Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2008:BC3368

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
AWB 08/2147
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / asielaanvraag / voortvarendheid / uitzettingshandelingen

Eiser is op 15 januari 2008 in bewaring gesteld en heeft op 16 januari 2008 een asielaanvraag ingediend. Verweerder laat handelingen ter fine van uitzetting achterwege totdat op deze aanvraag zal zijn beslist. Dit doet evenwel niet af aan verweerders verantwoordelijkheid om het onderzoek naar een eventuele gedwongen uitzetting zo spoedig mogelijk te starten, met dien verstande dat uitzettingshandelingen, waarbij contact moet worden gelegd met de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst, achterwege dienen te blijven. Verweerder heeft ten aanzien van eiser echter geen enkele uitzettingshandeling verricht en is evenmin is overgegaan tot voortvarende behandeling van de asielaanvraag van eiser. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder niet kunnen aangeven wanneer eiser gehoord zal worden over zijn aanvraag noch of dit in het kader van een AC-procedure zal plaatsvinden. Evenmin is aangegeven wanneer eiser zal worden overgeplaatst naar het AC Schiphol of een andere plaats waar het nader gehoor kan plaatsvinden. Concrete aanwijzingen met betrekking tot de vraag wanneer verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser ter hand zal nemen, ontbreken. Het ontbreken van uitzettingshandelingen maakt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan de uitzetting van eiser. Dat verweerder, naar gesteld, binnen zes weken nadat de vreemdeling te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, daarop zal beslissen, leidt niet tot een ander oordeel, nu dat hem niet ontslaat van de verplichting om in het kader van de maatregel van bewaring zo voortvarend als redelijkerwijs mogelijk uitzettingshandelingen te verrichten. Beroep gegrond, schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECTIFICATIE PAGINA 4

RECHTBANK DEN HAAG

Zittinghoudende te Utrecht

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/2147 VRONTN

uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 29 januari 2008

inzake

[Eiser] geboren op [geboortedatum] 1974, van Iraakse nationaliteit,

eiser, verblijvende in de detentieboot te Dordrecht

gemachtigde: mr. F.K.H. Blom, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

gemachtigde: mr. M.M. Luik, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te Den Haag.

Inleiding

1.1 Verweerder heeft op 15 januari 2008 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Nadat eiser op 16 januari 2008 een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, is de grondslag van de maatregel van bewaring gewijzigd, in die zin dat deze thans is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, onder b, van de Vw.

1.2 Eiser heeft hiertegen op 17 januari 2008 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 28 januari 2008. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

2.2 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen en voert daartoe aan dat verweerder de maatregel van bewaring beperkt toepast bij vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend. In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) in hoofdstuk A6, paragraaf 5.3.3.5 is voorgeschreven dat voorafgaand aan de bewaring van een asielzoeker overleg wordt gevoerd met de IND en dat van dit overleg een verslag wordt opgesteld. Hiervan is niet gebleken in het geval van eiser. Van een concrete belangenafweging lijkt evenmin sprake te zijn geweest, nu de gronden van de inbewaringstelling na de omzetting van de bewaring naar de grond genoemd in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw gelijk zijn gebleven aan de gronden die genoemd zijn bij de inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Naar de mening van eiser zijn er onvoldoende gronden die de bewaring rechtvaardigen. Eiser heeft voorts reeds eerder meegewerkt aan zijn uitzetting, zodat verweerder niet kan volhouden dat aannemelijk is dat eiser zich aan uitzetting zal onttrekken. Tot slot is eiser van mening dat verweerder niet voortvarend handelt om hem uit te zetten. In dat kader merkt eiser op dat hij tot op heden niet in de gelegenheid is gesteld om zijn aanvraag toe te lichten. Hij zou op 22 januari 2008 in AC Schiphol worden gehoord, maar dit is niet doorgegaan omdat zijn dossier daar nog niet was ontvangen. Eiser verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) van 7 december 2007, nr. 200707507/1 en 5 december 2007, nr. 200707784/1.

2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Bij de inbewaringstelling van een vreemdeling vindt altijd een belangenafweging plaats, zo ook in de zaak van eiser. Ook bij de omzetting van de maatregel van bewaring naar een andere grond, zijn de belangen van eiser afgewogen. Er zijn voldoende gronden die de maatregel van bewaring rechtvaardigen. De door eiser genoemde uitspraken verschillen in zoverre van zijn situatie, dat in die zaken de desbetreffende vreemdeling niet in staat was gesteld een asielaanvraag in te dienen. Verweerder heeft eiser daartoe echter reeds op 16 januari 2008 in de gelegenheid gesteld en heeft nadat eiser te kennen heeft gegeven dat hij een asielaanvraag wenst in te dienen zes weken de tijd om op deze aanvraag te beslissen. Het laatste is conform de vaste gedragslijn van verweerder.

Verweerder heeft voorts ter zitting medegedeeld dat er nog geen uitzettingshandelingen zijn verricht omdat de asielaanvraag wordt afgewacht. Pas als dat is gebeurd volgen uitzettingshandelingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 Niet bestreden is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten.

2.5 De rechtbank is anders dan eiser van oordeel dat er voldoende gronden zijn die de maatregel van bewaring rechtvaardigen. Eiser beschikt niet over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, heeft geen vaste woon- en verblijfplaats, heeft zich niet gemeld bij de korpschef en beschikt niet over voldoende middelen van bestaan. Eisers stelling, dat hij nog maar net twee dagen in Nederland was, voornemens was een asielaanvraag in te dienen en dat het in dat licht bezien logisch is dat hij niet beschikt over middelen van bestaan en een vaste woon- en verblijfplaats doen hieraan niet af. Overigens heeft eiser heeft deze stellingen op geen enkele wijze onderbouwd. Niet valt in te zien waarom eiser hiermee, zoals hij betoogt, zou moeten wachten tot het nader gehoor in de asielprocedure.

De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn standpunt dat zijn eerdere vrijwillige vertrek uit Nederland, na afwijzing van zijn asielaanvraag, erop wijst dat hij zich thans niet aan de uittrekking zal gaan ontrekken. De rechtbank ziet in eisers terugkomst naar Nederland veeleer een aanwijzing dat hij niet voornemens is in zijn land van herkomst te blijven.

2.6 De omstandigheid dat uit het dossier niet blijkt dat alvorens tot de omzetting van de maatregel van bewaring naar een andere grond is overgegaan nader overleg heeft plaatsgevonden, maakt de maatregel van bewaring naar het oordeel van de rechtbank evenmin onrechtmatig. Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn er voldoende gronden die de maatregel van bewaring kunnen dragen. Dat er van de zijde van de asielafdeling van de IND bezwaren zouden zijn tegen de inbewaringstelling is voorts ter zitting niet gebleken. Evenmin blijkt dat eisers belangen niet op adequate wijze zijn afgewogen bij de inbewaringstelling.

2.7 Ten aanzien van eisers grief met betrekking tot het onvoldoende voortvarend handelen van verweerder overweegt de rechtbank als volgt. Nu de inbewaringstelling van een vreemdeling ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vw slechts is geoorloofd met het oog op de uitzetting, is die maatregel onrechtmatig indien verweerder na inbewaringstelling van een vreemdeling geen uitzettingshandelingen verricht, dan wel bij de uitzetting onvoldoende voortvarendheid betracht. Eiser heeft op 16 januari 2008 een asielaanvraag ingediend. Verweerder laat volgens zijn vaste gedragslijn handelingen ter fine van uitzetting achterwege totdat op deze aanvraag zal zijn beslist.

De enkele omstandigheid dat eiser echter een asielaanvraag heeft ingediend, doet evenwel niet af aan verweerders verantwoordelijkheid om het onderzoek naar een eventuele gedwongen uitzetting zo spoedig mogelijk te starten, met dien verstande dat uitzettingshandelingen, waarbij contact moet worden gelegd met de autoriteiten van het vermoedelijke land van herkomst, achterwege dienen te blijven. Verweerder heeft ten aanzien van eiser echter geen enkele uitzettingshandeling verricht.

2.8 Het voorgaande klemt eens te meer nu verweerder evenmin is overgegaan tot voortvarende behandeling van de asielaanvraag van eiser. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder niet kunnen aangeven wanneer eiser gehoord zal worden over zijn aanvraag noch of dit in het kader van een AC-procedure zal plaatsvinden. Evenmin is aangegeven wanneer eiser zal worden overgeplaatst naar het AC Schiphol of een andere plaats waar het nader gehoor kan plaatsvinden. Concrete aanwijzingen met betrekking tot de vraag wanneer verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiser ter hand zal nemen, ontbreken.

2.9 Het ontbreken van uitzettingshandelingen maakt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan de uitzetting van eiser. Dat verweerder, naar gesteld, binnen zes weken nadat de vreemdeling te kennen heeft gegeven een asielaanvraag in te willen dienen, daarop zal beslissen, leidt niet tot een ander oordeel, nu dat hem niet ontslaat van de verplichting om in het kader van de maatregel van bewaring zo voortvarend als redelijkerwijs mogelijk uitzettingshandelingen te verrichten.

2.10 Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring ten aanzien van eiser vanaf 15 januari 2008 onrechtmatig is.

2.11 Het beroep dient derhalve gegrond verklaard te worden. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 29 januari 2008.

2.12 Ingevolge artikel 106 Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.13 De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 6 keer € 95,- (voor zes dagen verblijf in een politiecel) + 8 keer € 70,- (voor acht dagen verblijf in de detentieboot te Dordrecht, zijnde een Huis van Bewaring) = € 1.130,-

2.14 De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322 en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang 29 januari 2008.

wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser een schadevergoeding toe ten bedrage van € 1130,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. F.M.D. Aardema en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2008.

De griffier:

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De rechter:

mr. F.M.D. Aardema

Voornoemd lid beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende RECTIFICATIE schadevergoeding ten bedrage van € 1130 (zegge: elfhonderddertig euro).

DD 30-01-2008

Aldus vastgesteld op 29 januari 208 door mr. F.M.D. Aardema.

De rechter:

mr. F.M.D. Aardema

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 95 van de Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten.

Let wel: Ook als u in deze uitspraak (gedeeltelijk) in het gelijk bent gesteld, kan het van belang zijn hoger beroep in te stellen voor zover de rechtbank gronden uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen en u daar niet in wilt berusten.