Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC3386

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
AWB 07/47704
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Irak / zicht op uitzetting

Eiser heeft verwezen naar een telefoonnotitie van verweerder van 7 december 2007. In de brief van verweerder van 8 januari 2008, in reactie op vragen van de rechtbank, staat dat na januari 2007 geen gedwongen uitzetting naar Irak heeft plaatsgevonden, dat door de Dienst Terugkeer & Vertrek opnieuw een bezoek isgebracht aan de Iraakse ambassade en dat de onderhandelingen betreffende gedwongen terugkeer zich op dit moment in een reeds vergevorderd stadium bevinden.

De rechtbank stelt vast dat al een jaar lang geen vreemdelingen gedwongen naar Irak zijn uitgezet en dat, hoewel de telefoonnotitie van 7 december 2007 andere verwachtingen wekte, daarvan nog steeds geen sprake is. Voorts blijkt uit de brief van verweerder van 8 januari 2008 dat daartoe nog altijd geen concrete afspraken zijn gemaakt. In dat licht bezien is de enkele mededeling dat onderhandelingen zich in een vergevorderd stadium bevinden niet toereikend, nu daarmee, en ook overigens, niet inzichtelijk is gemaakt binnen welke termijn de feitelijke gedwongen uitzettingen naar Irak hervat zullen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat zicht op uitzetting van eiser naar Noord-Irak op een redelijke termijn bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 07/47704

Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het geding tussen:

[Eiser],

geboren op [geboortedatum] 1970,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer 9709.25.2042,

alias [alias 1],

alias [alias 2],

alias [alias 3],

thans verblijvende op de Detentieboot te Zaandam,

raadsvrouw mr. M.H. van der Linden,

eiser;

en

De Staatssecretaris van Justitie,

vertegenwoordigd door mr. R. de Groot,

ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),

verweerder.

1. Procesverloop

Op 22 december 2007 is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, Vw 2000).

Op 24 december 2007 heeft eiser tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 januari 2008. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen. Van die gelegenheid heeft verweerder gebruik gemaakt bij brief van 8 januari 2008. Bij brief van 9 januari 2008 heeft daarop eiser gereageerd. Nadat partijen toestemming hebben verleend de zaak zonder nadere zitting af te doen is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Eiser stelt dat het gegeven dat hij is veroordeeld ter zake misdrijf ten onrechte aan de maatregel ten grondslag is gelegd, omdat die veroordeling heeft geleid tot zijn ongewenstverklaring, die eveneens aan de maatregel ten grondslag is gelegd.

De rechtbank volgt eiser hierin niet. Hoewel het opnemen van beide gronden in de maatregel wellicht overbodig is, kunnen beide gronden, die ieder op zich de maatregel kunnen dragen, naast elkaar bestaan.

Voorts stelt eiser dat zicht op uitzetting ontbreekt. Hij verwijst ter onderbouwing daarvan naar een telefoonnotitie van verweerder van 7 december 2007 (te vinden op www.vluchtweb.nl) en de brief van verweerder van 8 januari 2008.

De rechtbank overweegt als volgt.

In de telefoonnotitie van verweerder van 7 december 2007, die is overgelegd in de zaak van een andere vreemdeling, wordt vermeld:

‘Op 20 november 2007 is er vanuit Irak toestemming gekomen om betrokkene, samen met drie andere Irakezen, uit te zetten naar Noord-Irak. Er is inmiddels een vlucht aangevraagd en betrokkene is daartoe overgeplaatst naar het UC Zestienhoven. DT&V verwacht binnen nu en 14 dagen een vluchtdatum te hebben.’

De brief van verweerder van 8 januari 2008 vermeldt:

‘Verweerder deelt u hierbij mede, dat na januari 2007 geen gedwongen uitzetting naar Irak heeft plaatsgevonden.

() door de Dienst Terugkeer & Vertrek (is) opnieuw een bezoek gebracht aan de Iraakse ambassade. De onderhandelingen betreffende gedwongen terugkeer bevinden zich op dit moment in een reeds vergevorderd stadium’.

De rechtbank stelt vast dat al een jaar lang geen vreemdelingen gedwongen naar Irak zijn uitgezet en dat, hoewel de telefoonnotitie van 7 december 2007 andere verwachtingen wekte, daarvan nog steeds geen sprake is. Voorts blijkt uit de brief van verweerder van 8 januari 2008 dat daartoe nog altijd geen concrete afspraken zijn gemaakt. In dat licht bezien is de enkele mededeling dat onderhandelingen zich in een vergevorderd stadium bevinden niet toereikend, nu daarmee, en ook overigens, niet inzichtelijk is gemaakt binnen welke termijn de feitelijke gedwongen uitzettingen naar Irak hervat zullen worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat niet is gebleken dat zicht op uitzetting van eiser naar Noord-Irak op een redelijke termijn bestaat.

Eiser heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank acht daartoe termen aanwezig. Zij is thans echter niet in staat te oordelen over de omvang daarvan, zodat het onderzoek zal worden heropend op na te melden wijze.

3. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de bewaring met ingang van heden;

- heropent het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de toe te kennen schadevergoeding;

- verwijst de zaak daartoe naar de zitting van 17 januari 2008;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.M.J. Bouwman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.M. Gemser als griffier op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.