeente [gemeente])

eiseres,

procureur mr. T. Scholtus,

tegen:

de stichting [Woonstichting] (handelende onder de naam [Woonstichting], mede handelende onder de naam [Woonstichting] [plaats]),

gevestigd te [plaats 2],

gedaagde,

procureur mr. W. Heemskerk,

advocaat mr. R. Boekhoff te Amersfoort.

Partijen zullen worden aangeduid als '[huurdersvereniging]' en '[eiseres sub 2]', respectievelijk '[Woonstichting]'.

1. De procedure

Op 29 juni 2007 hebben [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] [Woonstichting] doen dagvaarden om op 30 juli 2007 te verschijnen ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op 30 juli 2007 mondeling behandeld en vervolgens pro forma aangehouden tot 27 oktober 2007 en 22 december 2007 in verband met het beproeven van mediation. Na het bericht van partijen dat de mediation niet tot overeenstemming had geleid, is de zaak ter terechtzitting van 23 januari 2008 opnieuw mondeling behandeld. Vonnis is (nader) bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 juli 2007 en 23 januari 2008 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. [Woonstichting] is verhuurder van twee wooncomplexen aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats].

2.2. [huurdersvereniging] heeft ten doel om op het gebied van de volkshuisvesting de belangen te behartigen van zij die huurder zijn van een woning in beheer of eigendom van de (rechtsvoorgangster van) [Woonstichting], welke behartiging zich voornamelijk richt op deze woningen en woonomgeving.

2.3. [A] (hierna: [A]) is voorzitter van [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] is secretaris. Daarnaast is [eiseres sub 2] lid van de bewonerscommissies van de wooncomplexen [adres 1] en [adres 2].

2.4. [Woonstichting] voert met [huurdersvereniging] overleg op lokaal niveau. Het overleg wordt namens [huurdersvereniging] gevoerd met [A] en [eiseres sub 2].

2.5. [huurdersvereniging] heeft op 14 augustus 2000 een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de rechtsvoorgangster van [Woonstichting]. Deze overeenkomst voorziet in een uitgebreide huurderparticipatie door [huurdersvereniging] en bewonercommissies, alsmede een ruime informatievoorziening door de Woningstichting [plaats] aan [huurdersvereniging] en bewonercommissies.

2.6. [Woonstichting] heeft deze samenwerkingsovereenkomst op enig moment opgezegd tegen augustus 2003.

2.7. In een memorandum van [Woonstichting] van 8 maart 2005 aan onder meer [huurdersvereniging] zijn afspraken vastgelegd met betrekking tot de wijze waarop [Woonstichting] op complexniveau overleg voert met bewonerscommissies.

2.8. Bij brief van 22 mei 2006 heeft [Woonstichting] [huurdersvereniging] voorzien van een beschrijving van de werkwijze van [Woonstichting] ten aanzien van de rol en invulling van zogeheten 'planteams' bij renovaties of groot planmatig onderhoud. Volgens deze beschrijving werkt [Woonstichting] samen met een planteam een plan uit voor een renovatie of groot onderhoud aan een wooncomplex, waarbij [Woonstichting] eindverantwoordelijk is voor het uiteindelijk resultaat en altijd de eindstem heeft. Een planteam bestaat uit vertegenwoordigers van [Woonstichting], van de betrokken architect, van de bewonerscommissie en bewoners van het desbetreffende complex.

2.9. [eiseres sub 2] vertegenwoordigt in het planteam [adres 1] de bewonerscommissie van dit wooncomplex.

2.10. In een brief aan [huurdersvereniging] van 2 april 2007 heeft [Woonstichting] onder meer bericht:

'(...)

Achtergrond

Bewonersparticipatie is aan een aantal wettelijke voorschriften gebonden, opgenomen in de Wet op het overleg huurders verhuurder, kortweg de Overlegwet genoemd. [Woonstichting] is een maatschappelijke organisatie die het belangrijk vindt om goed met haar belanghouders te communiceren. In haar participatiebeleid heeft [Woonstichting] op basis van de Overlegwet voor een ruimhartige opstelling gekozen. Wij hechten veel belang aan de inbreng en de mening van onze bewoners en hun vertegenwoordigers. Het inhoud geven aan deze vorm van participatie vraagt om wederzijds vertrouwen.

De situatie in [plaats]

Al geruime tijd verlopen de contacten tussen [Woonstichting] en de [huurdersvereniging] zeer moeizaam. Wij constateren daarbij helaas van de kant van de vertegenwoordigers van de [huurdersvereniging] een stelselmatig wantrouwen richting [Woonstichting] met een over het algemeen negatieve en onredelijke benadering van [Woonstichting] en haar medewerkers. Collega's ervaren de samenwerking daardoor als problematisch.

Participatie in [plaats 1] vanaf nu

In de afgelopen zes jaar is verschillende malen geprobeerd om de lokale samenwerking met de [huurdersvereniging] op een prettige manier te laten verlopen. De sfeer is inmiddels echter dusdanig vertroebeld dat [Woonstichting] niet meer ziet op welke wijze zij in gesprek en overleg met dit bestuur een goede invulling kan geven aan de participatie.

Wij zien ons dan ook genoodzaakt de participatie in [plaats 1] terug te brengen tot het wettelijk minimum dat de Overlegwet van ons als corporatie eist, zolang de vereniging door deze bestuursleden wordt vertegenwoordigd.

Wij zien en waarderen dat de vertegenwoordigers van de [huurdersvereniging] zich inzetten voor hun medebewoners. Dit neemt echter niet weg dat wij hun houding en gedrag in de samenwerking en het overleg met het woonbedrijf als dermate negatief en onredelijk ervaren dat wij dit niet langer aanvaardbaar vinden.

Voor alle duidelijkheid: het gaat ons er absoluut niet om dat bewonersvertegenwoordigers niet kritisch moeten zijn. Integendeel: wij hechten aan een positief kritische houding van deze vertegenwoordigers. In dit geval is zo’n houding echter niet aanwezig. Dit maakt dat wij na zes jaar hebben besloten tot deze stap.

Rol secretaris in bewonerscommissie en planteam

Eveneens is gesproken over het functioneren van mevrouw [eiseres sub 2]. Daarbij is opnieuw aangegeven dat [Woonstichting] grote moeite heeft met de manier waarop mevrouw [eiseres sub 2] haar rol van vertegenwoordiger van bewoners in de bewonerscommissie en planteams invult.

Haar optreden kenmerkt zich in onze ogen door een overtrokken gerichtheid op details naast een over het algemene negatieve en onredelijke benadering van het functioneren van [Woonstichting] en haar medewerkers.

Wij zien en waarderen dat mevrouw [eiseres sub 2] zich inzet voor haar medebewoners. Dat neemt echter niet weg dat wij haar houding en gedrag in de organisatie als negatief en onredelijk ervaren.

Wij hebben de kwestie zorgvuldig overwogen. Wij zien nog maar een manier om uit deze impasse te komen en dat is dat mevrouw [eiseres sub 2] haar functie in bewonerscommissie en planteams neerlegt. Alleen dan zien wij nog de mogelijkheid om op constructieve wijze met deze commissie en planteams overleg te plegen, waartoe wij ten volle bereid zijn.

Wij betreuren het tot deze vergaande slotsom te moeten komen, maar wij zien op dit moment geen andere oplossing. Eerdere pogingen om de samenwerking op een prettige manier te laten verlopen, hebben niet het gewenste effect gesorteerd.

De besturen van de andere bewonersvertegenwoordigingen van [Woonstichting] zijn geïnformeerd over de ontstane situatie. Bijgevoegd vindt u een afschrift van de betreffende brief.'

3. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

Na ter zitting van 23 januari 2008 hun eis te hebben verminderd, vorderen [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] - zakelijk weergegeven - [Woonstichting] op straffe van een dwangsom te veroordelen:

1. de bestuursleden / vertegenwoordigers van [huurdersvereniging], [A] en [eiseres sub 2], toe te laten tot de vergaderingen en het overleg op lokaal niveau, hen ongestoord hun functie te laten uitoefenen, een en ander zolang zij als zodanig fungeren, alsmede de vergaderingen en het overleg met [huurdersvereniging] voort te zetten op de wijze die voorafgaande aan 2 april 2007 gebruikelijk was;

2. de op 2 april 2007 bestaande bewonerscommissie [adres 1] en de planteams [adres 1] en [adres 2] in stand te houden en [eiseres sub 2], zolang zij als lid daarin fungeert, ongestoord haar functie te laten uitoefenen en toe te laten tot de vergaderingen en het overleg op complexniveau;

3. binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan [huurdersvereniging] een brief te doen toekomen, geadresseerd aan alle leden van [huurdersvereniging] met als inhoud: 'Ingevolge het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag delen wij u mede dat onze berichtgeving aan u per brief van 2 april 2007 niet juist was, en dat de bewonersparticipatie als voorheen wordt voortgezet, ook indien de [huurdersvereniging] wordt vertegenwoordigd door haar bestuursleden dhr. [A] en mw. [eiseres sub 2]', opdat [huurdersvereniging] dit schrijven onder haar leden kan verspreiden.

Daartoe voeren [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] het volgende aan.

De keuze van [Woonstichting] om het overleg met [huurdersvereniging] tot een wettelijk minimum te beperken is in strijd met de toezegging van [Woonstichting] en de praktijk om de wettelijke overlegregels ruimhartig uit te leggen. [Woonstichting] speelt ten onrechte op de persoon van de bestuurders van [huurdersvereniging]. Het is aan [huurdersvereniging] om haar bestuursleden en haar vertegenwoordigers in het overleg met [Woonstichting] te benoemen en het is niet aan [Woonstichting] om te kiezen met wie van [huurdersvereniging] zij overleg voert. De vertegenwoordigers van [huurdersvereniging] brengen slechts in het overleg de standpunten van [huurdersvereniging]-leden naar voren en niet hun eigen persoonlijke mening. De belangen van de huurders die zij vertegenwoordigt, brengen mee dat [huurdersvereniging] zich kritisch opstelt richting [Woonstichting] indien blijkt dat zij haar eigen belang voorop wenst te stellen, hetgeen ook regelmatig gebeurt. [huurdersvereniging] mag zich ook kritisch opstellen zolang zij zich daarbij fatsoenlijk gedraagt overeenkomstig de vergaderregels. Uit de overlegverslagen blijkt dat dit het geval is. [Woonstichting] tracht op oneigenlijke wijze de kritische standpunten van [huurdersvereniging] te beïnvloeden door de gelegitimeerde bestuursleden als personae non gratae te bestempelen.

Ook de door [huurdersvereniging] met [Woonstichting] gemaakte afspraken inzake het functioneren van bewonercommissies en planteams moeten door [Woonstichting] worden nagekomen. Het is aan de bewonercommissies om hun leden te benoemen en om te bepalen wie van hen in het planteam zitting neemt. In het overleg met [Woonstichting] brengen de leden van de bewonercommissie en het planteam, onder wie [eiseres sub 2], het standpunt van de bewonercommissie en het planteam naar voren zonder daarbij onredelijk te zijn in houding of gedrag. [Woonstichting] maakt aldus inbreuk op de rechten van [eiseres sub 2] om als lid van voormelde organisaties volwaardig te functioneren en deel te nemen aan het overleg. Voorts handelt [Woonstichting] hierbij in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, hetgeen evenzeer onrechtmatig is jegens [eiseres sub 2].

De berichtgeving zijdens [Woonstichting] heeft voor veel onrust gezorgd bij de huurders en heeft de betrokken bestuursleden nodeloos beschadigd, hetgeen voldoende grond oplevert voor de gevorderde rectificatie.

[Woonstichting] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. [huurdersvereniging] is een huurdersorganisatie die voldoet aan de eisen die artikel 1 lid 1 sub f van de Wet op het overleg huurders verhuurder (hierna verkort: WOHV) stelt aan een huurdersorganisatie. [Woonstichting] is verhuurster van tenminste 100 voor verhuur bestemde woongelegenheden en voldoet daarmee aan het bepaalde in artikel 1 lid 1 sub d van die wet.

4.2. Uitgangspunt in het verenigingsrecht is dat aan de algemene ledenvergadering alle bevoegdheden toekomen die niet door de wet of de statuten aan andere organen zijn opgedragen. De algemene ledenvergadering benoemt de bestuursleden en andere vertegenwoordigingsbevoegden. Dit betekent dat de vereniging zelf bepaalt in welke gevallen zij zich door welke personen laat vertegenwoordigen. Op dit uitgangspunt maakt de WOHV geen uitzondering, zodat [Woonstichting] in beginsel geen door [huurdersvereniging] afgevaardigde vertegenwoordigers kan weigeren. Zolang [eiseres sub 2] door de huurdersvereniging rechtsgeldig wordt afgevaardigd, zal [Woonstichting] haar de toelating tot het overleg als bedoeld in artikel 3, 4 en 5 WOHV daarom niet mogen weigeren. Vast staat dat het overleg met [huurdersvereniging] door [Woonstichting] is verminderd tot het in deze wetsartikelen voorgeschreven minimum niveau. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is echter gebleken dat [eiseres sub 2] en [A] bij dit overleg als vertegenwoordigers van [huurdersvereniging] niet worden geweigerd. Daaraan doet niet af dat - kennelijk vanwege het aanblijven van [eiseres sub 2] - vooral schriftelijk wordt gecommuniceerd. In zoverre hebben [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] onvoldoende belang bij toewijzing van onderdeel 1 van het gevorderde, voor zover dit onderdeel betrekking heeft op de toelating tot de vergaderingen en het overleg op lokaal niveau, almede op de ongestoorde uitoefening van hun bestuursfunctie.

4.3. De voorzieningenrechter ziet zich dan voor de vraag gesteld of, zoals [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] stellen, [Woonstichting] is gehouden om het overleg met [huurdersvereniging] te hervatten op de wijze die voorafgaande aan 2 april 2007 gebruikelijk was, overeenkomstig de ruimhartige uitleg die [Woonstichting] voordien aan de WOHV heeft gegeven. [Woonstichting] beantwoordt deze vraag ontkennend en zij stelt daartoe dat desbetreffende toezegging geheel onverplicht is gedaan en rechtens niet afdwingbaar is. Dit verweer slaagt. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.4. Artikel 6 WHOV bepaalt dat bij schriftelijke overeenkomst tussen de verhuurder en de huurdersorganisatie aan de huurdersorganisatie meer bevoegdheden dan de in deze wet genoemde kunnen worden toegekend. Een dergelijke overeenkomst tussen [Woonstichting] en [huurdersvereniging] ontbreekt. Hoewel sprake lijkt te zijn van een zekere gedragslijn van [Woonstichting] om de wettelijke overlegvoorschriften ruimhartig uit te leggen en om [huurdersvereniging] op meer dan de in de WHOV genoemde terreinen te laten participeren in het besluitvormingsproces van [Woonstichting], hebben [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] tegenover de gemotiveerde betwisting van [Woonstichting] vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat [Woonstichting] in dit verband uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen heeft gedaan. Van een rechtens afdwingbare verplichting om het verruimde overleg op oude voet voort te zetten, is daarmee naar voorlopig oordeel geen sprake. Voorts kan niet worden gezegd dat het besluit van [Woonstichting] om de participatiegraad van [huurdersvereniging] vooralsnog te beperken tot het wettelijk voorgeschreven minimum en voorlopig terug te komen op de gedragslijn ten aanzien van een verruimde participatiegraad voor [huurdersvereniging], in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Duidelijk is dat de verstandhouding tussen [eiseres sub 2] en [Woonstichting] in 2006 ernstig is verslechterd. [Woonstichting] wijt dit aan een stelselmatig wantrouwen van [eiseres sub 2] richting [Woonstichting] met een over het algemeen negatieve en onredelijke benadering van [Woonstichting] en haar medewerkers, waarbij een overtrokken gerichtheid op details zou bestaan. In ieder geval is duidelijk geworden dat het vertrouwen bij [Woonstichting] in [eiseres sub 2] als gesprekspartner voor [huurdersvereniging] in april 2007 definitief verloren is gegaan en dat van een constructieve werkverhouding tussen [Woonstichting] en [eiseres sub 2] toen geen sprake meer was. Anders dan [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] hebben betoogd, is uit de stukken en de toelichting daarop ter zitting niet gebleken dat de verstoorde werkverhouding is veroorzaakt door een onredelijke opstelling van [Woonstichting]. Een en ander voert tot de slotsom dat ook de gevorderde hervatting van de oude overlegwijze niet toewijsbaar is.

4.5. Onderdeel 2 van het gevorderde heeft allereerst betrekking op de instandhouding van enerzijds de bewonerscommissie [adres 1] en anderzijds de planteams [adres 1] en [adres 2]. De vordering tot instandhouding van de bewonerscommissie stuit reeds af op de omstandigheid dat niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat [Woonstichting] daadwerkelijk heeft besloten tot opheffing van deze organisaties. De gevorderde instandhouding van de planteams deelt dit lot. Uit de stukken en de toelichting van partijen ter zitting is naar voren gekomen dat een planteam een specifieke projectgebonden overlegstructuur is, die niet is gebaseerd op de wet of een overeenkomst, doch eenzijdig door [Woonstichting] in het leven is geroepen met het oog op het uitwerken van plannen voor een renovatie of groot onderhoud aan een wooncomplex. Onweersproken is voorts dat [Woonstichting] betrokkenen, onder wie [huurdersvereniging] en vertegenwoordigers van bewonerscommissies, vooraf heeft duidelijk gemaakt dat zij in de planteams eindverantwoordelijk is voor het uiteindelijk resultaat en dat zij altijd de eindstem heeft. [Woonstichting] stelt terecht dat zij daarmee ook veel beslissingsruimte heeft ten aanzien van de samenstelling van de door haar opgerichte planteams. Anders dan [eiseres sub 2] heeft betoogd, kan in het licht van het voorgaande niet worden gezegd dat [Woonstichting] in de gegeven omstandigheden onbetamelijk of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld door [eiseres sub 2] vanwege (de hiervoor beschreven) verstoorde werkverhoudingen van het overleg uit te sluiten. [Woonstichting] heeft in dit opzicht voldoende aannemelijk gemaakt dat de verhoudingen met [eiseres sub 2] constructief overleg in de planteams in de weg staan. De gevorderde instandhouding van de planteams moet daarom worden afgewezen, nog daargelaten dat voor wat betreft het planteam [adres 2] ter zitting is komen vast te staan dat dit team nog volledig functioneert en dat [eiseres sub 2] daarvan op dit moment geen deel meer uitmaakt.

4.6. Onderdeel 2 van het gevorderde ziet voorts op de ongestoorde uitoefening door [eiseres sub 2] van haar functie als lid van de planteams [adres 1] en [adres 2]. Hetgeen in 4.5 is overwogen brengt mee dat ook dit element van de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. Anders is dat echter voor zover de vordering betrekking heeft op [eiseres sub 2]'s lidmaatschap van de bewonerscommissie [adres 1]. Hiervoor heeft het in 4.2 geformuleerde uitgangspunt evenzeer te gelden. Ook de bewonerscommissie bepaalt in welke gevallen zij zich door welke personen laat vertegenwoordigen. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat [eiseres sub 2] door de bewonerscommissie niet rechtsgeldig wordt afgevaardigd, zodat [Woonstichting] [eiseres sub 2] als zodanig niet kan weigeren bij het overleg met de bewonerscommissie. De desbetreffende vordering om [eiseres sub 2] ongestoord haar functie als lid van de bewonerscommissie [adres 1] te laten uitoefenen en toe te laten tot de vergaderingen en het overleg op complexniveau, zal daarom op na te melden wijze worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet evenwel geen aanleiding voor het opleggen van dwangsommen, nu [Woonstichting] uitdrukkelijk heeft aangegeven dit vonnis te zullen respecteren (onderdeel 14 van haar pleitnota van 23 januari 2008). Deze toezegging wordt vooralsnog toereikend geacht.

4.7. Onderdeel 3 van het gevorderde zal eveneens worden afgewezen, nu het voorgaande onvoldoende grondslag biedt voor de door [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] voorgestelde rectificatie.

4.8. Niettegenstaande de veroordeling van [Woonstichting], zullen [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2], als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt [Woonstichting] om [eiseres sub 2] ongestoord haar functie als lid van de bewonerscommissie [adres 1] te laten uitoefenen en toe te laten tot de vergaderingen en het overleg op complexniveau, een en ander zolang zij deze functie bekleedt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [huurdersvereniging] en [eiseres sub 2] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [Woonstichting] begroot op € 1.475,--, waarvan € 1.224,-- aan salaris procureur en € 251,-- aan griffierecht;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Von Maltzahn en uitgesproken ter openbare zitting van 8 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

mlh